• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Ter nagedachtenis E.H. Marcel Magnus

3/10/2021

 
Verschenen in POSITIEF nr. 428 – JANUARI 2013 

​Wij laten hierna de tekst volgen van het gedachtenisprentje bij de uitvaart van E.H. Marcel Magnus.  Hij heeft die tekst zelf opgesteld. 
 
"Uit heel mijn hart dank ik de Heer Jezus voor de uitzonderlijke genaden, die ik onverdiend ontvangen mocht hebben: mijn leven en de christelijke opvoeding dankzij mijn geliefde ouders, mijn roeping tot het Heilig Priesterschap, mijn vast geloof in de Heer en zijn heilige kerk. 
Op Jezus' barmhartig Hart, dat mij reeds op aarde zo dierbaar was, stel ik nu heel mijn hoop. 
Aan het Onbevlekt Hart van Maria wijdde ik mijn priesterleven toe. Zij zal mij zeker nabij zijn "in het uur van mijn dood" om mij binnen te leiden in de eeuwige liefde van de Drie-ene God. 
Nederig vraag ik vergiffenis voor al de fouten die ik beging en voor de ontgoocheling en ergernis die ik veroorzaakt heb. Ik hoop vanuit de hemel te kunnen blijven zorgen voor al diegenen die ik als priester heb mogen helpen op de weg naar eeuwigheid en die ik zeer innig dank voor hun vertrouwen dat voor mij een bron van genade en vreugde was. 
Wij blijven verbonden in de Heer" 
 
Marcel 
 
In herinnering aan hem laten wij dan zijn artikel volgen over het sacrament van de verzoening, een tekst die hij in tal van onze vergaderingen op diverse plaatsen heeft besproken. 
 
De biecht
 
sacrament van verzoening
 
De huidige toestand 
 
Het is een feit dat sinds enkele tientallen jaren het aantal gelovigen dat nog min of meer regelmatig biecht zeer klein geworden is. In zijn brochure "Geroepen tot vrede" (Kerk en Wereld, Mechelen) schreef G. Danneels destijds: "Over het sacrament van de Biecht zijn de laatste jaren veel sluiers gevallen. Er is de sluier van het menselijk opzicht: 'Wie gaat er nog te biechten?'. En de sluier van de verwarring: 'Men zegt dat de Biecht zal afgeschaft worden'. Er is de sluier van de losse schroeven: 'Er is toch geen zonde meer'. En de sluier van het ongeloof: 'Wat heeft God daarmee te maken? ... En toch is er bij vele mensen vraag naar duidelijkheid en inzichten". (p. 17) 
Betreffende die "sluier van de verwarring" zou nog kunnen vermeld worden dat, in tegenspraak met de duidelijke richtlijnen van de Kerk, bij velen de mening ingang vond dat publieke boeteviering, zonder persoonlijke zondenbelijdenis, voortaan de private Biecht kunnen vervangen. 
In 1972 schreef V. Walgrave o.p. deze nog steeds geldende woorden in verband met het in verval komen van de praktijk der geregelde biecht: "Zou er ook niet een verband bestaan tussen dit verval en de thans zo veelvuldige geloofscrisis? en het zo gemakkelijk verbreken van de plechtige verbintenissen in huwelijk en kerkgewijd leven?" (Emmaüs, 1972, n° 3, p.57) 
Dit artikel heeft als doel bondig de leer der Kerk samen te vatten betreffende het Boetesacrament. Herhaaldelijk wordt gebruikt gemaakt van wat de Catechismus van de Katholieke Kerk (CKK) daarover schrijft. 
 
Tweede bekering 
Al werden wij door het H. Doopsel geheiligd en gereinigd, toch blijven wij onderworpen aan de begeerlijkheid waardoor de menselijke natuur verzwakt is en tot zonde geneigd. Vandaar dat wij heel ons leven tot bekering worden uitgenodigd. Het Concilie verklaarde: "Daar wij allen ... vele malen struikelen (cf. Jak. 3, 2), moeten we steeds weer een beroep doen op Gods barmhartigheid en alle dagen bidden: 'En vergeef ons onze schulden.' (Mt. 6, 12)" (LG, n° 40) Daarom spreekt de Kerk van een "tweede bekering" die na het Doopsel plaats heeft en het hele leven duurt, voor ieder christen, voor heel de Kerk die, naar de woorden van het Concilie "zondaars in haar eigen schoot omvat, 'en terzelfdertijd heilig en altijd tot zuivering geroepen, onophoudelijk de boetvaardigheid en de levensvernieuwing nastreeft". (vgl. LG, n° 8) 
Maar die tweede bekering en boetvaardigheid kan niet tot stand komen door de mens alleen, wiens hart weerspannig is. Vandaar dat de catechismus schrijft: 
 
Het is nodig dat God aan de mens een nieuw hart schenkt. De bekering is vooreerst het werk van Gods genade die onze harten tot Hem doet terugkeren: 'Jahwe, breng ons weer bij U terug en wij zullen terugkeren'. (Kl. 5, 21) God geeft ons de kracht opnieuw te beginnen. Bij het ontdekken van de grootheid van Gods liefde wordt ons hart getroffen door de afschuwelijkheid en de zwaarte van de zonde, en begint het te vrezen God te beledigen door de zonde en van Hem gescheiden te worden. Het menselijk hart komt tot bekering bij het opzien naar Hem die onze zonden hebben doorstoken. (Joh. 19, 37) Richten wij onze ogen naar het bloed van Christus en laten wij begrijpen hoe kostbaar het is in de ogen van zijn Vader, want, vergroten voor ons heil, heeft het voor heel de wereld de genade bekomen van de bekering (CKK, 1432) 
 
Het sacrament van de verzoening en de bekering 
Door de zonde beledigen wij in de eerste plaats God en wordt de gemeenschap met Hem verbroken. Maar tegelijk is de zonde een breuk met de Kerk. Daarom brengt de bekering tegelijk de vergiffenis van God en de verzoening met de Kerk. Dit wordt uitgedrukt en tot stand gebracht door de liturgie van het sacrament van de verzoening en bekering. (CKK, 1440) 
Natuurlijk kan alleen God zonden vergeven. Maar Christus heeft als paasgeschenk op de avond van zijn Verrijzenis aan zijn apostelen de macht gegeven om zonden te vergeven: "ONTVANGT DE HEILIGE GEEST. WIER ZONDEN GIJ VERGEEFT, HUN ZIJN ZE VERGEVEN, EN WIER ZONDEN GIJ NIET VERGEEFT, HUN ZIJN ZE NIET VERGEVEN". (Joh. 20, 22-23) De apostelen krijgen dus de opdracht van de verzoening, zodat Paulus uitroept: "WIJ SMEKEN U IN CHRISTUS' NAAM: LAAT U MET GOD VERZOENEN". (2 Kor. 5, 20) De verzoening met God is, door de wil van Christus, niet te scheiden van de verzoening met de Kerk. Degenen die beweren buiten de Kerk om, "rechtstreeks met God", zondevergiffenis te bekomen, miskennen het heilsplan van de Vader, tot Wie niemand kan komen tenzij door zijn mensgeworden Zoon. (cfr. Joh 14, 6) En deze Zoon gaf zijn zending door aan zijn apostelen en hun opvolgers. 
De weg naar de Vader is dus de Zoon, de weg naar de Zoon is de Kerk!
 
Handeling van de boeteling 
 
1. Berouw 
Het berouw is, naar de woorden van het Concilie van Trente, overgenomen door CKK,1451, "het leed van de ziel en de verachting voor het bedreven kwaad, met het voornemen niet meer te zondigen". In de lijn van heel de kerkelijke Traditie onderscheidt het volmaakt en het onvolmaakt berouw: wanneer het berouw ontstaat uit de liefde tot God, die boven al bemind wordt, dan is het berouw volmaakt. Zulk berouw vergeeft de dagelijkse zonden, en ook de doodzonden indien men het voornemen heeft zodra mogelijk het boetesacrament te ontvangen. Het onvolmaakt berouw is eveneens een gave van God en een ingeving van de Heilige Geest. Dit berouw komt voort uit het besef van de afschuwelijkheid van de zonde of van de vrees voor de eeuwige verwerping en andere straffen. Dit berouw vergeeft op zichzelf zware zonden niet, maar volstaat wèl voor het Boetesacrament. (CKK, 1452-1453) 
 
2. Belijdenis 
Door de belijdenis neemt de zondaar afstand van de bedreven zonden. Hij neemt er de verantwoordelijkheid voor op en opent zich voor Gods Barmhartigheid. In zijn vermelde brochure schrijft G. Danneels over de "weldaad van het spreken" in de Biecht: "Biechten is spreken ... Spreken in de Biecht is eerlijk, rouwmoedig, deemoedig en ingetogen. Want het is thuiskomen als de zoon bij de Vader (Lc. 15) en uitzeggen bij iemand die een en al luisteren is, en begrip. Na een tijd van alleen zijn is het voor de eerste maal weer met twee zijn, en met wie dan nog wel? Niet met een machteloze luisteraar of een beamend counselor, maar met Iemand 'die er iets aan doet' ... Door te spreken wordt mijn zonde ook duidelijker, ze krijgt klaarder contouren, ik zie ze beter en juister. Spreken geeft me inzicht in mezelf ... Maar boven alles is spreken een verdieping van het berouw. Spreken werkt als een tonicum, een opwekkend middel in het rijpingsproces van het berouw ... Als na een familietwist, die jaren duren kan en waarover men al lang innerlijk spijt heeft, voor de eerste keer de woorden vallen, 'het spijt me, kom laten we er een eind aan maken', dan vallen gewoonlijk mèt de woorden ook de tranen. Tranen van berouw ... en van vreugde. Het spreken heeft zijn werk volbracht. Dit berouw en deze vreugde zijn ook het doel van de belijdenis in de Biecht". (p. 19-20) 
 
Het is passend dat de belijdenis wordt voorbereid door een goed gewetensonderzoek. Bij het Thomas More-Genootschap zijn biechtspiegels te bekomen (voor volwassenen, en ook voor kinderen) die hierbij behulpzaam kunnen zijn. 
 
Welke zonden moet men biechten? Daarop antwoordt CKK: 
 
De biechtelingen moeten in de Biecht alle doodzonden belijden waarvan ze zich, na een ernstig gewetensonderzoek, bewust zijn ... Zij die anders handelen en er enkele bewust verbergen, leggen aan de goddelijke goedheid niets voor dat door bemiddeling van de priester kan vergeven worden. Want "indien de zieke zich erover schaamt zijn wonde aan de geneesheer te laten zien, zal de geneeskunde niet verzorgen wat ze niet kent". 
 
Volgens het kerkelijk gebod is iedere gelovige die tot de jaren van verstand gekomen is, verplicht minstens éénmaal per jaar zijn zware zonden eerlijk te belijden. Wie er zich bewust van is een doodzonde te hebben bedreven, mag de Heilige Communie niet ontvangen, zelfs al heeft hij een groot berouw, zonder eerst de sacramentele absolutie te hebben gekregen, tenzij hij een ernstige reden heeft om te communiceren en hij onmogelijk een biechtvader kan bereiken. De kinderen moeten het Boetesacrament ontvangen alvorens zij voor de eerste maal de Heilige Communie ontvangen. (CKK, 1456-1457) 
 
In zijn brochure "Kinderen" (Persdienst Aartsbisdom, Mechelen, Kerstmis 1988) spreekt Kard. Danneels over het "kleine kwaad" van de kinderen en over de kinderbiecht. Hij weerlegt de vaak gehoorde opwerping: 
"Je moet een kind niet culpabiliseren; kan het wel kwaad doen dat voor God de moeite waard is om het in rekening te brengen?", en schrijft verder dat er tegenwoordig "wel een paar essentiële dingen verloren dreigen te gaan door het stelselmatig opschrijven, uitstellen of afschaffen van de kinderbiecht. Kinderen hebben een scherp besef van goed en kwaad en een geweten dat alles haarfijn registreert als een heel gevoelige oscillograaf. Natuurlijk moet het gevormd worden en zoiets eist tijd, geduld en tact". Zonder strikt noodzakelijk te zijn, moedigt de Kerk het regelmatig biechten van de dagelijkse zonden aan. Men spreekt dan van "devotiebiecht". Het regelmatig biechten van onze dagelijkse zonden helpt ons bij de gewetensvorming en bij de strijd tegen onze verkeerde neigingen. Zo laten wij ons genezen door Christus en doen wij vooruitgang in het leven van de Geest. Paulus VI schreef in zijn weinig gekende apostolische aansporing over de christelijke vreugde (Gaudete in Domino, 1975): "de veelvuldige Biecht blijft een bevoorrechte bron van heiligheid, vrede en vreugde". Het regelmatig ontvangen van de Biecht heeft nog een ander voordeel. Al kan de "geestelijke leiding" ook buiten de Biecht gegeven worden, eventueel ook door iemand die geen priester is, toch is die in feite vaak verbonden met het sacrament van verzoening. 
 
Het zijn vooral de heiligen die de waarde van het boetesacrament het best beseffen en beleven. Een van de zwaarste kruisen van Pater Damiaan was het feit dat hij maandenlang als priester alleen was op het eiland Molokaï en de kans niet had het Boetesacrament te ontvangen. 
 
3. BOETEWERK 
Al wordt de zonde door de absolutie vergeven, er blijft nog heel wat goed te maken. Niet alleen moeten wij, in zover dat mogelijk is, bij anderen de schade herstellen die door de zonde werd aangericht (gestolen goederen teruggeven, de geschonden eer herstellen na laster, enz ... ). Maar vooral in de zondaar zelf moeten de gevolgen van de zonde verwijderd worden. De "zondestraffen" moeten nog worden uitgeboet. Daarom legt de priester een "boetewerk" (penitentie, voldoening) op, aangepast aan de situatie. 
 
HANDELING VAN DE PRIESTER 
 
ABSOLUTIE 
 
Over de betekenis van de absolutie schrijft CKK: 
 
“Wanneer hij het boetesacrament celebreert vervult de priester de taak van de Goede Herder die het verloren schaap zoekt, van de Goede Samaritaan die de wonden verzorgt, van de Vader die de verloren zoon opwacht en ontvangt bij zijn terugkeer, van de rechtvaardige rechter zonder aanzien van de persoon en wiens oordeel tegelijk rechtvaardig en barmhartig is. Kortom: de priester is het teken en instrument van de barmhartige liefde van God tegenover de zondaar.” (CKK, 1465) 
 
Door de absolutie, ontvangen in goede gesteltenissen, komt Christus opnieuw wonen in de ziel van de zondaar. Die aanwezigheid heeft gelukkige gevolgen, zowel op het "zijn" als op het "doen" van de gelovigen, die verlost wordt van een doodzonde. Dit zei de Paus in zijn audiëntie van 4.4.1984, en hij voegde eraan toe: "deze gelovige wordt opnieuw in zijn diepste wezen omgevormd (ontologiquement changé), zodat hij een "nieuw schepsel" (Gal. 6, 15) wordt, "deelachtig aan de goddelijke natuur" (cfr. 2 P. 1, 3-4), op bijzondere wijze "getekend" en gevormd naar het beeld en de gelijkenis van Gods Zoon. (cfr. 1 Kor. 12, 13) Die goddelijke werkelijkheid in ons - waaraan vaak zo weinig aandacht wordt geschonken - heet "heiligmakende genade" (CKK, 1999-2000) 
Uit eerbied voor de menselijke persoon en omwille van de verhevenheid van dit dienstwerk verklaart de Kerk dat iedere biechtvader verplicht is tot onvoorwaardelijke geheimhouding betreffende de zonden van zijn biechtelingen. Zeer zware kerkelijke straffen zijn voorzien voor de schending van het biechtgeheim. De priester mag ook nooit gebruik maken van de kennis uit een belijdenis verkregen op een wijze die bezwarend is voor de boeteling, ook al is elk gevaar van bekendmaking uitgesloten. (Wetboek van Canoniek Recht, can. 983-984) Zo mag een pastoor geen gebruik maken van de kennis die hij uit de Biecht heeft om de benoeming van een onderwijzer te beletten. Buiten de Biecht mag een priester zelfs met de biechteling niet spreken over de inhoud van de belijdenis, tenzij met zijn toelating. 
In haar boek "Wij, christenen van de Sovjetunie" (Unistad, Antwerpen, 1985) vertelt Tatiana Goritcheva over haar eerste Biecht, bij haar bekering tot de Oosterse Kerk, en over het "wonder" van de absolutie. Zij vertelt aan de biechtvader haar biografie: "een leven dat berustte op trots en eerzucht, op arrogante verachting van mijn medemensen". Daarin gaat zij meer in detail: "Ik vertel hem over mijn drankzucht en de uitspattingen van mijn seksueel leven, over mijn seksueel ongelukkige huwelijken, over abortussen en over mijn onvermogen om iemand lief te hebben". En dan volgt het "wonder": "Ik ontving, naar het mij toescheen, de absolutie heel gemakkelijk: enige jaren lang moest ik vijf keer per dag, telkens diep ter aarde gebogen, het gebed opzeggen: 'Verheug U, Maagd en Moeder Gods'. Deze absolutie is voor mij in alle daarop volgende jaren een grote steun geweest. Onze zonden ... schenen ons op een of andere manier volstrekt monsterachtig. Daarom viel het ons moeilijk te geloven dat zij zo eenvoudig met een 'handbeweging' van de priester konden verdwijnen. Maar wij kenden het wonder al uit ondervinding: ieder van ons was uit het niets van een aan vertwijfeling grenzend bestaan binnengetreden in het huis van de Vader, de Kerk, die voor ons het paradijs betekende. Wij wisten: voor God is niets onmogelijk. Dat hielp ons te geloven dat de Biecht de zonde vernietigt". (P. 61-62) 
 
M. Magnus, pr.  


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht