• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

De "Tweede brief" van de apostel Johannes

31/1/2025

 
Verschenen in POSITIEF nr. 412 – MEI 2011

​Wie zijn de bestemmelingen? 
Het is de enige apostolische brief die heel persoonlijk aan een vrouw is gericht; en welbepaald aan een "Uitverkoren Vrouwe". Zij is ook de enige vrouw die in het Nieuw Testament (en in de Septuaginta) de "Kyria" genoemd wordt, een vrouwelijke vorm van het Griekse woord "Kyrios", d.i. "Heer". Johannes moet toch wel een heel bijzondere verering voor deze vrouw hebben gekoesterd! Maar eigenlijk is deze Brief wellicht eerder bestemd voor "haar kinderen", d.w.z. voor de gelovigen die tot diezelfde kerkgemeenschap behoren als zij. Johannes schrijft dat hij deze Kyria waarlijk liefheeft en ook "haar kinderen". En niet alleen ik, maar allen die de Waarheid leerden kennen, vanwege de Waarheid die in ons blijft en mèt ons zal zijn tot in eeuwigheid. (2Joh. 1-2) 
 
Wat een begroeting! Bedoelt Johannes hier werkelijk dat alle gelovigen die de Algemene Kerk van Christus trouw gebleven zijn, deze uitverkoren Vrouwe zowel als de gelovigen te Efeze waarlijk liefhebben? Maar verder blijkt uit de Brief toch weer dat hij zich grote zorgen maakt over wat daar in haar kring van gelovigen ("haar kinderen") nu aan het gebeuren is ... 
 
In welke omstandigheden werd deze Brief dan wel geschreven? 
Uit heel de Brief kunnen we afleiden dat de apostel Johannes - hij noemt zich hier "de oudste", zoals Petrus dat deed in zijn Brief - zelf ook thuishoort bij die uitverkoren Vrouwe, en dat hijzelf dus de presbyter is van die kerk te Efeze. Hij schrijft een brief, omdat hij op dit ogenblik ergens op reis is, wellicht in een ver land. Om een of andere reden, is hij "de kinderen" van "de zuster van die Kyria" daar gaan opzoeken. Misschien wel omdat zij hem dat zèlf speciaal had gevraagd? Naar die kinderen wordt in de slotzin van de Brief nog even verwezen: de kinderen van jouw uitverkoren zuster groeten je. Die zuster is blijkbaar al overleden, want Johannes brengt hier aan zijn bestemmelingen alléén nog de groeten over vanwege "haar kinderen". 
De schrijver moet overigens reeds heel wat beleefd hebben tijdens zijn verblijf in het buitenland. Te veel om dat allemaal te vertellen in een Brief van nauwelijks één blad papyrus. Misschien waren er ook wel heel kiese dingen bij, die Johannes in deze Brief liever niet zo publiekelijk bekend wilde maken? Het waren immers heel beroerde tijden, juist in die periode van de geschiedenis van het Romeinse Rijk, vooral in het Midden-Oosten en het meest van al nog in het Joodse Land! Daar broedde sinds de jaren 63 een algemene nationale opstand tegen de Romeinse bezetter. Johannes moest heel behoedzaam zijn in zijn brieven ... 
Hij hoopt nu die uitverkoren Vrouwe spoedig gezond en wel terug te zullen zien. Dan zal hij al het goede nieuws over de vrienden van haar zus wel mondeling aan haar en tegelijk aan de hele gemeente te Efeze kunnen vertellen. Zo zullen ze zich allemaal, samen met hem, daarover kunnen verheugen. Is het misschien omdat tot nu toe - ondanks veel gevaren? - in dat verre land alles toch nog tamelijk goed voor hun gelovige vrienden is verlopen? Dan zal onze vreugde volkomen zijn! Schrijft de apostel om te eindigen. (2Joh. 12b) 
 
Een belangrijke vraag: "Wie waren die twee zusters?" 
Bij de vier evangelisten is er slechts tweemaal specifiek sprake van twee zussen: eerst van Martha en Maria van Bethanië in Judea; en daarnaast, van de Moeder van Jezus en haar "zuster", Maria. Deze "zuster" van Jezus' Moeder wordt in het Johannes-Evangelie Maria van Klopas genoemd; wat er wel op wijst dat zij beiden niet uit één gezin stammen, maar alleen elkaars naaste bloedverwanten zijn. (Joh. 19, 25) -Welk zusterpaar van die twee hierboven vermelde wordt in Johannes' Tweede Brief dan wel bedoeld? 
De Moeder van Jezus lijkt ons natuurlijk het eerst in aanmerking te komen voor die hoge titel "de Uitverkoren Vrouwe". De andere Maria die hier in de Brief eveneens "jouw uitverkoren zuster" wordt genoemd, zou in dit geval die Maria moeten zijn, die eerst nog de echtgenote van Alfeüs was, en daarna die van Klopas. Ze is immers de moeder van de twee apostelen, Jakobus bar Alfeüs en zijn broer Judas, maar ook van Jôsè en nog een derde apostel, Simôn bar Klopas. Deze vier zonen van "de andere Maria" worden in het Marcus-Evangelie (6,3) gewoon "broers van Jezus" genoemd. In Mc. 15, 40 wordt dan diezelfde "Maria" (ook vermeld in Mt. 28, 1) nogmaals de moeder van Jakobus de Jongere en van Jôsè genoemd; en ten slotte weer, in Mc. 16, 1, de moeder van Jakobus. 
 
Bij wie is de apostel Johannes hier nu op bezoek? Bij Martha en Maria te Bethanië in Judea? Of niet eerder in Galilea bij de kinderen van de andere Maria, de "zuster" van Jezus' Moeder? Het gaat in deze Tweede Johannes-Brief om twee uitverkoren zussen, die elk omringd waren van "hun kinderen". Dit laatste woord betekent hier telkens - naar de mening van de meeste exegeten - twee geloofsgemeenschappen waartoe enerzijds de uitverkoren Kyria, Maria, en anderzijds haar uitverkoren zuster, de andere Maria, behoorde. Gaat het hier nu om de twee bekende Judese zusjes uit Bethanië, de zusters van Jezus' goede vriend Lazarus? Of veeleer om de twee uitverkoren Galileïsche Maria's: de Moeder van Jezus en Maria van Klopas, de reeds overleden moeder van de vier "broers" van de Heer Jezus, van wie er drie door Hem tot het apostelambt werden geroepen? 
 
De keuze is niet bijzonder moeilijk! 
Naast Maria, de uitverkoren Moeder van Jezus, mocht ook haar zuster, Maria van Klopas (Joh. 19, 25) - die de moeder is van drie medeapostelen van Johannes!" - wel door hem een uitverkoren vrouw genoemd worden! Beide toch, gezien de omstandigheden, veel eerder dan wel Maria en Martha van Bethanië? Het is trouwens heel aannemelijk dat deze laatste twee nog ongetrouwd gebleven zussen, steeds samen met hun broer Lazarus, altijd in Judea bij elkaar zijn gebleven, tot op hun oude dag ... 
In deze Tweede Johannesbrief gaat het integendeel om twee "zusters" die ver uit elkaar woonden, en de laatste jaren weinig kans hadden gehad om elkaar nog eens persoonlijk te ontmoeten. En dus om twee kerkgemeenschappen die sinds lang niet veel meer van elkaar hadden vernomen. Vandaar toch deze vriendelijke persoonlijke Brief! Waren die verre vrienden nog steeds woonachtig in het uiterst gevaarlijk geworden Galilea van de zeloten? 
Het lijkt wel zo. 
Maria, de Moeder van de Heer Jezus, was volgens de overlevering reeds enkele jaren voor het jaar 67, samen met de apostel Johannes, naar het verre Efeze, in Klein-Azië, verhuisd. Maar de andere Maria, de weduwe van Klopas, zal wel tot haar overlijden in Galilea zijn gebleven. Hier waren ondertussen ook al een aantal bloeiende joods-christelijke gemeenten ontstaan. Ze stonden - tijdens het keizerschap van Domitianus (81-96) - nog steeds onder de leiding van heel eenvoudige boeren, vreedzame kleinzonen van haar eigen zoon, de apostel Judas, broer van Jakobus de Jongere. Volgens joodse begrippen waren zij dus nog verwanten van de Heer Jezus. Ze werden juist dààrom - steeds volgens dezelfde overlevering - in het Grieks "kyriakoi", d.w.z. "verwanten van de Heer", genoemd. 
 
Spreekt de verdere inhoud van de Tweede Brief de bovenstaande stelling ergens tegen? 
Johannes heeft Maria, de Moeder van Jezus, lief, zoals trouwens ook alle andere gelovigen te Efeze - en overal elders! - haar zullen liefgehad hebben. Veel niet-joodse gelovigen hebben in de Romeinse provincie Asia, door het zendingswerk - eerst van Paulus in de jaren 54-57; en wellicht nog voor de jaren 67-70, ook van Johannes - de Waarheid, die Jezus zèlf is, leren kennen. Ze waren Hem allemaal tot nog toe getrouw gebleven ... Er schijnen nu echter, ook hier te Efeze, problemen te zijn opgerezen. Bij de overigens toegewijde christenen zijn er zich heel gevaarlijke misleiders, als predikers, komen aanbieden. Mannen die zich zelfs nog "apostelen van de Christus" durven noemen, maar het helemaal niet zijn ... Het schijnt wel dat er daardoor al wat tweedracht en zelfs enige liefdeloosheid in de gemeente te Efeze is ontstaan. 
 
Had de Heer Jezus dan niet altijd, van in het begin, op wederzijdse liefde aangedrongen? 
Waarvoor vreesde Johannes dan, als afwezige presbyter van de kerk te Efeze? 
Wel, hij had er al op gewezen in zijn Eerste Brief, en de leden van zijn geloofsgemeente reeds in algemene termen ervoor gewaarschuwd. Deze indringers waren mannen die niet wilden geloven dat Jezus Messias echt in het vlees, d.i. als Mens onder de mensen, is komen wonen. Dit is de valse leer van de misleider, van de Antichrist, zei de apostel toen al onomwonden! (1Joh. 2, 8 & 4, 2-3) Deze ketterse predikers aarzelden echter niet om op veel plaatsen in Asia de kerken binnen te sluipen, om daar hun verfoeilijke theorieën te verspreiden. Nu waren ze blijkbaar, tijdens Johannes' lange afwezigheid, ook in de gemeente van Efeze actief gaan optreden. Dat is hem ter ore gekomen ... In zijn Tweede Brief vreest Johannes terecht voor de eendracht en de trouw van sommige onervaren en argeloze jonge leden van zijn eigen geloofsgemeente. Vooral nu hij op reis is, en al zo lang afwezig! Hij herhaalt: Want veel verleiders zijn tot de wereld uitgegaan. Zij loochenen de komst van Jezus Christus in het vlees. Dat is het kenmerk van de verleider en de Antichrist! Weest waakzaam, anders zullen jullie, in plaats van het volle Loon te ontvangen, de vruchten van onze arbeid verliezen. Wie niet bij de Leer van Christus blijft, heeft God niet; maar wie bij de ware Leer van Christus blijft, heeft zowel de Vader als de Zoon! (2Joh. 7-9)
Het gaat hier dus inderdaad om de nefaste invloed, die op zoveel plaatsen in christelijke kringen wordt uitgeoefend door hellenistisch beïnvloede gnostici, intellectuelen die het menselijk lichaam letterlijk als "een onwaardige gevangenis van de edele ziel" beschouwen. Die daarom ook de lichamelijke geboorte, de instelling van de Eucharistie en de Kruisdood van de Heer Jezus loochenen ... En bijgevolg ook zijn lichamelijke Opstanding uit lijkwade en graf! (Vgl. Joh. 20, 8!) Sommigen van hen beweren zelfs dat Christus een "schijnlichaam" zou hebben aangenomen. Dit is dan wat, naast de gnostische dwaalleer, nog de ketterij van het Docetisme wordt genoemd. 
 
Waar ergens speelde deze verderfelijke gnostische leer vooral een grote rol? 
 
Het Gnosticisme en de ketterse docetische filosofie zullen echter in het Joodse Land, in die eerste eeuw van Jezus' Kerk, nauwelijks bekend zijn geweest. Ze hadden daar heel wat andere zorgen om het hoofd ... Want in Judea moesten - volgens de Sadduceeën en enkele fanatieke Farizeeën - de volgelingen van "die man daar" (Hebr. "ha lesj hazè", d.i. Jezus Messias) en van die afvallige jood Sja'oel van Tarsus (d.i. Paulus) allemaal zo spoedig mogelijk uitgeroeid worden. De diaken Stefanus werd al in het jaar 36 gestenigd en de apostel Jakobus de Oudere in het jaar 42 aan Herodes uitgeleverd en onthoofd .. In 43 was de apostel Petrus nog op het nippertje aan zijn handen ontsnapt! In het jaar 58 werd Paulus door het Sanhedrin voor de Romeinse procurator Felix zwaar beschuldigd, en in het jaar 62 werd de rechtvaardige apostel Jakobus de Jongere te Jeruzalem op bevel van het Grote Sanhedrin gestenigd ... 
Ondertussen waren echter in Galilea een groot aantal zwaardmannen (de Sicariërs!) en veel fanatieke zeloten reeds vanaf het jaar 63, in het grootste geheim, een gewelddadige opstand aan het voorbereiden. Tegen wie? - Tegen de Romeinse overheid, tegen al haar joodse handlangers, en in het bijzonder tegen die corrupte Romeins-gezinde Tempelkaste van de Sadduceeën in Jeruzalem ... 
 
We mogen dus wel aannemen dat die uitverkoren Vrouwe en haar door de ketterij van het Gnosticisme bedreigde kerkgemeenschap, helemaal niet in het Joodse Land, maar ergens in een heidense hellenistischelandstreek moeten worden gezocht. Want reeds Paulus - en veel apostolische vaders en kerkvaders na hem - moesten precies daar in het Midden- Oosten en in Griekenland steeds weer ernstig waarschuwen tegen dergelijke gnostische en docetische ideeën. Aanhangers ervan, afvallige christenen, trachtten zich immers overal, met hun heidense en vaak immorele filosofieën, in de jonge christelijke kerken te komen nestelen ... Johannes had toch ook al vooraf, in zijn "Eerste apostolische Brief", zijn lezers tegen dezelfde dwaalleraren, die hij "antichristen" noemde, proberen te wapenen. ‘Ze zijn uit ons midden voortgekomen, maar zij hoorden niet bij ons’ ... (1Joh. 2, 18-19) 
En in een volgend deel van dezelfde Brief weer: Iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk als Mensis gekomen, is uit God. Maar iedere geest die beweert dat Jezus niet als Mens is gekomen, is niet uit God. En dat is de eigenlijke Antichrist, die nu reeds in de wereld is ... (1Joh. 4, 2-3) Deze uitlatingen van Johannes waren duidelijk genoeg gericht tegen gnostici die, volgens hem, bezield zijn met de geest van de Antichrist, omdat ze "het lichaam" haatten, en daarom uiteraard ook het ware Menszijn van de Heer Jezus loochenden. 
 
Wat was dan het eigenlijk doel van Johannes met zijn Tweede Brief? 
Het is niet te verwonderen dat Johannes, als oudste, nu vreesde dat zulke ketters, als wolven in schaapsvacht, van zijn lange afwezigheid zouden gebruik maken om ook in zijn eigen kerk te Efeze, met een heel vriendelijk gezicht, zielen voor hun ketterse leer te komen winnen. Daarom vaart Johannes - juist "de apostel van de liefde"! - hier toch met zo'n keihard oordeel uit tegen deze nieuwlichters! Indien iemand bij jullie binnenkomt die de (ware) Leer niet huldigt, heet hem niet welkom! Ontvangt hem niet in jullie gelovige samenkomsten. Groet of bezoekt hem niet. Wie dat toch doet, steunt de bedrieger en de Antichrist, en hij zal de liefdeband zowel met de Vader als met de Zoon verspelen .... (2Joh. 10-11) 
 
Immers, elkaar liefhebben dat betekent volgens Johannes welbepaald: dat we elkaar helpen om op Jezus' Uitnodigingen eerlijk in te gaan en om zijn Opdrachten daadwerkelijk proberen uit te voeren. Maar beslist nièt... dat we moeten toelaten dat sluwe predikers onze argeloze medegelovigen van Jezus' gezonde Leer afleiden!
Juist deze uitverkoren Vrouwe, de bloedeigen Moeder zèlf van de Heer Jezus, de Godmens, kan ondanks haar hoge ouderdom, met haar groot moreel gezag, hierbij nog een heel belangrijke rol spelen in de kerk te Efeze! Johannes vraagt haar nu in zijn Brief er persoonlijk zorg voor te dragen dat gewone mensen en pasbekeerden zich toch niet laten verleiden om aan de ware Leer beginnen te twijfelen en daarbij de opdrachten van haar Zoon, de Heer Jezus, gaan verwaarlozen. Zogenaamd omdat christenen toch allemensen moeten blijven ... liefhebben? (Vgl. 2Joh. 5-7) Op de Brief volgt nog een heel vertrouwelijk slot, speciaal aan het adres van Maria, de uitverkoren Kyria: De kinderen van jouw uitverkoren zuster groeten je! (2Joh. 13) 
 
In Johannes' Boek "Openbaring" (2, 6) prijst de Heer de Kerk van Efeze speciaal omdat zij die misleiders, hier de Nikolaïeten genoemd - die beweren dat ze apostelen zijn, maar het niet zijn ... - geen enkele kans heeft gegeven, en hun gemene praktijken haat. "Net zoals Ik ze haat," voegde de Heer eraan toe. 
 
***
 
Het enige wat ons, moderne lezers, echt bevreemdt, is dat er in deze Brief - en zelfs in heel het Nieuw Testament! - nooit wordt verwezen naar de historische verwoesting van de heilige Tempel te Jeruzalem. Maar ook niet naar de totale uitroeiing van de machtige Tempelkaste der Sadduceeën door de fanatieke zeloten ... En evenmin naar de tienduizenden van die zeloten die, na het neerslaan van de joodse opstand, in het Romeinse Rijk werden gekruisigd of als slaven verkocht. Dat alles gebeurde nochtans in het jaar 70 na Chr., precies veertig jaar nadat de zeloten geroepen hadden: Laat de zeloot Barabbas vrij!, de moordenaar! En nadat de Sadduceeën gebruld hadden: Kruisig Hem!, de Heer van het Leven ... Deze "Tweede Brief van Johannes", geschreven vanuit het heel gevaarlijk geworden Joodse Land, moet dus nog voor de opstand - kort voor het jaar 67? - tot stand gekomen zijn. 
 
Oktaaf Boie, 
Lic. Germ. Filologie, Lic. Oosteuropese Taalkunde & Geschiedenis 
Noorweegse Kaai 41, 8000 Brugge.  


Opmerkingen zijn gesloten.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht