• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

De Jood Saul van Tarsus, de grote apostel Paulus

29/1/2025

 
Verschenen in POSITIEF nr. 383 – JUNI 2008

​Paus Benedictus XVI heeft er heel wijs aan gedaan een jaar in het teken van de grote apostel Paulus te stellen. Naast Petrus is het deze Jood die aan de evangelisatie in het Midden-Oosten en Zuid-Europa haar enorm elan heeft gegeven, in de kracht van de Heilige Geest! Het is voor onze tijd, een tijd van grote intellectuele verwarring, zowel binnen de Kerk als erbuiten, een uitzonderlijke blijk van goddelijke inspiratie geweest dat juist Paulus - te midden van de hele Gemeenschap van onze Heiligen! - weer concreet tussen ons aanwezig wordt gesteld. De geest van de apostel Paulus moge alle actieve christenen speciaal bij de herevangelisatie van onze Lage Landen voortdurend tot steun zijn! 
 
Levensschets 
 
Hij werd geboren uit Hebreeuwse ouders in het jaar 8 na Chr. te Tarsus, in de antieke Romeinse provincie Cilicië. Dit wil zeggen als verre afstammeling van de aartsvaders Abraham, lzaak en Jakob, met wie Jahweh in het verre verleden telkens Zijn Verbond vernieuwde. Saul was eigenlijk uit de stam van Benjamin, die van koning Saul, de stam die eeuwenlang samen met de stam van Juda het Zuidrijk vormde, waarmee Jahweh-Adonaï zijn eeuwige Heilsgeschiedenis wilde verder zetten. Het Heil van alle volken, van heel het mensdom, was immers uit de joden, want welbepaald uit de Jood Jezus, de Nazarener, Gods Zoon en Mensenzoon. 
 
De vader van de jonge Saul had grootse plannen met zijn intelligente zoon: hij bezorgde hem het Romeins burgerrecht en stuurde hem als dertienjarige naar de "School voor het Rabbinaat" te Jeruzalem. Daar volgde hij, onder de hoede van de beroemde farizeese professor Gamaliël, een zesjarige theologische opleiding. In het jaar 27, net voor het openbaar optreden van de Heer Jezus, verliet hij als jonge rabbijn het Joodse Land, op weg naar zijn vaderstad Tarsus, de hoofdstad van de Romeinse provincie Silicië. Hier bekwaamde hij zich verder in de Hellenistische Filosofie om des te gemakkelijker Grieken voor het judaïsme te kunnen winnen. Toen hij echter vernam dat er in Jeruzalem - naar zijn oordeel - afvallige joden, hoofdzakelijk Galileeërs, het voorvaderlijke geloof begonnen aan te tasten, keerde hij terug naar Jeruzalem om deze verfoeilijke sekte - met name "de Weg van de Nazarener Jezus" - de kop in te drukken. Dat was in het jaar 35 na Chr. 
 
Zo kwam hij, als grote ijveraar voor het judaïsme, vooral in conflict met een ijverige volgeling van de Verrezen Heer, de diaken Stefanus, die in de Tempel zelf "deze ketterij" met gloed verkondigde, zonder dat iemand hem van de valsheid zijner leerstellingen kon overtuigen. Ook rabbi Saul niet ... Zodra Stefanus gestenigd was, zocht Saul overal nog meer slachtoffers op. 
 
Einde van het jaar 36, ontmoette hem echter de Verrezen Heer in levenden lijve! Dit was teveel voor Saul; het werd hem plotseling duidelijk: Stefanus had de waarheid gesproken. Op slag werd hij zelf Jezus' volgeling. Rond Damascus en in Arabia Felix begon hij voortaan te evangeliseren, maar hij moest reeds na een drietal jaren in allerijl deze stad verlaten om zijn hachje te redden. 
 
Terug naar Jeruzalem had hij natuurlijk grote moeite om in contact te komen met de volgelingen van de Nazarener, maar het lukte dankzij de messiaanse jood, Jozef-Barnabas, de oom van de evangelist Marcus. Hij waagde het nu onbevreesd voor zijn Verrezen Heer te getuigen, zelfs in de Tempel! Dat leverde natuurlijk ernstige problemen op voor de Jonge Kerk. Al spoedig raadden de apostelen hem aan maar liever naar Tarsus terug te keren en dáár te gaan evangeliseren ... In het heidens Tarsus getuigde hij de volgende jaren vol ijver voor de Heer en wist hij de intelligente niet-jood Titus en vele anderen voor Jezus te winnen. 
 
Toen Jozef-Barnabas in het jaar 40 hoorde hoe Saul te Tarsus vruchtbaar werk leverde in de dienst van de Heer, nodigde hij hem uit naar de dochterkerk te Antiochië om in Syrië als gecoöpteerde leraar met de snelgroeiende kerk mee te werken, en om ondertussen ook geld te collecteren voor de arme messiaanse joden te Jeruzalem. Daar was het echter in die jaren niet erg veilig gebleken voor Jezus' volgelingen, want koning Herodes Agrippa had er persoonlijk macht over leven en dood. Om het Sanhedrin, en vooral de sadduceeën, te behagen liet hij zelfs de apostel Jakobus, de oudere broer van Johannes de evangelist - ook "de Meerdere" genoemd - in het jaar 42 onthoofden. Kort daarna liet hij ook Simon Petrus gevangennemen om hem hetzelfde lot te laten delen. Deze ontsnapte echter op wonderbaarlijke wijze uit de gevangenis, want God had nog grootse plannen met hem. 
 
Toen Saul op Pinksteren 44 weer eens naar Jeruzalem kwam en in de Tempel een visioen kreeg, wist hij dat de Heer Jezus hem uitnodigde om zijn Eerste Zendingsreis te ondernemen. Hij voer over naar de Romeinse Provincie Cyprus, samen met de Cyprioot Barnabas en neef Marcus. Die reis werd in 45 reeds rijk gezegend: de proconsul van Cyprus, Sergius Paulus, kwam tot geloof, en Saul mocht zich van Sergius voortaan "Paulus" noemen! De reis werd nu verdergezet naar Klein-Azië waar familieleden van Sergius-Paulus woonden. Overal brachten ze de Blijde Boodschap van de Verrezen Heer: vergeving van zonden en de liefde van God voor niet-joden zowel als voor joden. Velen kwamen tot geloof en, in de Romeinse provincie Galatië en elders, werden kleine cellen van Jezusvolgelingen gesticht: te Antiochië-in-Pisidië, te lkonium, te Lystra en te Perge. Ze stelden overal betrouwbare mannen als presbyters (priesters) aan. Dat verwekte telkens in al deze steden heftige reacties vanwege enkele fanatieke joden. Een keer scheelde het weinig of Paulus werd in Lystra door hun toedoen doodgestenigd ... 
 
Terug aangekomen in de dochterkerk te Antiochië-in-Syrië brachten ze, tot grote vreugde van de hele gemeenschap, verslag uit over de vele bekeerlingen, ook onder de heidenen. Toch volgden er daar weer onverwachts een aantal moeilijke jaren: sommige bekeerde joden konden het moeilijk samen vinden met gelovigen uit de niet-joden in éénzelfde kerk ... iedere niet-jood moest, volgens sommigen, tot het judaïsme overgaan om gered te worden, gerechtvaardigd te zijn en welbehaaglijk te leven voor God. Deze judaïserende stelling, die de Verlossing op grond van Gods Genade tegensprak, werd door ijverige bekeerde joden gepredikt en stichtte overal tweedracht en wanorde. Een groot algemeen Apostel- en Presbyter-Concilie, op verzoek van Paulus in 48/49 te Jeruzalem samengeroepen, bracht dankzij de tussenkomst van Jakobus, de neef van de Heer - ook de "Mindere" genoemd - en tot patriarch van de Moederkerk te Jeruzalem aangesteld, weer een betrekkelijke vrede. In een officieel document werd het onfeilbaar kerkbesluit vastgelegd en overal voorgelezen: "niet-joodse volgelingen van de Heer Jezus hoefden geen joden te worden". 
 
In het jaar 49 ondernam Paulus, nu met Silvanus, vanuit Antiochië een Tweede Zendingsreis, weer naar de Klein-Aziatische kerken om hen in hun geloof te versterken. Te Derbe voegde de jonge Timotheus zich bij de zendelingen; en in Troas ook nog Lukas, de arts. In een visioen werd Paulus door een Macedonische man opgeroepen om over te steken naar Europa. En zo ging de reis verder over de Bosporus naar de Romeinse stad Filippi. Daar waren joden allerminst welkom wegens het uitdrijvingsbevel van keizer Claudius, uitgevaardigd voor Rome. Ook Filippi, een stad van Romeinen, volgde dat bevel op. De niet-jood Lukas kon er gelukkig nog blijven. Overal in Macedonië brachten de zendelingen weer de Blijde Boodschap van het verzoenend sterven en verrijzen van Jezus Messias. Ze stichtten zo ook in de stad Thessaloniki een kleine christenkerk. Ze stelden er presbyters aan, maar zijzelf werden ook dáár door de tussenkomst van enkele fanatieke joden vervolgd en uit de stad verdreven. In Berca gebeurde hetzelfde, Paulus moest de wijk nemen, maar Silvanus en Timotheus bleven voorlopig daarachter voor de nazorg. Zo kwam Paulus tenslotte, begeleid door bekeerlingen uit Berca, te Athene terecht. Zijn ijverig optreden baarde er al heel spoedig te veel opzien en hij moest er voor de rechters van de Aeropagus verschijnen om zich te verantwoorden ... De rechters dreven echter de spot met hem omdat hij "de onbekende god" die in Athene werd vereerd, de Verrezen Heer Jezus durfde te noemen. Maar ze lieten hem gaan ... Toch bekeerden zich enkelen op zijn woord tot de Heer. Van hieruit schrijft hij dan, in 49/50, zijn Eerste Brief aan de Thessalonicenzen, met de hulp van zijn secretaris Silvanus. Paulus feliciteert de christenen dat ze trouw bleven aan de Boodschap door hem gebracht, ondanks de enorme tegenstand van de antichrist. Hij spoort ze aan om actief te blijven, in reinheid te leven en waakzaam te zijn met het oog op de wederkomst van de Heer Jezus in heerlijkheid. 
 
In de zomer van het jaar 50 predikte Paulus te Korinthe drie maanden lang in de synagoge, helaas grotendeels vruchteloos. Daarna evangeliseerde hij er nog twee jaar voor de niet-joden. In 52 rond Pinksteren schreef hij zijn Tweede Brief aan de Thessalonicenzen. Daarin zette hij de gelovigen aan te groeien in geloof, in liefde en in geduld, ondanks vervolgingen. "Pas met de tweede Komst van de Heer komt het oordeel over de volgelingen van de antichrist." Zo leerde hij. 
 
Nog in datzelfde jaar verhuisde hij naar Efeze en werkte er anderhalf jaar als tentenmaker in het bedrijf van Aquila en Priscillla - messiaanse joden overgekomen uit Rome - zodat zij in die heidense stad ook samen konden evangeliseren onder joden en niet-joden, zonder financiële zorgen!
 
In de winter 53/54, terug in Antiochië, maakte Paulus plannen voor een Derde Zendingsreis, weer door Klein-Azië. Die reis ging, samen met Timotheus, via Zuid-Galatië - waar jammer genoeg de Galatische bekeerlingen van vroeger sterk onder de invloed gekomen waren van de judaïzanten, en hem erg ontgoochelden ... Terug te Efeze schreef hij van hier uit zijn ernstige Brief aan de Galaten. Hierbij was Timotheus nodig als secretaris, want wegens zijn erge oogkwaal kon hij er eigenhandig slechts een kort postscriptum aan toevoegen. Hij waarschuwt de Galaten tegen "een evangelie" dat geen echt Evangelie is; dat niet afkomstig is van de Heer zelf. "Niet het onderhouden van de 613 geboden van de Thora is het, wat de mens gerechtig maakt voor God, maar wél het Geloof in Gods Genade en leven met de Heer, in intieme verbondenheid met Zijn lijden, sterven en verrijzen. Door het Geloof worden volgelingen van Jezus echt vrije mensen, want geheiligden. Ja, ze zijn kinderen van God door de Inwoning van zijn Heilige Geest. Ze verwerpen de zonde, maar moeten hun medeleven betonen met zondaars die dreigen verdere dwaalwegen op te gaan." 
 
Vanuit Efeze had de apostel de kerkelijke ontwikkelingen te Korinthe gevolgd. Ook in de jonge kerk aldaar waren er immers rond 56 erge moeilijkheden ontstaan. Paulus liet door zijn secretaris Sosthenes zijn Eerste Brief aan de Korintiërs aan het perkament toevertrouwen en Titus bracht deze naar Korinthe: "Wereldse wetenschap leidt zelden tot God: de wereldse mens hecht geen belang aan de Inwoning van de Heilige Geest en de verschillende geestesgaven. Boven alle gaven echter primeert de ware Liefde. Partijdigheid en liefdeloosheid moeten worden aangeklaagd." Maar verder heersten daar nog andere ongeregeldheden: op het gebied van het sacrament van het Huwelijk, op het gebied van het sacrament van het Altaar en de Eucharistieviering en zelfs waar het ging om het Geloof in de Verrijzenis van de Heer en om de opstanding in heerlijkheid van al de gelovigen. 
 
Efeze werd echter een steeds gevaarlijker stad voor Paulus, want de aanhangers van de godin Artemis voelden zich weldra al teveel bedreigd in hun handel met zilveren artemisbeeldjes. In de Artemismaand Mei 57 brak er een hevig oproer los en Paulus kon nog nauwelijks ontsnappen aan de hinderlagen van de woedende Efeziërs. Hij vluchtte daarop naar het veilige Filippi. Hier aangekomen ontkiemt in Paulus' geest een groots evangelisatie-project. Vanuit Macedonië liggen in de Balkan immers nog uitgestrekte Romeinse provincies open voor de Evangelieverkondiging: Epirus, Dalmatië en lllyrië 
 
Te Nikopolis-in-Epirus wordt in de lente van het jaar 57 een centrale missiepost opgericht. Van hieruit stuurt Paulus, als een schrandere bevelhebber van een geestelijk leger, zijn naaste medewerkers Titus, Timotheüs, Trofimus, Tychikus, Apollos en anderen ... uit naar die nog onontgonnen gebieden. Overal in de synagogen brengen zij de Liefde-boodschap. Zowel joden als godvrezende niet-joden worden er gewonnen voor de Heer. 
 
Te Nikopolis krijgt Paulus nog de tijd om aan de Kerk te Korinthe een tweede ernstige brief te schrijven, want de judaïzerende joden-christenen blijven erg actief en zetten nu gemeenteleden persoonlijk tegen hem op: "hij is een afvallige jood; hij verraadt de ware boodschap van Jezus: hij is eigenlijk geen apostel door Jezus aangesteld. .. " Een half jaar later gaat Paulus' Tweede Brief aan de Korintiërs van start. Hij drukt er zijn zorg over uit dat ze zijn roeping en zending miskennen. Daarom wil hij ze bekend maken met wat hij voor de verspreiding van het Evangelie en uit liefde voor de verlorenen tot nog toe gedaan en al geleden heeft. Hij verwacht nu van hen liefdevolle inzet om de Grote Collecte voor de armen te Jeruzalem te doen slagen, zoals dat al eerder succesvol in Macedonië was gebeurd. Hij verweert zich tegen alle liefdeloze beschuldigingen aan zijn adres en belooft hun eerdaags persoonlijk te Korinthe te woord te zullen staan! 
 
De Brief werd met Titus en Lukas meegegeven en al spoedig kon, dankzij hun kordate tussenkomst te Korinthe, de orde reeds enigszins worden hersteld. In november 57 vertrekt Paulus daarop nog met een hele slagorde van Godsgezanten - Sopater, Aristarchus, Secundus, Tychikus en Trofimus, Tertius - naar Korinthe. Tegen deze geestelijke stormloop ("synode") van door Paulus met kerkelijk gezag beklede doortastende mannen ("bisschoppen") was het bastion van de onruststokers niet bestand: voorgoed werd hier nu orde op zaken gesteld. Een machtig precedent in de Kerkgeschiedenis! Nu beseft Paulus echter, meer dan tevoren, dat hij ook een duidelijke "verhandeling" moet schrijven over de ware rol van het joodse Godsvolk en van het judaïsme in de Heilsgeschiedenis van God met alle volken. Heel de winter 57/58 zou hij eraan werken, tegelijk met een brief waarmee hij al geruime tijd zijn bezoek aan Rome aan het voorbereiden was. Paulus maakte immers verder nog grote plannen voor een Vierde Zendingsreis, nu naar Rome en misschien nog verder ... Maar eerst wilde hij naar Jeruzalem om daar, met Pinksteren 58, zijn gelofte in te lossen. 
 
Wat Paulus al had voorbereid in de Brief aan de Galaten, wordt ditmaal uitgewerkt tot een volmaakt geheel. De Brief aan de Romeinen werd, dankzij de voortdurende bijstand van de Heilige Geest, een meesterwerk in de Wereldletterkunde. Niemand heeft ooit tevoren of nadien op zo'n treffende wijze het Eeuwig Raadsbesluit van God met de hele mensheid, joden zowel als niet-joden, onder woorden kunnen brengen! 
 
Het gaat om de absolute noodwendigheid van Rechtvaardiging van elke mens, van elke zondaar door God, op grond van het daadwerkelijk Geloof in de Messias, wat zowel in het Oude Verbond gegolden heeft als nu in het Nieuwe: Dat geloof is voor de mens de bron van grote zegeningen:Vrede, Vreugde, Heerlijkheid zelfs in tijden van vervolgingen! Liefde voor God en medemens, Vrijheid, Overwinning in de strijd tussen de oude wereldse natuur van de mens en de nieuwe geestelijke natuur van de gelovige. Want door de zonde is de mens - die ooit naar het beeld van de liefdevolle Schepper geschapen werd! - een speelbal geworden van Gods vijand, de Antichrist: gescheiden van God en bestemd voor de ondergang. Daarom zond de Vader zijn eigen Zoon naar de Aarde om eens en voorgoed met zonde en dood af te rekenen. Niemand hoeft verloren te gaan van diegenen die op het verzoenend Kruisoffer van Jezus Messias in volle overgave een beroep willen doen, en die Jezus' Blijde Boodschap in hun leven trachten waar te maken, in de kracht van de Heilige Geest.
En die verhandeling "Over het Heilshandelen van Jahweh met het Joodse volk" werd nu in het midden van "de Brief aan de Romeinen" ingelast. (Zie de hoofdstukken 9, 10 en 11.) De diacones Fege vertrok met deze kostbare brief naar Rome. 
 
Met Pinksteren 58 verscheen Paulus weer in Jeruzalem om zijn gelofte in te lossen. Daar scheelde het echter weinig of hij werd in het voorhof van de Tempel door fanatieke joden gelyncht. De Romeinse wacht redde hem uit hun handen en leidde hem voor de procurator Felix. Deze hield Paulus twee jaar lang gevangen, want hij hoopte dat de apostel hem het geld van de Grote Collecte zou overhandigen om eindelijk vrij te komen ... Felix moest echter in het jaar 60 plaats maken voor de nieuwe procurator Festus. Die zond hem, op zijn verzoek, naar Rome om zich, als Romeinse burger, voor de keizer te verantwoorden. De erg bewogen zeereis eindigde met een fatale schipbreuk op het eiland Malta, maar gelukkig zonder verlies aan mensenlevens. In de lente van 61 kwam de apostel dan toch als gevangene te Rome aan en hij werd er twee jaar lang in voorarrest vastgehouden. Hij trachtte ondertussen te Rome de vele hier woonachtige joden voor de Heer Jezus te winnen door middel van zijn uitgebreide "Verhandeling". 
Tijdens zijn lang huisarrest in Rome schreef hij zijn Brief aan de Efeziërs. Een machtige brief want hier, in het hart van het Romeins Rijk, zet hij in alle duidelijkheid uiteen hoe de Kerk van Jezus Messias als één groot Mystiek Lichaam functioneert waarvan Jezus het Hoofd is. Van dit Lichaam zijn alle gelovigen, ook de niet-joden, levende organen en werkzame cellen. Vooral de eenheid van de Kerk wordt beklemtoond: Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de Vrede. Eén Lichaam, want één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één en dezelfde Hoop. Voor de opbouw en volle wasdom van de Kerk, maar ook voor de heiliging van alle leden, worden overvloedig geestesgaven geschonken! Leeft in het Licht en geeft de duivel geen kans! Bekleedt u met de wapenrusting van de Geest. Bidt ook voor mij. (Ef.4,3-5) 
 
In het jaar 62 werd de apostel Jakobus de Mindere, de neef van de Heer, te Jeruzalem op aanstoken van de Romeinsgezinde sadduceeën gestenigd; maar de Galileïsche zeloten begonnen een grote opstand tegen de Romeinen voor te bereiden ... Zonder nieuwe aanklachten vanuit de stad Jeruzalem werd Paulus in de lente 63 wettelijk uit zijn huisarrest te Rome ontslagen. Daarop reisde hij met Crescens, als medewerker en tolk, door Zuid-Gallië naar Spanje. (Het Boek Handelingen van Lukas eindigt echter met Paulus' vrijlating uit het huisarrest en daardoor vernemen we ook niets meer over Paulus' evangelisatiewerk in Gallië en Spanje, samen met Crescens.)
 
Tijdens hun terugreis naar Italië via Gallië, in 64, worden ze plotseling opgeschrikt door het nieuws over de vreselijke brand van Rome, door keizer Nero zelf veroorzaakt. Uitgerekend de christenen werden door Nero ervan beschuldigd. Daarom reisden Paulus en Crescens maar liever door, via Noord-Italië en langs de Dalmatische kust, naar Nikopolis. Hier worden in het jaar 65 plannen gemaakt voor een nieuwe "Algemene Kerkvergadering". Die was erg nodig want onder de Jezus-gelovigen uit de joden, die zich "Hebreeën" noemen, begonnen zich ook verschillende richtingen of denominaties af te tekenen. De Hebreeën hadden zelf een eigen afwijkend "evangelie volgens de Hebreeën" onder de jodenchristenen verspreid. Daartegen moest door de Kerk uit alle macht, maar heel tactisch, worden gereageerd. 
 
Hier te Nikopolis kwam dan, in de winter 65/66, het Tweede Apostelconcilie samen. Een hele reeks messiaans-joodse kerkleiders namen eraan deel om, onder Paulus' leiding, een "Brief aan de Hebreeën" op te stellen. Simon Petrus, Silvanus, Barnabas, Marcus en Apollos werkten hier ijverig - samen met de Griekse rechtsgeleerde Zenas en de letterkundige Lukas - aan een meesterlijk document dat alle eerlijke bekeerde joden zou kunnen overtuigen om toch eensgezind en één te blijven rond de persoon van Jezus Messias, en om samen voor zijn goddelijk Zoonschap te kunnen getuigen. Jezus was immers groter dan de profeten, groter dan de engelen, dan Abraham, dan Levi en Aäron, ja, dan Mozes en Jozuah! Het offeraarschap van Jezus is oneindig groter dan de aäronitische offerdienst, die slechts een voorafbeelding van de ware Eredienst is ... En, boven alle zelfgerechtigheid door vervulling van de 613 wetten, primeerde de Genade door het Geloof in de Verrezen Heer, de enige Weg, de enige Middelaar. Door Hem hebben mensen toegang tot de Vader. De Kerk van Jezus Messias is de Bruid van de éne goddelijke Bruidegom, in de hemelen en op Aarde. Gedenkt uw leiders die u het eerst het Woord van God verkondigd hebben. Neemt een voorbeeld aan hun Geloof!
 
Paulus had ondertussen van hieruit aan Tychikus, zijn secretaris, een tweetal belangrijke brieven gedicteerd: de Brief aan Titus - die nu op Kreta evangeliseerde - en de Eerste Brief aan Timotheus. Hij wist dat elke dag zijn einde nabij kon zijn ... Daarom zijn er nu mannen nodig, zoals zij beiden, die aan allerlei ernstige persoonlijke en publieke voorwaarden moeten voldoen om, na hem, als kerkleiders (bisschoppen) op te treden. Het zijn twee geloofsbrieven, Apostolische Documenten, die in de erg kritische Griekse wereld hard nodig zullen zijn om overal als leiders door de leden van alle kerken unaniem aanvaard te kunnen worden, en om zelf later, op hun beurt, dat kerkelijk gezag aan geschikte presbyters door te geven. Want er moet orde en tucht zijn in de Kerk van Jezus Messias, en het Geloof in Hem moet niet alleen door woorden, maar vooral door daden worden gepropageerd. 
 
De apostel vierde in 66 nog het Paasfeest te Filippi, samen met Lukas en zijn medewerkers. Via Troas waagde hij zich daarop weer in het grootste geheim naar de gevaarlijke stad Efeze ... Helaas wordt hij daar verraden en gearresteerd! In de gevangenis dicteert hij aan Tychikus zijn Brief aan de Kolossenzen. Het is één grote lofzang op Jezus Messias; zijn goddelijkheid, zijn rol in de schepping en bij de instandhouding ervan, Stichter en Hoofd van de Kerk, Verlosser uit de macht van Gods vijand, met Zijn Geest wonend in de Universele Kerk en in iedere gelovige; de grote Aanwezige bij elke eucharistieviering, woorddienst en lofzang! 
 
Ook het ontroerend persoonlijk Briefje aan Filemon werd vanuit de gevangenis geschreven. Weer moet Paulus zich hier te Efeze, als Romeins burger op de keizer beroepen om aan een doodvonnis te ontsnappen. Hij wordt daarop, eind-augustus 66; naar Rome overgebracht. .. Gelukkig voor hem heeft Nero nu geen tijd, want in de maand september vertrekt hij voor een triomfantelijke "kunst- en sportreis" naar Griekenland die heel de winter zal duren. Ik ben uit de muil van de leeuw gered! Schrijft Paulus. 
 
In de gevangenis te Rome, slaagt hij erin, ondanks het vreselijk harde regime, zijn Tweede brief aan Timotheus door Epafras te laten schrijven. Een heel emotionele brief. Hij weet het, zijn dood staat voor de deur: Ik heb de goede Strijd gestreden, de wedloop voleind, het Geloof bewaard; mij wacht de krans der gerechtigheid. .. Dienst aan de Heer brengt veel lijden mee, zoals ook Timotheus goed genoeg weet. Toch zal een trouw dienaar steeds klaarstaan om verder dienstbaar te zijn, ondanks zware offers. 
 
Paulus is echter enorm bezorgd om de Kerk: er dreigen overal gevaren, veel lijden, trouweloosheid. Het Geloof zal echter standhouden, althans indien het aan goede kerkleiders (bisschoppen) verder wordt doorgegeven. De Leer die jij, Timotheus, in het bijzijn van vele getuigen van mij hebt gehoord, geef die door aan betrouwbare mannen Gods; mannen die bekwaam zijn om op hun beurt weer anderen te onderrichten! De rol van een bisschop wordt duidelijk in het licht gesteld: Ik bezweer je, Timotheus: verkondig het Woord, dring aan te pas en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig! In één woord geef je onderricht met groot geduld, want er komen zware tijden ...
 
Zo ging de winter 66/67 voorbij. En in het begin van het jaar 67 dicteerde de grote apostel nog met grote moeite zijn Afscheidsbrief aan de Filippenzen, maar dáármee neemt hij eigenlijk afscheid van alle broeders en zusters in de Heer. Ondanks de treurige vooruitzichten klinkt deze brief als een "Ode aan de Blijdschap". Jezus Messias wordt ook nu, na vele diepe vernederingen, verheerlijkt door allen die Hem, te midden van zoveel wereldse en kerkelijke verwarring, nederig maar vastbesloten en eensgezind blijven volgen. Ontroerend is de grote lofzang op Hem die God was en toch, als Mens, het kruis op zich nam uit liefde voor ons. Die door zijn Vader verhoogd werd en een Naam kreeg boven alle namen! Daarom mocht de apostel enthousiast uitroepen: Verheugt u in de Heer, te allen tijde! Nog eens: verheugt u ! God zal in al uw noden voorzien door u de heerlijkheid te schenken in de Messias Jezus! 
 
* * *
 
Als Nero dan, eind-april 67, terug te Rome arriveert, is het lot van de apostel Paulus, de grote leider van zoveel volgelingen van de Heer Jezus in heel het Romeinse Rijk, bezegeld. In juni van het jaar 67 wordt hij, als Romeins burger, op bevel van de keizer buiten de stadsmuren onthoofd. Enkele maanden nadien wordt ook Simon Petrus daar, op bevel van Nero, als opstandige jood, gekruisigd. De door de Romeinse senaat in het nauw gedreven keizer Nero pleegt echter kort daarop, in de maand juni 68, als verblinde handlanger van de antichrist, zelfmoord .... 
 
Oktaaf Boie, 
Lic. Germ. Filologie, Lic. Oosteuropese Taalkunde & Geschiedenis 
Noorweegse Kaai 41, 8000 Brugge

Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht