• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Paulus' inzet om ook langs de weg van de Wetenschappen het Geloof in de Heer Jezus ingang te doen vinden

29/1/2025

 
Verschenen in POSITIEF nr. 392 – MEI 2009

​Saul werd geboren in 8 na Chr. te Tarsus en bracht daar zijn jeugd door. Die stad was door haar gunstige relatie met Rome sinds 66 v. Chr. tot hoofdstad van de Romeinse provincie Cilicië verklaard. Het was in Paulus' tijd een echt hellenistisch centrum dat met zijn beroemde universiteit, zijn scholen, stoïcijnse filosofen, gnostische geleerden en bekende letterkundigen kon wedijveren met Athene, en zelfs met Alexandrië! Saul verbleef - na de voltooiing van zijn zesjarige studies voor het Rabbinaat te Jeruzalem - opnieuw in Tarsus, van het jaar 26 tot de jaren 33-34 na Chr. 
 
Het openbaar optreden van de Heer Jezus doorheen heel het Joodse Land (van Pinksteren van het jaar 27 tot Pasen van het jaar 30 na Chr.) heeft hij daardoor net niet kunnen meemaken. Maar in Tarsus heeft hij wel, als jonge intelligente rabbijn, nog zeven à acht jaar kennis kunnen maken met heel het bloeiende en drukke cultureel leven van die heidense stad. Helaas ook met de erg losse zeden, te midden van een heel gemengde bevolking: Grieken, Joden, inheemsen en vele anderen. Teruggekeerd naar Jeruzalem, kort na het jaar 34, bestreed hij heftig de Jonge Kerk van Jezus Messias en vooral haar moedige prediker Stefanus. In het jaar 36 ontmoette hij echter in de nabijheid van Damascus de verrezen Heer en gaf Hem zijn leven. Met grote ijver poogde hij daar, nog tot het jaar 38, vrijmoedig te evangeliseren. Terug te Jeruzalem meende hij ook hier te kunnen prediken in de synagogen, maar zijn nieuwe theologische opvattingen over de Torah gingen op teveel punten in tegen de gevestigde Sadducese en Farizese tradities ... Er ontstond weldra zo'n grote onrust rond de Jonge Kerk, te Jeruzalem en elders in Judea, dat de apostelen hem aanraadden maar liever terug te keren naar Tarsus om daar onder de talrijke Joden te gaan evangeliseren. Nu genoot de Kerk in heel Judea, Galilea en Samaria vrede, weet Lukas daarop in zijn boek "Handelingen" (9,31a) te vertellen. 
 
* * *
 
Vanaf het jaar 39 predikte Saul zo in de synagogen van Tarsus; en ditmaal niet zonder succes. Hier trachtte hij nu eveneens niet-Joden met het Evangelie te bereiken door zich bij de studenten en hun professoren aan te sluiten ... Wellicht kwam zijn later uiterst actieve medewerker, de jonge intelligente niet-Jood Titus, hier tot bekering. 
 
Barnabas, als afgevaardigde van de Moederkerk te Jeruzalem, kwam Saul rond het jaar 42 te Tarsus opzoeken en kon hem overtuigen om te komen samenwerken met de snelgroeiende messiaans-joodse dochterkerk te Antiochië in Syrië. Daar wilden ook tal van ontwikkelde niet- Joden zich bij deze geloofsgemeenschap aansluiten. Hoe kon men deze niet-joodse geïnteresseerden het best benaderen? - Toch niet door de hellenistische cultuur af te breken? Tijdens zijn jarenlang verblijf in de cultuurstad Tarsus had de veelbelovende jonge rabbijn al volop de kans gekregen om allerlei hellenistische kunsten en wetenschappen van meer nabij te leren kennen en te appreciëren. Dat bewijzen trouwens verschillende citaten in Paulus' latere toespraken en brieven. Op de Aeropagus te Athene verwijst hij naar de "Memoires" van de staatsman Aratus van Sicyon; naar de "Hymne aan Zeus" van de stoïcijnse filosoof en ernstige moralist Kleanthes en naar de "Theogonie" van de wijze Epimenides van Kreta. Paulus citeerde hieruit zelfs voor zijn rechters en de vele Griekse toehoorders, maar hij paste dit tegelijk toe op een kernidee uit het Evangelie van de Heer: Door Hem (door God) hebben wij het leven, het bewegen en het zijn, zoals sommigen van uw eigen dichters hebben gezegd: want wij zijn van Zijn geslacht! (Hand. 17,28) 
 
De messiaanse Jood Saul, die ondertussen al de naam Paulus had aangenomen, verwees ook eens naar dwaalleraren en joodse praatjesmakers op Kreta. Ze meenden ongezonde wereldse raad te moeten geven aan Kretenzers die pas tot bekering in de Heer Jezus waren gekomen, maar nog door twijfels werden geplaagd. Hij citeert, in de "Brief aan Titus" '1, 12 & 15b), een vers uit het gedicht "Theogonie" van Epimenides: 
“Kretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, boze beesten, vadsige buiken” ... De niet-Jood Titus moest, in opdracht van hem, de jonge onervaren gelovigen op Kreta waarschuwen tegen deze sluwe wereldse geest, want hun pril geloof moest rechtzinnig blijven. Pas op voor deze valse raadgevers, die door de wereld besmet werden en dus onbetrouwbaar zijn ... Er is niets meer gezond en rein bij hen want hun eigen geweten is reeds al te veel misvormd.
 
Ook tal van typische zegswijzen, die aan het Griekse taalgebruik ontleend zijn, paste Paulus vaak toe in zijn brieven. Maar door hem worden ze natuurlijk in een heel andere, gelovige context geplaatst.” Rampzalige mens die ik ben ... Wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods?” schrijft hij. (Rom.7,24) Dit was duidelijk genoeg rechtstreeks gericht tegen de gnostici te Korinthe, mannen die het menselijk lichaam verachtten. Zij noemden het "de gevangenis van de psyché", en ze verklaarden dat men het lichaam bijgevolg gerust mocht... misbruiken. (1Kor.6,12-13) Maar de apostel laat heel gevat op die vraag volgen: God zij gedankt, door Jezus Messias, onze Heer wordt ons leven als wedergeboren christenen niet meer overheerst door het vlees - d.w.z. van onderuit: vanuit de lichamelijke instincten en vanuit de psyche ... - maar wel (van bovenuit beheerst) door onze levende geest, omdat de Geest van God in onze geest woont. (Lees Rom.8,7-11) Zo zijn gelovigen door hun bekering en wedergeboorte al voorgoed verlost uit alle slavernij (zowel die van het lichaam als die van de psyché!) door hun Verlosser, Jezus Messias. 
 
Men ziet hierin weer hoe Paulus, op basis van de oudtestamentische overleveringen, in het menselijk bestaan drie zijnswijzen erkent: leven naar de geest, naar de psyché en naar het lichaam. Daarentegen huldigen de hellenistische filosofen algemeen een dualisme van psyché (of "ziel") en lichaam; en vele gnostici onder hen zagen - juist ten gevolge van hun ongeestelijk vleselijk denken! - een absolute tegenstelling tussen een zogenaamd "edele psyché" en een ... "verderfelijk lichaam". Paulus verzekert dat volgelingen van de Heer Jezus de ware God moeten verheerlijken met Héél hun mens-zijn: én met hun geest én met hun psyché - in voelen, denken, willen en doen! - én beslist ook met hun lichaam! 
 
De apostel zal in zijn brieven telkens stelling moeten nemen tegen verkeerde gnostische opvattingen van vele stoïcijnen (een gevaarlijk zuurdeeg!). Ze weten alleen te onderscheiden tussen enerzijds een tot vrijmaking geroepen psyché (of "ziel") door middel van het opstapelen van kennis (Gr. gnosis), en anderzijds "de verlossing in eigen kracht" uit een zielverslavend lichaam. Paulus noemt dergelijke "wijzen" psychici (zielige mensen). Dit in scherpe tegenstelling tot de pneumatici; d.w.z. tot de gelovigen, die leven vanuit hun levendgemaakte geest (Gr. pneuma) en die in alles willen geleid worden door Gods heilige Geest. Dat is pas de ware Vrijheid en de ware Wijsheid. (2Kor.3,17 & Rom.8,2 en 21-23 & Gal.5,1 & 1Kor. 7,22) 
 
In zijn "Brief aan de Romeinen" (7,15-16 en 19,21) rekent de apostel van de niet-Joden dus voorgoed af met de stoïcijnse leer dat de kennis, bekomen aan de hand van de Griekse Psychologie, de mens automatisch wijs en vrij zou maken. Met de ijdele hoop dus dat hun "kennis" de menselijke psyché macht zou geven over al het lichamelijke en over alle instinctieve en materialistische aandriften van de mens: over hebzucht, zelfzucht, eerzucht, machtswellust, en dergelijke meer. (Lees Rom. 7,15 & Gal. 5,17) 
 
Let wel: Bijbelse woorden en uitdrukkingen bij Paulus - zoals met de Nieuwe Mens, Christus, overkleed worden, na de oude Adam afgelegd te hebben (Gal. 3,27 & Ef. 4,22) - zijn alleen vanuit het hellenistische spraakgebruik, in verband met de Griekse Tragedie en het daarin "overkleden van de acteur tot een ander personnage", taalkundig goed verstaanbaar. 
 
* * *
 
De stad Tarsus nu muntte uit door haar trouw aan de Romeinse keizers en door haar belangrijke politieke rol binnen het Romeinse Rijk. Welgestelde burgers konden er met alle gemak het Romeins burgerrecht afkopen, voor henzelf en voor hun gezin. Als rijke joodse handelaar, met een belangrijk zeil- & tentenmakersbedrijf, had de vader van Paulus het erfelijk Romeins burgerrecht verworven. En zo mocht ook Paulus zich later gelukkig achten in het bezit ervan te zijn. Dit bracht immers allerlei praktische voordelen op: een aanzienlijke positie in de stad, recht op bescherming tegen wetteloos optreden van sommige machtshebbers en overheden in héél het Rijk, en de mogelijkheid om desnoods in beroep te gaan tegen een onrechtvaardig vonnis door zich persoonlijk op de keizer te beroepen. Dat laatste heeft Paulus tenminste tweemaal kunnen doen: eerst in 58 te Caesarea en daarna in 65 te Efeze. Maar reeds in 45 had hij, als Romeins staatsburger, zijn Romeinse rechters te Fillipi (Macedonië) ermee in het nauw weten te drijven. (Lees Hand. 16,11 & vv.) 
 
Paulus stond blijkbaar in bewondering voor een Romeins politiek genie als keizer Octavianus Augustus die uiteindelijk in staat was gebleken een machtig rijk uit te bouwen waar voortaan tucht en orde, recht en vrede heersten, en waar men bovendien kon staat maken op eerlijkheid bij het berekenen en het innen van belastingen. Hij schreef in zijn "Brief aan de Romeinen" (13, 1-7): Iedere mens moet zich onderwerpen aan de gezagdragers, want er is geen gezag dat niet van God komt. De overheid staat in de dienst van God voor jullie welzijn. Doen jullie echter het kwade, dan moet je terecht vrezen ... de overheid draagt het zwaard niet voor niets! Om dezelfde reden betalen jullie ook belastingen. Geeft eenieder wat hem toekomt: belasting en rechten aan wie jullie belasting en rechten verschuldigd zijn; ontzag en eerbied aan wie respect en gezag toekomen. (Vgl. hiermee ook "Titus 3, 1-2".) Over wat wij traditioneel "de plichten van staat" noemen, bericht de apostel uitvoerig. (Kol. 3,18-4,1 & Ef. 5,21-6,9) En hij besluit: Gehoorzaamt het officieel gezag met eerbied en in eenvoud des harten, als gold jullie onderdanigheid Christus zelf! (Ef. 6,5)
 
Die schitterende binnenlandse Pax Romana belette natuurlijk niet dat aan alle rijksgrenzen de Romeinse legioenen paraat moesten staan, en vaak oorlogen moesten voeren om aan de talrijke vijandige stammen die overal invallen deden, de militaire macht van het Rijk te laten gevoelen. Krijgskunde, strategie en de militaire opleiding, zowel van bevelvoerders als van rekruten, speelden hierbij uiteraard een heel grote rol. Elke stad werd ermee geconfronteerd, ook een belangrijke havenstad als Tarsus. En zo was Paulus van jongs af goed vertrouwd ermee hoe een Romeins soldaat van kop tot teen uitgerust moest zijn om zichzelf en zijn collega's te kunnen beschermen. Maar zoals altijd, wist de apostel, bij de opsomming van de louter materiële delen van de uitrusting, daaraan tegelijk een geestelijke betekenis te geven. Legt de wapenrusting Gods aan: de helm van het heil en het harnas der gerechtigheid, de voeten geschoeid voor het Evangelie van de vrede. Draagt het schild van het Geloof en het zwaard van de Geest! (Lees Ef. 6. 1-17) 
 
Onophoudelijke oorlogen aan alle rijksgrenzen maakten steeds bij de militairen en bij de burgerbevolking veel slachtoffers. Moorddadige aanslagen op Romeinse soldaten waren dagelijkse kost. In het Joodse Land, dat toen nog tot de Romeinse provincie Syrië behoorde, waren het vooral de joodse zeloten die voortdurend trachtten Romeinse soldaten af te slachten, en er zelfs van droomden een algemene opstand tegen Rome te kunnen ontketenen. (Zo moest toch de beruchte procurator, Pontius Pilatus, bijna elk jaar in Jeruzalem een drietal terroristen kruisigen om de voortdurende dreiging van terroristische aanslagen in te dammen.) Paulus, als overtuigde volgeling van de Heer Jezus, de Vredevorst, haatte al die liefdeloosheid en al dat geweld. Aanknopend bij het leven en de leer van zijn Messias, schreef hij een machtige "Ode aan de Liefde". De Liefde laat zich niet kwaad maken; ze rekent het kwade niet eens aan! (Lees verder: 1 Kor. 13,1-8!) 
 
* * *
 
Het is velen opgevallen dat Paulus in zijn theologische uiteenzettingen beelden gebruikt uit de profane wereld; ook vaak in verband met het Erfenisrecht. Een door God bekrachtigde wilsbeschikking (Gods Verbond met Abraham, lzaak en Jakob) wordt niet ongedaan gemaakt door een Torah (van Mozes) die 400 jaar later is gekomen. Zou de belofte aan Abraham dan nog kunnen vervallen? - Neen! God heeft juist door de belofte aan Abraham ook aan ons zijn Genade betoond! (Gal. 3,17-18; vgl. ook 4,1-7) 
 
Paulus' Joodse medewerkers Apollos, als redenaar, en Zenas, als jurist (Gr. "nomikos"), hadden ooit in Alexandrië hun hoge opleiding ontvangen. Deze laatste is het wel die, als rechtskundige, Paulus opmerkzaam zal gemaakt hebben op bepaalde analogieën tussen Geloof en Rechtsgeleerdheid! Beide geleerde mannen konden Paulus helpen om door heel praktische vergelijkingen aan zijn lezers allerlei moeilijke theologische dingen duidelijk te maken. Het valt op hoe in zijn "Brieven" rechtstermen zoals testament of wilsbeschikking, erfenis en erfdeel, erflater en erfgenaam, onder voogdij gestelde onmondigen, beheerders van goederen enz. enz. vaak aan bod komen. Volgens hem waren zowel de wereldse Joden als de niet-Joden nog steeds onmondigen, en dus voorlopig niet geschikt als erfgenamen van het Heil. .. Toen echter onze hemelse Vader zijn Zoon zond, veranderde alles voor degenen die Hem aannamen: In Christus hebben wij (als gelovige zonen en dochters van Abraham) ons erfdeel nu reeds (in principe) ontvangen! (Vgl. Ef. 1,11 & 5,5; Gal. 4,1-7 en Hebr. 9,15-18) Typisch is het wel dat Paulus bepaalde gelovigen te Korinthe moet terechtwijzen, omdat zij bij onderlinge geschillen recht gingen zoeken bij het... profaan Grieks gerecht. En dát in plaats van, in zulke gevallen, alles binnen de kerkelijke sfeer te houden en alleen hier, solidair met elkaar, naar een billijke oplossing te zoeken. Misschien huldigde Paulus dit principe in zijn brieven wel onder aansporing van de Griekse jurist Zenas. (1 Kor. 6,1-8) 
 
Volgens Paulus' "Brief aan Titus" moesten zowel Zenas als Apollos, in het jaar 65, naar Nikopolis (in Epirus) afreizen. En hij verzocht Titus dringend, er vooral voor te zorgen dat alles tijdens hun reis daarheen goed zou verlopen. (Titus 3,12-13) In Nikopolis werkten zij beiden inderdaad - samen met Paulus en een heel joods team! - aan de belangrijke "Brief aan de Hebreeën". Deze "Hebreeën" waren messiaanse Joden die sterk onder de funeste invloed waren gekomen van judaïzanten, d.w.z. van harde Joden die de verkondiging van Paulus erg vijandig gezind waren. Zij gebruikten bij de discussies hun eigen zogenaamd "evangelie volgens de Hebreeën" dat vele stellingen van het oude Judaïsme hoog boven de gezonde Leer van het ware Evangelie en bijgevolg van de Jonge Kerk stelde ... Deze "Brief aan de Hebreeën" legt hier uit hoe de Torah voor het Joodse volk, 1500 jaar lang, slechts gewerkt had als "pedagoog of opvoeder", in afwachting van de komst van hun Messias, speciaal om Gods Universeel Heilsplan met al zijn geliefde kinderen totaal in vervulling te doen gaan. Paulus vergelijkt de ongelovige Joden, die de verlossing door Jezus Messias' Zoen-Offer verwerpen - en die dus nog willen blijven leven onder de voogdij van de Torah - met onmondige kinderen van Abrahams slavin, Hagar. Zij verkiezen immers onvrij te blijven. De messiaanse Joden en de gelovige niet-Joden daarentegen zijn de ware vrije kinderen van de Belofte, want allen zijn - naar de geest! - afstammelingen van Abrahams vrije vrouw, Sarah. (Rom. 4, 19-31 en 9, 9 & Gal. 4, 1-3 en 23-24) 
 
* * *
 
Er wordt wel eens beweerd dat Paulus nooit heeft geprotesteerd tegen de in de Oudheid wijd en zijd verspreide "schandalige slavernij". Men vergeet daarbij echter dat dit maatschappelijk systeem in het Jodendom niet zo kon worden genoemd! Het betekende hier toch veel meer een nauwkeurig door de Bijbel geregelde nuttige sociale bestaansvorm: een samenleven en samenwerken als in een voorlopige relatietussen meester en dienstknecht. Het was overigens niet de taak van Paulus om, als Jood, de heidense kaste-verhoudingen van de niet-joodse volken te komen veroordelen. (Lees 1 Kor. 5,12!) Hij gaat, als volgeling van de Heer Jezus helemaal anders te werk. In de "Brief aan Filemon" (v. 10), een rijke niet-joodse christen, vraagt Paulus dat Filemon zijn weggelopen slaaf Onesimus, die in de gevangenis te Efeze door Paulus' bemiddeling tot geloof is gekomen, voortaan zou beschouwen als een ... broeder in het geloof. Daarmee toont de apostel aan dat hij de heidense relatie slaaf zonder rechten/almachtige dwingeland wil zien vervangen worden onder christenen door de eerlijke, typisch-joodse relatie van trouwe dienaar! milde baas. Onesimus zal weldra blijken niet alleen een gehoorzame knecht van Filemon te zijn, maar bovendien zijn ... geliefde broeder; en daarbij nog een belangrijke helper van Paulus! (Kol. 4,9) 
 
* * *
 
Paulus had ondertussen te Korinthe ook Erastus, een ander belangrijke man, leren kennen die hij wist te winnen voor Jezus. In de stad Korinthe beheerde deze niet-joodse christen als burgerlijk econoom (Gr. "Oikonomos"; Rom. 16, 23) de Stadsfinanciën; en hij bekleedde daarnaast het voorname ambt van hoofd van de Monumentenzorg (Kor. inscr. "aedii"). Zijn bekering was voor de apostel een kostbaar geschenk geweest vanwege de Heer. Want deze Griek werd door Paulus ingeschakeld om - met kennis van zaken! - de Grote Collecte voor de vele armen van de Moederkerk te Jeruzalem te organiseren, samen met Timotheüs in heel Macedonië (Noord-Griekenland; Hand. 19, 22) en enkele maanden later ook, samen met Titus, in zijn eigen stad Korinthe en in heel Achaïa (Zuid Griekenland; lees 2Kor. 8) 
 
Deze Grote Collecte slaagde perfect en bracht een enorm bedrag op; ook wel dankzij de goede raadgevingen van Erastus. Ondanks de vele gevaren en tegenkantingen - uitvoerig beschreven in het boek "Handelingen" (van 20,1 tot 21,20) - kwam het geld na enkele maanden veilig in het bezit van de Moederkerk en van de patriarch Jakobus (de Jongere) te Jeruzalem. (Hand. 24,17 & 1 Kor. 16,1-5) 
 
Over die Collecte zegt Paulus heel gevat: Een mooi besluit voorwaar! Maar de Grieken (de niet-Joden) staan immers ook bij hen (bij de arme joodse broeders en zusters te Jeruzalem) in de schuld. Waar de Grieken eerst deel hebben gekregen aan hun geestelijke gaven, zijn zij nu van hun kant zedelijk verplicht deze joodse armen op materieel vlak bij te staan! (Rom. 15, 27) 
 
De econoom Erastus is zijn leven lang een trouwe medewerker van de apostel Paulus en van de Kerk gebleven, te Korinthe en elders. (Vgl. 2 Tim. 4, 20) 
 
* * *
 
Nog tal van andere voorbeelden treft men bij Paulus aan, hoe hij profane wetenschappen aanwendde om geestelijke leer - en concrete toepassingen ervan! - aan zijn lezers of toehoorders door te geven. 
 
In verband met de Fysica en de verrijzenis van de doden: 
 
Grieken konden - onder de invloed van het gnosticisme - moeilijk geloven in de lichamelijke opstanding van de doden. Paulus zegt hun: als de Schepper uit een stervend zaad een nieuwe plant kan doen ontkiemen: hoe zou dan de Almachtige, na het bederf van het vergankelijk menselijk lichaam, niet meer een verheerlijkt en onvergankelijk lichaam kunnen doen opstaan uit de dood? Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid; een geestelijk lichaam verrijst! En is soms Jezus Christus niet in eigen kracht lichamelijk opgestaan uit de doden? (1 Kor. 15, 42-44 & 15, 1-22) 
 
In verband met Tuinbouw en de veredeling van fruitbomen: 
 
De Joden te Rome en elders wilde hij duidelijk maken hoe God - wegens de halsstarrige weigering van veel Joden om hun Messias te volgen ... - op "de Draagstam" (d.i. de Christus!) van de joodse olijfboom nu ook (niet-joodse) wilde takken geënt heeft, ter vervanging van weggebroken joodse takken. Dit mocht echter geen reden zijn voor de gelovige niet-Joden om zichzelf te overschatten: Hoeveel gemakkelijker zullen zij immers die van nature bij de Draagstam behoren (de Joden!), weer op hun eigen plaats worden geënt. (Rom. 11, 17 & 24) 
 
I.v.m. de Landbouwkunde en de geestelijke oogst: 
 
In de landbouw waren er in die tijd altijd veel arbeidskrachten nodig om tijdig met alle vereisten voor een goede oogst klaar te komen. Naar aanleiding van partijschappen en dreigende schisma's binnen de kerk te Korinthe, en eventueel in het grote geheel van de Jonge Kerk van Christus, schrijft Paulus: Laat niemand zijn heil zoeken bij mensen. Of het nu Paulus is of Apollos, of Kefas ... Maar jullie zijn van Christus, en Christus is van God. (1 Kor. 3, 19-23) Ik (Paulus) heb geplant; Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei. Noch hij die plant, betekent iets, noch hij die begiet; maar alleen God is het die de wasdom geeft. Diegene die plant, of degene die begiet, staan op één lijn. Wij zijn Gods medewerkers; jullie zijn Gods akker. (1 Kor. 3, 5-9) 
 
I.v.m. Bouwkunde en kerkewerk: 
 
Naar de mij geschonken genade heb ik als een kundig bouwmeerster (Gr. "sofos architekôn") het Fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt. Jullie zijn Gods bouwwerk! Niemand kan een ander fundament leggen, dan wat er nu ligt: namelijk Jezus Christus. (1 Kor. 3, 9b-11) 
 
Nog in verband met Architectuur: 
 
In de Oudheid waren er beslist knappe bouwmeesters. Een groots bouwwerk bestaat uit vele elkaar ondersteunende delen, maar de belangrijkste steen bovenaan is wel de hoeksteen of sluitsteen. Die ene steen houdt het hele kruisgewelf samen. Neem hem weg, en het gebouw stort in; het wordt één grote puinhoop. Paulus past dit bouwprincipe toe op de Ene, Heilige, Apostolische Kerk: De Sluitsteen is Christus Jezus zèlf, die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt. In Hem groeit het uit tot een Heilige Tempel in de Heer! (Ef. 2, 20-21) 
 
I.v.m. Fysiologie en kerkelijke groei:
 
Elders vergelijkt Paulus de Ene Kerk van Christus heel oordeelkundig met het functioneren van een menselijk lichaam: Het menselijk lichaam vormt met zijn vele ledematen slechts één geheel. Alle ledematen (en organen), hoe vele ook, maken tezamen één lichaam uit. Zo is het ook met Christus: wij allen zijn immers - in de kracht van één en dezelfde Geest - door de Doop één Lichaam geworden, en allen werden wij ook gevormd in één Geest. ( Kor. 12, 13; vgl. Rom. 12, 4) 
 
Hier en daar was er echter wel een gelovige die zich door judaïzanten of andere fantasten op sleeptouw liet nemen en "een ander evangelie" begon te volgen: Zo iemand houdt zich niet aan Christus, die het Hoofd is en uit Wie het hele Lichaam (de Ene Kerk!) - door gewrichten en spierbanden gesteund en bijeengehouden - zijn goddelijke wasdom ontvangt. (Kol. 2, 19) 
 
I.v.m. de functie van gist of zuurdesem: 
 
Het gaat om het aannemen van de ene ware Leer van de Kerk, of ... het nalopen van allerlei valse leerstellingen! (Vgl. Mt. 16, 6 en par.) Met een weinig zuurdesem kan iemand het hele deeg doen rijzen. Denk erom, een weinig zuurdeeg maakt het hele deeg zuur (Gal. 5,9 & 1 Kor. 5,6) Zo kan men insgelijks, met de verkondiging van een andere leer dan de Leer van Jezus' Kerk, de hele mensenmaatschappij ten kwade beïnvloeden. Doet het oude zuurdeeg weg, om vers deeg te worden. Jullie moeten immers zijn als ongezuurde paasbroden (Hebr. "matzot"), want ook ons Paaslam is geslacht: Christus zelf. Wij moeten ons Feest niet vieren met "het oude zuurdeeg" - d.i. met het bederf van slechtheid en boosheid ... - maar met het zuivere Paasbrood (Hebr. "Matzah") van eerlijkheid en Waarheid! (1 Kor. 5, 7-8) 
 
* * *
 
Naar het voorbeeld van Paulus' methode van evangeliseren en theologiseren kan men ook in onze tijd veel leren om eveneens, door praktische vergelijkingen aan de hand van tal van schitterende moderne wetenschappelijke ontdekkingen en verwezenlijkingen, het Geloof te bevorderen. Maar "dat geloof in de profane Wetenschappen", als nuttige weg tot menselijke welvaart en algemeen welzijn, mag dan vooral niet - onder de altijd wel aanwezige funeste invloed van de Antichrist - ontaarden tot allerlei uiteenlopende vormen van rationalistische, materialistische en gnosticistische - of zelfs tot immorele ... - ketterijen. 
 
Oktaaf Boie, 
Lic. Germ. Filologie, Lic. Oosteuropese Taalkunde & Geschiedenis 
Noorweegse Kaai 41, 8000 Brugge

Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht