• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Beknopte Chronologie van het Ontstaan der vier door de Kerk erkende Evangelie-versies

29/1/2025

 
Verschenen in POSITIEF nr. 409 – FEBRUARI 2011

​Een Aramees Evangelie of "Woorden" van de Heer Jezus?
 
Historisch gezien moet het Levi-Mattheüs geweest zijn die het eerst ermee begonnen is "de Woorden van de Heer" (Gr. "Logia") neer te schrijven in het Hebreeuws; of liever in het Aramees, wat toch de taal van de Heer Jezus was. Als douanebeambte in Romeinse dienst, was Levi gewoon om de schrijfstift te hanteren, en hij zal tijdens het openbaar optreden, en kort na het sterven en verrijzen van de Heer, reeds bepaalde woorden en toespraken van zijn Meester opgeschreven hebben. Althans zo luidt het bij Papias, bisschop van Hiërapolis, die rond 130 na Chr. een boek schreef  
 
Die oorspronkelijke "Aramese Logia" zijn niet voor ons bewaard gebleven. Maar typisch is het wel dat een apocrief boek, nu verkeerdelijk "het Thomas-evangelie" genoemd, alleen bestaat uit "logia", d.w.z. uit 114 korte teksten waarmee de auteur zogenaamd de "ware" woorden van Jezus wilde citeren ... Zij het dan met de bedoeling een ketterse betekenis eraan te geven ... (*) En het is merkwaardig dat deze gnostische schrijver (**) hoofdzakelijk gebruik gemaakt heeft van het Mattheüs Evangelie, of misschien zelfs van de toen nog bestaande Aramese, of reeds in het Grieks vertaalde "Logia" van de evangelist. 
 
Een kleine aanwijzing dat zo'n boek met "Woorden van Jezus" inderdaad al bestond toen de evangelist Johannes-Marcus aan zijn eigen Evangelie-versie begon, is te vinden in Mc. 3, de verzen 13 tot 19. Marcus schrijft daar dat de Heer Jezus de Berg (van de Bergrede!) opging en zijn twaalf apostelen uitkoos. Maar ... daarbij wordt door hem helemaal niets gezegd over of aangehaald uit Jezus' Bergrede ... "Logia" die toch in het later ontstane Griekse Mattheüs-Evangelie niet minder dan vier hoofdstukken beslaan ( 5-6-7 & 23) Blijkbaar heeft Marcus het dus toen niet nodig geoordeeld de belangrijke woorden, die Mattheüs reeds voor een deel schriftelijk had vastgelegd, nog eens voor zijn eigen lezers te herhalen. 
 
Het Marcus-Evangelie 
 
Het staat overigens vast dat de eigenlijke auteur van het Marcus-Evangelie, weer volgens bisschop Papias, de apostel Simon Petrus was. De stijl en de snelle opeenvolging van feiten, in een perfecte chronologische volgorde, doen ons toch voortdurend aan het impulsieve karakter en het goed geheugen van het hoofd der apostelen denken. Marcus was vanaf het jaar 30 na Chr. steeds in de buurt van Petrus gebleven tot diens aanhouding door Herodes Agrippa 1, zijn wonderbare ontsnapping en zijn afreis uit Jeruzalem in het jaar 43. Het is logisch dat Marcus ook dààrna Petrus weer heeft opgezocht, samen met hem de zending is ingegaan en dus met zijn Evangelie-versie al gedeeltelijk klaargekomen is, nog voor het jaar 45. 
 
Toen de Cypriotische leviet Barnabas en de apostel Saul (d.i. Paulus) in de lente van het jaar 45 naar Cyprus vertrokken, had Barnabas zijn jonge neef Marcus al geëngageerd als hun helper. Met de proconsul Sergius Paulus te Pafos in contact gekomen, zullen zij reeds over één of meer kopieën van het Marcus-Evangelie hebben beschikt, en misschien wel een exemplaar bij die intelligente Romeinse ambtenaar hebben achtergelaten. 
 
Twee citaten die op een vroege tekst van Marcus wijzen, leest men in de proloog tot Lukas' eerste Boek, een Evangelie-versie bestemd voor dezelfde proconsul, Sergius Paulus, alias Theofilus, en vast en zeker voltooid in het jaar 60 (Lk.1,1-4): 
 
Reeds velen hebben getracht de gebeurtenissen te verhalen die onder ons hebben plaatsgevonden aan de hand van gegevens welke ons werden overgeleverd door mensen die van in het begin ooggetuigen waren en die in dienst van het Woord zijn getreden! En: Ook ik (Lukas!) besloot - na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht - voor Uwe Excellentie een ordelijk verslag te schrijven met de bedoeling U te doen zien hoe betrouwbaar de Leer is waarover U reeds (in het jaar 45, vanwege Barnabas en Paulus!) catechese ontvangen hebt. (Gr. "katèchètès"!) Het is duidelijk dat Lukas hierbij verwijst naar wat hij later in zijn tweede Boek - "Handelingen van Apostelen" genoemd - neergeschreven heeft: Op het zien van het gebeurde nam de proconsul (Sergius Paulus!) het Geloof aan, diep getroffen door de Leer van de Heer! (Hand.13,12) 
 
Ook het feit dat zowel Lukas in Griekenland, als Mattheüs in het Joodse Land, met hun Evangelie-versie, helemaal onafhankelijk van elkaar, voortbouwden op het hetzelfde Marcus-Evangelie en bijna overal dezelfde chronologie in acht namen, bewijst dat kopieën van het Marcus-Evangelie - tegelijk en al heel vroeg! - én in Griekenland én in het Midden-Oosten waren verspreid. 
 
Het Lukas-Evangelie 
 
Het zal wel Paulus zijn geweest die Lukas ertoe heeft aangezet om, na het jaar 45 en op basis van het Marcus-Evangelie, een nieuwe en verbeterde uitgave van de Blijde Boodschap te schrijven. Ditmaal in een heel verzorgd Grieks, want speciaal voor de meer ontwikkelde Grieken - zoals de proconsul Sergius Paulus! - die weldra tot bekering konden komen. Er bestonden in de hellenistische wereld woordenlijsten "Zeg niet/ Zeg wèl"; en het blijkt inderdaad dat Lukas, met zijn verfijnd taalgevoel, daarmee spontaan rekening heeft gehouden. 
 
Een goede aanwijzing dat Lukas al in het jaar 57/58 klaar was met een groot deel van zijn Evangelie-versie is wel dat de apostel Paulus in zijn (pag 60) "Tweede Brief aan de Thessalonicenzen" (2,14), in zijn "Tweede Brief aan de Korinthiërs" (4,3) en in zijn "Brief aan de Romeinen" (2,16 & 16,25) spreekt van "mijn Evangelie" en "ons Evangelie". Ook uit andere passages valt, hier en daar, op te maken dat hij over een door de Kerk erkend Evangelieboek beschikt, dat beslist niet meer mag worden tegengesproken, op straf van uitbanning. (Gal.1,8) 
 
Kort voor Paulus' marteldood te Rome verwees de apostel in zijn "Tweede Timotheüsbrief", geschreven in het jaar 66, nog eens uitdrukkelijk naar mijn Evangelie. (Gr. "to Evangelion mou"; 2,8) En in dezelfde brief (4,13) smeekte hij Timotheus de boeken, en vooral de perkamenten, naar Rome mee te brengen die hij bij Karpos in Troas had achtergelaten. Waar Lukas dan het al te bondige Marcus-Evangelie reeds aanvulde met tal van verhalen die in het Joodse Land over Jezus' optreden en zijn Leer in omloop waren, kan het niet anders of hij zal uiteindelijk zijn eerste boek, "het Lukas-Evangelie", in het Joodse Land zelf verder hebben bijgewerkt. En inderdaad, toen hij in het gezelschap van Paulus en de hele Griekse delegatie voor het Joodse Pinksterfeest 58 te Jeruzalem aankwam, kreeg hij ruim de tijd daarvoor. Want Paulus, aangehouden door de geldwolf procurator Felix, werd twee jaar lang - van Pinksteren 58 tot eind zomer 60 - onrechtmatig te Caesarea, Felix' residentiestad, gevangengehouden ... Zo kreeg Lukas, in het Joodse Land, tal van nieuwe gelegenheden om nog veel meer mensen te ontmoeten die én ooggetuigen geweest waren én in dienst van het Woord gebleven waren. 
 
De eerste getuige, in de lange reeks van hen die dààrvoor in aanmerking kwamen, was natuurlijk Jezus' Moeder, Maria. Ze woonde reeds te Jeruzalem bij de apostel Johannes in, vanaf de kruisdood van haar Zoon in het jaar 30. Wie zou beter dan zij aan de historicus Lukas hebben kunnen vertellen wat er 60 à 65 jaar voordien, bij de geboorte van Johannes de Doper en haar eigen Zoon, precies was gebeurd? Wie had nog kunnen zeggen wat kort voor Pasen van het jaar 6 v.Chr. te Nazareth had plaatsgevonden, of wat er kort daarop - van Pasen tot Pinksteren - bij haar nicht Elisabeth en de aäroniet Zachariah werd besproken? En wat, eind van datzelfde jaar in Bethlehem, met Jezus' geboorte en nog één heel jaar daarna, allemaal was gebeurd? Of ook waarom Jozef en Maria met hun Kind, in het jaar 4 v.Chr., liever naar ... Nazareth terugkeerden dan naar Bethlehem, de stad van David? En vervolgens nog wat tien jaar later - rond Pasen van het jaar 8 na Chr. - met hun opgroeiende Zoon te Jeruzalem precies aan de hand was geweest! Lukas voegde dus, overgelukkig met al die intieme familie-gegevens, aan zijn reeds uitgebreid Evangelie-manuscript nog twee lange, ontroerende inleidende hoofdstukken toe. 
 
Hij spoorde bovendien, gedurende die twee lange jaren, in heel het Joodse Land en zelfs in het Overjordaanse, zoveel mogelijk messiaanse Joden op, die hem betrouwbare stof voor zijn al goed gevorderde "Biografie van de Heer Jezus" konden bezorgen. Maar nog voor de evangelist al deze nieuwe gegevens chronologisch in zijn manuscript had kunnen inpassen, werd Paulus, als gevangene, door de nieuwe procurator Festus in de herfst van het jaar 60, op transport gezet naar ... Rome. Immers de apostel had, na een eerlijk verhoor door procurator Festus en Herodes Agrippa Il, als Romeins burger op keizer Nero een beroep gedaan. Het is opvallend hoe Lukas in die jaren in zijn Evangelie-versie, vanaf hoofdstuk 9 vers 51 tot hoofdstuk 18 vers 14, veel eigen verhaalstof heeft opgenomen, die hij inlaste in die zogenaamde "laatste reis" van Jezus naar Jeruzalem. "Een reis" die door het Overjordaanse liep en gepaard ging met het uitzenden van de 72 leerlingen in alle richtingen, en zelfs onderbroken werd door een paar tussentijdse bezoeken aan ... Bethanië en wellicht ook aan Jeruzalem. Alles samen was het een evangelisatietocht die een zestal maanden duren zou, en waarmee de Heer Jezus en de Twaalf overal veel nieuwe volgelingen bereikt hadden. 
 
Vooraleer die gedwongen reis naar Rome in gezelschap van Paulus te ondernemen, liet Lukas zijn eigenlijk nog niet totaal afgewerkt manuscript te Jeruzalem achter. Hij zorgde eerst nog voor een passend voorwoord en een persoonlijke aanbeveling bij Zijne Excellentie Theofilus. (Waarschijnlijk gaf hij het lijvig manuscript in handen van Barnabas die hij zal verzocht hebben deze allerbelangrijkste perkamenten veilig naar Cyprus en proconsul Sergius Paulus over te brengen.) 
 
Ondertussen had Lukas ook ijverig gewerkt aan zijn tweede boek "Geschiedenis van de Jonge Kerk", nu "Handelingen van (de) Apostelen" genoemd. Hij moest echter ook dàt tweede boek onafgewerkt te Jeruzalem achterlaten ... Gelukkig maar! Na de fel bewogen zeereis, de schipbreuk op Malta en de behouden aankomst te Rome in de lente van het jaar 61, heeft de historicus Lukas zijn opdrachtgever Paulus en de stad Rome spoedig verlaten. De apostel mocht daar, in afwachting van een verhoor en onder veilige bewaking, rustig in een eigen huurwoning verblijven. Maar Lukas zal daarna, wel te Jeruzalem, zijn tweede boek verder hebben bijgewerkt, met onder andere het uitvoerig verslag van de onvergetelijke reis overzee. Precieze gegevens over belangrijke gebeurtenissen zoals de neerdaling van de Heilige Geest, de activiteiten van Simon Petrus, Jakobus, Johannes, Stefanus, Filippus en anderen, moet hij toch hoofdzakelijk in Jeruzalem hebben verzameld. 
 
Tot slot brengt hij nog een uiterst vluchtig verslag uit over Paulus' verdere bezigheden te Rome (Hand.28,31): Hij predikte het Rijk Gods en gaf, in alle vrijmoedigheid, onderricht in de Leer over de Heer Jezus Christus. En ook dat Paulus, helemaal overeenkomstig de Romeinse Wet - na twee jaar gevangenschap en zonder nieuwe aanklachten vanuit Jeruzalem - uit zijn licht gevangenisregime te Rome werd ontslagen, heeft Lukas zelf pas daarna in één vers in de definitieve tekst van zijn tweede boek ingelast (Hand.28,29-30).
 
Dit tweede boek werd, na het jaar 63, in zijn geheel overgemaakt aan dezelfde Theofilus, die nu geen proconsul van Cyprus meer was. Deze zal wellicht tijdens de jaren die volgden, in zijn eigen scriptorium, nog voor kopieën van beide Lukas-werken hebben gezorgd, zodat deze kostbare Bijbelboeken nooit meer voor de Jonge Kerk verloren konden gaan. 
 
Het Mattheüs-Evangelie 
 
Over het ontstaan van het uitgebreide "Evangelie volgens Mattheüs" zijn we helaas weinig ingelicht. Zijn oorspronkelijke Aramese of Griekse "Logia" heeft hij geleidelijk uitgebreid met meer dan honderd gelijkenissen of lange parabels en tientallen wondertekenen, en vooral met een heel uitgewerkt overzicht van Jezus' Bergrede (Mt.5-7), gevolgd door een uitvoerig "Wee u!" gericht tot bepaalde huichelachtige geestelijke leiders in Israël. (Mt.23; Lk.6,24-26) 
 
De bedoeling is overduidelijk: de vele messiaanse Joden in hun pril Geloof versterken, maar vooral de niet-messiaanse Joden zo mogelijk ervan overtuigen dat de Heer Jezus, door zijn leven en zijn sterven, helemaal in vervulling had gebracht wat in "de Torah, de Profeten en de Heilige Geschriften" d.i. het Oud Testament, over de Messias, de Dienaar van Jahweh, de Zoon van David en de Mensenzoon ... eeuwen tevoren al voorspeld was. En tot slot schreef hij nog in het lang en breed over de absolute zekerheid van Jezus' Wederkomst in heerlijkheid. (Mt.23,3-31 en de twee hoofdstukken 24 & 25) 
 
Daarbij had hij al gebruik gemaakt van héél het Marcus-Evangelie, verder van een minder bekende bron Q (beide bronnen gebruikte ook Lukas) en, op zijn beurt, van een aantal mooie herinneringen van Jezus' Moeder, Maria. Deze laatste gegevens beschreef hij, net zoals bij Lukas, in twee inleidende hoofdstukken van zijn Evangelie-versie, die oorspronkelijk nog begon met het optreden van Johannes de Doper als heraut van de komende Messias. Deze twee inleidende hoofdstukken bij Mattheüs verschillen wel sterk van die van Lukas. Maar waar Maria zèlf de bron ervan was, spreekt Mattheüs natuurlijk nergens Lukas' verhaal tegen; het zijn stuk voor stuk hoogst interessante aanvullingen. 
 
Het wekt enige verbazing dat Mattheüs zoveel Evangelie-stof verzamelde en beschreef, en daarbij blijkbaar niet het minste contact onderhield met de evangelist Lukas! Dit schijnt er eveneens op te wijzen dat Lukas het grootste deel van zijn Evangelie reeds geschreven had in Griekenland, vooraleer hij in het jaar 58 te Jeruzalem aankwam. En wellicht was de evangelist Mattheüs in het jaar 58 ook al in Jeruzalem klaargekomen met het grootste deel van zijn eigen Evangelieboek. 
 
Er wordt soms beweerd dat Mattheüs pas na het fatale jaar 70 zijn Evangelie zou neergepend hebben. En dit alleen op grond van het éne feit dat de Heer Jezus, in zijn parabel "Van de onwillige Genodigden “(Mt.22,2-7) over het lot van hun stad vermeldt, dat ze door de toornige koning in brand gestoken werd ... Dit zou dan, volgens deze zwakke hypothese, slechts een zogenaamde voorspelling zijn "van de hand van Mattheüs zelf "; en dus niet van Jezus! De evangelist kon dat immers pas geschreven hebben nà de feiten; na de val van Jeruzalem in de jaren 70-73, zeggen ze . 
 
Hierbij moeten we wel bedenken dat het veelal de gewoonte was in de Oudheid, tijdens die ontelbare oorlogen, een stad te plunderen en ze daarop gewoon in brand te steken ... Het hoeft helemaal niet zo ver gezocht geweest te zijn voor de Heer Jezus om in zijn parabel iets over een dergelijke ramp te vertellen. Historisch is het nu wel zo dat de Tempel te Jeruzalem inderdaad in het jaar 70 na Chr. - eerder toevallig? - in vlammen opging; maar toch niet ... dat de hele stad Jeruzalem in brand gestoken werd? Ze werd overigens wel, bij de gewelddadige verovering door Titus, voor een groot deel door de Romeinse legers verwoest. 
 
Een steekhoudend historisch bewijs dat héél het Mattheüs-Evangelie pas na 70-73 zou ontstaan zijn, is dit dus vast en zeker niet. Wel kan het, na 73, nog wat bijgewerkt zijn met het oog op de heropleving en het dagelijks bestuur van de messiaanse kerken in het Joodse Land. 
 
Het Johannes-Evangelie 
 
Wat nu het Johannes-Evangelie betreft, dat is weer een heel ander verhaal. Ook Johannes zal niet hebben gewacht om met zijn Boek te beginnen tot na de val van Jeruzalem in 70-73, of na de spoedige terugkeer naar hun eigen gemeenten in het Joodse Land van de tijdig naar het Overjordaanse gevluchte messiaanse Joden. Wel moet hij er pas mee klaargekomen zijn, nadat Lukas en Mattheüs al, rond de jaren 60, hun eigen versie van de Blijde Boodschap grotendeels hadden afgewerkt. In elk geval blijkt Johannes, hier en daar, de inhoud ervan te kennen, of zelfs er eventjes naar te verwijzen. (bijvoorbeeld Joh.11,2) 
 
Wat daarbij dan weer opvalt, is het feit dat hij het helemaal niet nodig vond datgene te herhalen wat de drie andere evangelisten al meegedeeld hadden in hun boeken; behalve dan het persoonlijk door hem en Maria meebeleefde Lijden, Sterven en Verrijzen van zijn Meester. Een paar van de verschijningen van de Levende Heer geeft hij meer gedetailleerd weer. Over een drietal heeft hijzelf het allèèn: de verschijning aan Thomas en die aan zeven apostelen - onder wie hijzelf - bij het meer in Galilea. Zijn Evangelie-versie eindigt dan met de verschijning aan Petrus en Johannes en met de plechtige aanstelling van Petrus tot opperherder over "de lammeren en de schapen", gevolgd door de opdracht: "Volg Mij ... " Ja, volg Mij tot op het kruis! Dat alles beslaat trouwens meer dan één derde van heel zijn boek. 
 
Johannes bleef met Maria te Jeruzalem wonen (wellicht tot het jaar 68/69) en hij heeft het belangrijk gevonden in de loop van zijn Evangelieversie verscheidene Joodse Feesten bij name te vermelden. En dit in de correcte chronologische volgorde! Die Pelgrimsfeesten werden tijdens het driejarig Openbaar Leven van zijn Meester in het Joodse Land gevierd. Volgens hem speelde de Heer Jezus juist dààrin telkens een heel bijzondere rol. 
 
Op die manier maakte Johannes het bovendien mogelijk - ook voor ons, bijna 2000 jaar later - diezelfde gebeurtenissen, misschien tot op een paar dagen na, feilloos te dateren. Deze Joodse Feesten vallen immers op perfect gekende data van de nog steeds in joodse kringen gebruikte Joodse Kalender; en die is tegenwoordig, met behulp van de Moderne Astronomie, zonder moeite gesynchroniseerd met onze christelijke, wereldwijd gebruikte kalender. 
 
Dit biedt het grote voordeel dat we er nu zeker van zijn dat Johannes' boek - naast het Marcus-Evangelie - de meest chronologisch-geordende Evangelie-versie is. Het blijkt immers heel duidelijk dat alle schijnbaar los verspreide perikopen van het Johannes-Evangelie telkens correct binnen de volgorde van de chronologisch-geordende teksten in de boeken van Marcus, Lukas en Mattheüs kunnen ingepast worden: Pasen & Pinksteren jaar 27 (1,19-51), Pasen, jaar 28 (2,23), Pinksteren,jaar 28 (5,1a), Pasen, jaar 29 (6,4), Loofhutten, 29 (7,2 & 14), Jom Kipoer 29 (7,19), Simchat Torah 29 (7,37), Tempelwijding 29 (10,22), Palmzondag, jaar 30 (12,12-13) en Pasen van het jaar 30 (13,1). 
 
Wat dan de inhoud van het Johannes-Evangelie betreft: de nieuwe evangelische gegevens vanwege Johannes zijn zonder enige twijfel historische feiten die Johannes, soms samen met Maria, persoonlijk heeft beleefd. Daarenboven kan men zich niet van de indruk ontdoen dat Johannes, in de ruim 40 jaren die hij in gezelschap van Jezus' Moeder doorbracht - eerst in Jeruzalem en ten slotte te Efese, de stad van de vruchtbaarheidsgodin Artemis - in intieme gesprekken met Maria, vaak over de diepere betekenis van Jezus' Woorden en Daden heeft nagedacht. Dit leverde, in de jaren 80-90 (***), een Evangelie-versie op die, eeuwenlang - en nog tot op de huidige dag! - eerlijke lezers altijd diep ontroerd hebben. Vele andersgelovigen en zelfs ongelovigen komen nog vandaag de dag tot Geloof in Jezus Christus alleen al door het lezen van het Johannes-Evangelie. 
 
Oktaaf Boie, 
Lic. Germ. Filologie, Lic. Oosteuropese Taalkunde & Geschiedenis 
Noorweegse Kaai 41, 8000 Brugge.  
 
Noten:
 
(*) Veel ketterse geschriften uit de 2e , 3e en 4e Eeuw kregen ten onrechte de naam "evangelie" opgeplakt. .. Nochtans hebben ze helemaal niets te maken met de Blijde Boodschap van Zondevergeving, Verlossing door het Kruis-Offer en Eeuwig Leven in Jezus! Rond de jaren 170 na Chr. moest de apostolische vader, lrenaeüs, al optreden tegen dergelijke ketterse geschriften. Hij verzekerde daarbij ten overvloede dat allèèn de vier door de Kerk erkende Evangelie-versies, de authentieke Blijde Boodschap hadden gebracht. 
 
(**) Deze ketterse teksten zijn bijna allemaal gnostisch gekleurd. D.w.z. dat het aards en eeuwig heil van de menselijke persoon uitsluitend afhangt van "de kennis (Gr. "gnosis") van geheime geschriften"; soms op naam gezet van personen bekend uit het Nieuw Testament, en dus apocrief. Ze waren trouwens slechts bestemd voor weinige ingewijden. 
 
(***) Reeds in de jaren 125-130 circuleerde in Egypte een kopie van het Johannes-Evangelie in boekvorm. Een aan beide zijden beschreven klein fragment ervan werd daar in Oxyrhynchus ontdekt, en wordt nu bewaard in Kaïro. Het maakt de reconstructie van één blad, voor- en ommezijde, van de oorspronkelijke papyrus-codex mogelijk. Beide korte teksten, en de indeling in bladzijden waarop zij wijzen, stemmen volledig met die van de huidige Griekse uitgaven van het Johannes-Evangelie overeen.

Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht