• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Wij hebben geloofd in de Liefde

1/5/2021

 
Verschenen in POSITIEF nr. 433 – JUNI 2013

​Allen weten we dat het eerste gebod luidt: "Gij zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand en met al uw krachten". Dat is zijn wezen, zijn essentie, zijn eigenheid. Daarom ook moeten wij God vooral beminnen om wat Hij is in Zichzelf, omdat Hij Liefde is. Wij zijn geschapen om God lief te hebben, niet zo zeer om wat wij van Hem verwachten of ontvangen, maar om wat Hij is in Zichzelf. In wezen is God een Liefdehaard door de onweerstaanbare verrukking der Drie Personen door elkaar, die hun leven is en die Hen oneindig gelukkig maakt. 
Daarom ook zingen wij: "Wij zeggen U dank uw grote heerlijkheid". Dat is het hoofdmotief van onze Godsliefde. 
Intussen hebben wij maar een heel flauw en onbeduidend besef van wat God werkelijk is in Zichzelf: die Liefdehaard waarvan wij de diepte en de intensiteit nooit zullen kunnen peilen. Slechts later in de hemel zullen wij dat enigszins beseffen, wanneer wij God zullen zien zoals Hij werkelijk is, en dat wij aan Hem zullen gelijk zijn. Dan zullen wij niet anders kunnen dan God te beminnen "om zijn grote heerlijkheid". 
Juist omdat die God-van-Liefde zo gelukkig is, wil Hij dat geluk niet voor Zich alleen behouden. Het goede en het geluk wil zich mededelen. En daarom heeft God geestelijke wezens geschapen, die zijn liefdeleven en zijn geluk mogen delen, namelijk de engelen die zuivere geesten zijn, en de mensen die deels stof en geest zijn. 
En als het Nieuwe Testament ons voorhoudt dat wij God boven alles moeten liefhebben, dan beklemtoont het niet zo zeer dat wij Hem moeten liefhebben om zijn oneindige heerlijkheid, waarvan wij ons trouwens met ons klein mensenverstand niet eens de peilloze diepte kunnen voorstellen. Maar het vraagt ons veeleer God lief te hebben om wat Hij voor ons deed en om wat Hij voor ons mensen betekent, zoals Sint-Jan het schrijft: "Wij beminnen God omdat Hij ons eerst heeft liefgehad". (1 Jn 4, 21) 
En voor ons mensen is het hoofdmotief van onze liefde tot God: dat Hij de wereld zo zeer heeft liefgehad dat Hij zijn enige Zoon niet heeft gespaard, maar Hem heeft gegeven, opdat wij mensen zijn eigen goddelijk leven en zijn eeuwig geluk zouden delen. 
Nog schrijft Sint-Jan: "Hierin bestaat de liefde: niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft bemind en zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden. (1 Jn, 4, 10) En verrukt door die onverdiende voorliefde van God voor ons nietige mensen, kunnen wij enkel in die liefde geloven, haar dankbaar ontvangen en ons laten beminnen, ons laten gelukkig maken, en zo Gods eigen liefdeleven delen. Juist dat ontvankelijk geloof in Gods liefde voor ons maakt de voorwaarde uit om Gods eigen geluk te kunnen delen.: "Opdat allen die in Hem geloven eeuwig zouden leven". En nog: "Aan allen die in zijn naam geloven gaf Hij het vermogen Gods kinderen te worden". (Jn 1, 12) Tenslotte: "Wij hebben de liefde erkend en geloofd die God voor ons heeft: God is Liefde; en wie in de liefde blijft blijft in God en God in hem". (1 Jn 4, 16) 
De opstandige engelen werden onherroepelijk verdoemd en zijn eeuwig ongelukkig, zonder énige mogelijkheid om hun opstand goed te maken en hun verloren geluk terug te vinden. Maar in zijn voorliefde voor de broze en onbestendige mensen die zich door de duivel lieten verleiden en die niet wisten wat ze deden, heeft God een tweede kans voorzien om hun verloren geluk terug te vinden. Een onvoorstelbare kans, namelijk dat Gods eigen Zoon Mens zou worden, heel ons menselijk bestaan zou delen, in alles aan ons gelijk. En dat Hij, solidair met ons, heel onze schuld op Zich zou nemen. Zijn gehoorzaamheid aan zijn zending tot in de diepste vernederingen en de pijnlijkste folteringen, zou onze opstandige ongehoorzaamheid uitboeten en de mensen verzoenen met God hun Vader. 
Tot zo ver ging de onvoorstelbare voorliefde van God voor de mensen. En daarom moeten wij Hem eeuwig dankzeggen en Hem loven. Wij moeten Hem daarvoor mateloos beminnen, en die liefde tonen door zijn tedere liefde niet af te wijzen, maar ze blij te ontvangen. 
Gods voorliefde gaat uit naar al wat broos is, klein, zwak, hulpeloos. Met die gevallen, gekwetste en berooide mensheid heeft Gods Zoon zich willen vereenzelvigen in zijn genadige barmhartigheid. En wanneer wij geloven in Gods liefde, zijn wij niet alleen verrukt over zijn eigen heerlijkheid, waarvan wij de diepte niet eens kunnen peilen; maar vooral over zijn voorliefde voor ons schamele en nietige mensen, die zulk een voorliefde niet verdienden. 
Geloven betekent dus voor ons allereerst Gods genadige barmhartigheid dankbaar te ontvangen. En Gods uitzinnige liefde te verheerlijken, die haar toppunt bereikte wanneer Gods Zoon zich zo nauw met ons vereenzelvigde dat Hij heel ons menselijk bestaan deelde, tot in de verschikkingen van zijn folteringen en dood, doorstaan om ons te verzoenen met zijn Vader en ons het goddelijk leven weer te geven en ons verloren geluk. Hoe zullen wij nu God onze liefde tonen? Allereerst door zijn uitzinnige liefde te erkennen en erin te geloven, door die dankbaar te ontvangen, door ons te laten beminnen en leiden door God doorheen onze trouw aan zijn wilsbeschikkingen en aan Jezus' evangelie, met al de offers vandien. Ook Jezus toonde zijn liefde voor zijn Vader door zijn trouw aan zijn zending Hem opgedragen door de Vader. Hij zegde: "Mijn voedsel is het de wil te volbrengen van mijn Vader en zijn opdracht uit te voeren". Zo ook zal onze liefde blijken uit onze trouw aan Gods welbehagen, aan Jezus' evangelie, aan onze beroepsplichten, ook doorheen de onvermoede situaties en omstandigheden die ons leven tekenen. 
 
Daarenboven schrijft Sint-Jan: "Als God ons zo heeft liefgehad ... ", wij zouden verwachten: ... dan moeten wij op onze beurt God liefhebben". Maar Joannes zegt: "Als God ons zo heeft liefgehad (gratis), dan moeten ook wij ons leven geven voor onze broeders". (1 Jn 3, 16) Want wij hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad. En zo zien we de noodzakelijke en onbreekbare band tussen Godsliefde en naastenliefde: de tweede vloeit voort uit de eerste. 
 
Bij de voetwassing juist voor zijn nakende Passie, wist Jezus heel goed dat Hij Gods Zoon was. Maar in zijn liefde ging Hij tot het uiterste van die slavendienst bij de instelling der H. Eucharistie. Toen aanvaardde Hij onherroepelijk dat zijn lichaam zou worden prijsgegeven aan de dood, en zijn bloed vergoten voor de verlossing van alle mensen. En na de voetwassing zei Hij: "Ik heb u een voorbeeld nagelaten, opdat gij zoudt navolgen wat Ik u heb voorgedaan". Als wij God oprecht liefhebben, moeten ook wij bereid zijn ons leven prijs te geven voor het heil en het geluk van onze medemensen. 
Dat alles zal het authentiek bewijs zijn van ons geloof in Gods uitzinnige liefde. Solidair, moeten wij ons verantwoordelijk voelen voor het geluk van onze naaste. Dan alleen zullen wij écht leven in de liefde en écht gelukkig zijn, en zullen wij Gods tederheid uitstralen op onze omgeving. 
 
P. Koen Maes, 
passionist. (t) 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht