• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Lumen Fidei - Licht van het geloof

1/3/2021

 
Verschenen in POSITIEF nr. 435 – OKTOBER  2013 

De Paus spreekt tot u

​Onder deze titel verscheen in het Jaar van het geloof de eerste encycliek van Paus Franciscus. Zijn voorganger, Paus-emeritus Benedictus XVI, was reeds begonnen met de tekst. De huidige Paus heeft die dan verder afgewerkt. Wij bieden u hierna enkele belangrijke artikels uit het derde hoofdstuk. 
 
ART. 2 - De sacramenten en het doorgeven van ons geloof 
 
Zoals elk gezin geeft ook de Kerk de inhoud van haar herinnering aan haar kinderen door. Hoe kan dit tot stand komen zonder dat er iets verloren gaat en integendeel, heel het erfgoed van het geloof steeds meer wordt verdiept? Door de apostolische overlevering, die met de hulp van de Heilige Geest in de Kerk wordt bewaard, staan we in levend contact met de constitutieve herinnering. En 'wat door de apostelen is overgeleverd', zegt het Tweede Vaticaans Concilie, 'omvat alles wat strekt tot de heilige levenswandel van het volk van God en zijn groei in geloof. Zo bestendigt de Kerk in haar leer, leven en eredienst alles wat zijzelf is, alles wat zij gelooft en geeft dit door aan alle geslachten'. 
 
Het geloof heeft inderdaad nood aan een milieu, waarin we kunnen getuigen van en het kunnen meedelen. Dit milieu dient ook overeen te stemmen met en te passen bij wat wordt meegedeeld. Om louter een leerstellige inhoud of een idee door te geven zou een boek of de herhaling van een mondelinge boodschap misschien kunnen volstaan . Wat echter in de Kerk wordt meegedeeld en in haar levende traditie wordt doorgegeven, is het nieuw licht dat voortkomt uit de ontmoeting met de levende God. Het is een licht dat de mens in zijn binnenste aanraakt, daarbij zijn verstand, wil en gevoelsleven betrekt en hem openstelt voor levende relaties in de gemeenschap met God en de medemensen. Om deze volheid door te geven, bestaat er een bijzonder middel dat heel de persoon aanspreekt: lichaam en geest, innerlijkheid en relaties. Dit middel zijn de sacramenten, die worden gevierd in de liturgie van de Kerk. In de sacramenten wordt een geïncarneerde herinnering meegedeeld, die is gebonden aan de afwisselende ruimten en tijden van het leven en die alle zintuigen aanspreekt. Als lidmaat van een levend subject wordt de mens opgenomen in een vlechtwerk van gemeenschappelijke relaties. Wanneer de sacramenten werkelijk de geloofssacramenten zijn, moeten we vervolgens ook zeggen dat het geloof een sacramentele structuur heeft. De heropleving van het geloof voert langs de heropleving van een nieuw sacramenteel bewustzijn van het menselijk leven en van het christelijk bestaan. Daarbij wordt duidelijk hoe het zichtbare en materiële zich openen voor het mysterie van de eeuwigheid. 
 
De geloofsoverdracht geschiedt in de eerste plaats door het doopsel. We zouden de indruk kunnen hebben dat het doopsel slechts een gelegenheid is om de geloofsbelijdenis te symboliseren, een pedagogische handeling voor al wie nood heeft aan beelden en gebaren, maar waarvan men eigenlijk zou kunnen afzien. Een uitspraak van de heilige Paulus over het doopsel herinnert ons eraan, dat dit niet het geval is. Hij zegt: Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden leiden. (Rom. 6, 4)
Door het doopsel worden we een nieuwe schepping; we worden zonen en dochters van God. De apostel schrijft vervolgens dat de christengelovige werd toevertrouwd aan de 'vorm van een leer' (typos didachés), waaraan hij van harte gehoorzaamt. In het doopsel ontvangt de mens ook een leer die moet worden beleden en een concrete levensvorm die het engagement van de hele persoon vereist en die de mens plaatst op de weg naar het goede. Hij wordt overgebracht naar een nieuw universum, toevertrouwd aan een nieuw milieu en aan een nieuwe manier van gemeenschappelijk handelen binnen de Kerk. Het doopsel brengt ons zo in herinnering dat het geloof geen werk is van een individu en geen daad is die de mens kan stellen, slechts vertrouwend op eigen krachten. Het geloof moet echter worden ontvangen en wel bij het binnentreden van de gemeenschap van de Kerk die het geschenk van God doorgeeft. Niemand doopt zichzelf, zoals ook niemand uit zichzelf tot het bestaan komt. Wij werden gedoopt. 
 
Welke elementen van het doopsel voeren ons dan binnen in de nieuwe 'vorm van de leer'? In de eerste plaats wordt over de doopleerlingen de Naam van de Drievuldigheid aangeroepen: Vader, Zoon en Heilige Geest. Zo wordt van het begin af aan een samenvatting gegeven van de weg van het geloof. God, Die Abraham riep en zijn God genoemd wilde worden; God, Die aan Mozes zijn Naam openbaarde; God, Die zijn Naam aan ons ten volle heeft geopenbaard door zijn Zoon aan ons te geven. Deze God schenkt aan de dopeling een nieuwe identiteit als kind van God. Op deze manier begrijpen we de betekenis van de handeling die in het doopsel wordt voltrokken: de onderdompeling in water. Het water is een beeld van de dood en het nodigt ons uit om door de bekering van ons eigen 'ik' over te gaan naar een groter 'ik'. Het water is tegelijkertijd een symbool van leven en van de moederschoot waaruit we worden geboren naar het nieuw leven van Christus. Op deze manier, door de onderdompeling in water, toont het doopsel ons de geïncarneerde structuur van het geloof. De handeling van Christus raakt ons in onze persoonlijke werkelijkheid door ons radicaal te veranderen. Ze maakt ons tot zonen en dochters van God en ze laat ons deelhebben aan de goddelijke natuur. Zo verandert dit handelen van Christus al onze relaties - onze concrete situatie in de wereld en in de kosmos - door deze open te stellen voor het leven van Christus, dat gemeenschap is. De dynamiek van de omvorming, die eigen is aan het doopsel, helpt ons om het belang van het catechumenaat te begrijpen. Ook in de samenlevingen met oude christelijke wortels, waarin een toenemend aantal volwassenen het doopsel nadert, is het catechumenaat vandaag de dag van buitengewoon belang voor de evangelisatie. Het is de weg van voorbereiding op het doopsel en op de omvorming van heel het leven in Christus.
 
Om de samenhang tussen doopsel en geloof beter te begrijpen, kan het nuttig zijn terug te grijpen naar een tekst van de profeet Jesaja. In de vroegchristelijke literatuur werd deze zinsnede geassocieerd met het doopsel: Zo iemand woont in den hoge, onaantastbaar is zijn vesting op de rotsen(. . .) van water is hij steeds verzekerd. (Jes. 33, 16) De gedoopte, die door het water werd bevrijd van de dood, kon gaan staan op de vaste rots, omdat hij de stevigheid heeft gevonden waarop men kan vertrouwen. Het water van de dood is op deze wijze veranderd in water van het leven. De Griekse tekst beschrijft het water als pistós, als 'betrouwbaar' water. Het water van het doopsel is betrouwbaar: we kunnen ons eraan toevertrouwen, omdat zijn stroming ons binnenvoert in de dynamiek van de liefde van Jezus, de Bron van zekerheid voor onze levensweg. 
 
De structuur van het doopsel, zijn karakter als nieuwe geboorte waarin we een nieuwe naam ontvangen en nieuw leven krijgen, helpt ons om de betekenis en het belang van de kinderdoop te begrijpen. Een kind is niet in staat om als vrije daad het geloof aan te nemen. Omdat een kind het geloof nog niet in z'n eentje kan belijden, doen de ouders en peetouders dat in zijn naam. Het geloof wordt beleefd binnen de gemeenschap van de Kerk en het wordt in een gemeenschappelijk 'wij' ingevoegd. Op deze wijze kan het kind door andere mensen, door zijn ouders en peetouders, worden ondersteund en opgenomen in hun geloof, dat het geloof van de Kerk is en dat wordt gesymboliseerd door het licht, dat de vader van de dopeling tijdens de doopliturgie ontvangt van de paaskaars. Deze structuur van het doopsel toont de betekenis van een samenwerking tussen Kerk en gezin bij de overdracht van het geloof. Volgens een uitspraak van de heilige Augustinus zijn de ouders geroepen om hun kinderen niet enkel het leven te schenken, maar ook om hen tot God te brengen, opdat ze door het doopsel worden herboren als kinderen van God en deelachtig worden aan het geschenk van het geloof. Zo ontvangen ze, tegelijk met het leven, ook de fundamentele oriëntatie van het bestaan en de verzekering van een goede toekomst. Deze fundamentele oriëntatie wordt vervolgens verder bevestigd door het zegel van de Heilige Geest in het sacrament van het vormsel. 
 
Het sacramenteel karakter van het geloof vindt zijn ultieme uitdrukking in de Eucharistie. Zij is de kostbare voeding van het geloof, een ontmoeting met Christus die werkelijk aanwezig is in de hoogste daad van liefde: de zelfgave, die levenwekkend is. In de Eucharistie kruisen de beide lijnen elkaar, waarlangs het geloof zijn weg volgt. Enerzijds is er de as van de geschiedenis. De Eucharistie is een handeling van herinnering en een tegenwoordig stellen van het mysterie. Als een gebeuren van dood en verrijzenis toont dit verleden zich echter in staat zich te openen voor de toekomst en vooruit te grijpen op de uiteindelijke volheid. De liturgie herinnert ons hieraan met haar hodie: het 'vandaag' van de mysteries van het geloof. Anderzijds is er ook de as, die van de zichtbare naar de onzichtbare wereld leidt. In de Eucharistie leren we om de diepte van de werkelijkheid te aanschouwen. Brood en wijn worden veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, die aanwezig komt op de weg, die Hij met Pasen is gegaan naar de Vader. Deze beweging voert ons met lichaam en ziel binnen in de dynamiek van heel de schepping naar haar vervulling in God. 
 
In de viering van de sacramenten geeft de Kerk haar herinnering door, in het bijzonder door de geloofsbelijdenis. Het gaat daarbij niet zozeer om het instemmen met een geheel aan abstracte waarheden. Integendeel, door het belijden van het geloof nemen we met ons hele leven deel aan een weg die voert tot volledige gemeenschap met de levende God. We kunnen stellen dat de gelovige in het Credo wordt uitgenodigd om binnen te treden in het mysterie dat hij belijdt, en omgevormd te worden door datgene wat hij belijdt. Om de betekenis van deze uitspraak te verstaan, dienen we vooral te denken aan de inhoud van het Credo, die wordt gekenmerkt door een trinitaire opbouw: de Vader en de Zoon zijn één in de Geest van Liefde. De gelovige erkent dat deze gemeenschap van goddelijke personen de kern vormt van zijn bestaan en het diepste mysterie van de hele werkelijkheid. Bovendien bevat het Credo ook een christologische belijdenis: de mysteries van het leven van Jezus worden doorlopen tot en met zijn dood, verrijzenis en hemelvaart, in de afwachting van zijn wederkomst in heerlijkheid. Op deze manier wordt tot uitdrukking gebracht dat God, die gemeenschap is - de uitwisseling van liefde tussen Vader en Zoon in de Geest - de hele geschiedenis van de mens in de armen kan sluiten en dat Hij in staat is onze geschiedenis binnen te voeren in de dynamiek van zijn gemeenschap, die haar oorsprong en einddoel heeft in de Vader. Wie het geloof belijdt, weet zich opgenomen in de Waarheid, die hij belijdt. Hij kan de woorden van het Credo niet in waarheid uitspreken zonder daardoor te worden omgevormd, zonder geëngageerd te raken in de liefdesgeschiedenis die hem omarmt, die zijn leven wijder maakt en hem deel laat uitmaken van een grotere gemeenschap: van het eigenlijk subject, dat het Credo uitspreekt, namelijk de Kerk. Alle waarheden waarin we geloven, spreken over het mysterie van het nieuw leven in het geloof als over een weg van gemeenschap met de levende God. 
 
ART. 3 - Geloof, gebed en de Tien Geboden 
 
Nog twee andere elementen zijn van wezenlijk belang bij de getrouwe overdracht van de herinnering van de Kerk. In de eerste plaats is er het Gebed des Heren, het Onze Vader. Door dit gebed leert de christen te delen in de persoonlijke, geestelijke ervaring van Christus; hij begint te kijken met de ogen van Christus. Vanuit Hem, die Licht is uit Licht, de Eniggeboren Zoon van de Vader, leren ook wij God kennen en kunnen wij in anderen het verlangen doen ontvlammen om Hem te naderen. 
 
Net zo belangrijk is vervolgens de band tussen het geloof en de Tien Geboden. We hebben reeds vermeld dat het geloof verschijnt als een 'onderweg-zijn', als een weg die moet worden afgelegd en die openstaat voor de ontmoeting met de levende God. In het licht van het geloof en in de volledige overgave aan God die redt, krijgen de Tien Geboden een diepere waarheid, die vervat ligt in de openingswoorden: Ik ben de Heer, uw God, die u heb weggeleid uit Egypte. (Ex. 20, 2) De Tien Geboden vormen geen opsomming van negatieve voorschriften, maar zijn een geheel van concrete richtlijnen om uit de woestijn van het op zichzelf gericht zijn, een in zich opgesloten 'ik' te kunnen komen en in dialoog te kunnen treden met God, terwijl men zich door zijn barmhartigheid laat omarmen, om ook zelf barmhartigheid te kunnen betonen. Op deze wijze belijdt het geloof de liefde van God, uit wie alles voortkomt en die alles draagt. Het geloof laat zich door deze liefde in beweging zetten, om op weg te gaan naar de volheid van de gemeenschap met God. De Tien Geboden zijn een weg van dankbaarheid en van antwoorden uit liefde. Deze weg is mogelijk omdat we ons hebben opengesteld voor de ervaring van de omvormende liefde van God voor ons. Deze weg wordt opnieuw belicht door hetgeen Jezus ons leert in de Bergrede. 
 
Zo heb ik de vier elementen genoemd, die de schat samenvatten van de herinnering, die door de Kerk wordt overgeleverd: de belijdenis van het geloof, de viering van de sacramenten, de weg van de Tien Geboden en het gebed. Traditioneel werd de catechese van de Kerk rond deze elementen opgebouwd, zoals dat ook in de Catechismus van de Katholieke Kerk gebeurt. Dit boek is werkelijk een fundamenteel instrument voor elke coherente vorm van activiteiten waarmee de Kerk de integrale inhoud van het geloof doorgeeft, namelijk: 'alles wat zijzelf is, alles wat zij gelooft'. 
 
ART. 4 - De eenheid en integriteit van het geloof 
 
De eenheid van de Kerk in tijd en ruimte is verbonden met de eenheid van het geloof: Eén lichaam en één geest, (. . .) één geloof. (Ef. 4, 4-5) Tegenwoordig kan het lijken alsof de eenheid van alle mensen realiseerbaar is in gemeenschappelijke inzet, in wederzijdse welwillendheid, in het delen van één en hetzelfde lot en in een gemeenschappelijk doel. We hebben echter grote moeilijkheden om een eenheid in dezelfde waarheid te zien. Het lijkt alsof een dergelijke eenheid tegengesteld is aan de vrijheid van denken en aan de autonomie van het subject. De ervaring van de liefde leert ons echter dat het mogelijk is om - juist in de liefde - een gemeenschappelijke visie te hebben. Door de liefde leren we om de werkelijkheid te bekijken met de ogen van anderen en we ontdekken dat dit geen verarming brengt, maar integendeel onze blik verruimt. De werkelijke liefde, die gemeten is naar de maat van de goddelijke liefde, eist de waarheid; in het gemeenschappelijk schouwen van de Waarheid, die Jezus Christus is, wordt de liefde diep en sterk. Dit is ook de vreugde van het geloof, de eenheid van zien in één lichaam en één Geest. Hierover kon de heilige Leo de Grote zeggen: 'Wanneer het geloof niet één is, is het geen geloof'. 
 
Wat is het geheim van deze eenheid ? Het geloof is in de eerste plaats één op grond van de eenheid van God, die gekend en beleden wordt. Alle artikelen van het geloof hebben op Hem betrekking en vormen eigenlijk wegen om Gods bestaan en handelen te leren kennen. De geloofsartikelen bezitten zodoende een eenheid die alle andere vormen van eenheid overstijgt, die we met ons denken tot stand kunnen brengen; ze bezitten een eenheid die ons verrijkt omdat ze zich aan ons meedeelt en ons verenigt. 
 
Vervolgens is het geloof één omdat het verwijst naar de ene Heer, naar het leven van Jezus en tot zijn concrete geschiedenis, die Hij met ons deelt. De heilige lreneüs van Lyon heeft dit tegenover de gnostici duidelijk gemaakt. Deze meenden dat er twee soorten van geloof zijn: enerzijds een ruw, onvolmaakt geloof: het geloof van de eenvoudige lieden, dat op de onderste tree van het vlees van Christus en de beschouwing van de mysteries blijft staan. Daarnaast zou er een dieper en meer volkomen vorm van geloof zijn: het ware geloof, dat voorbehouden is aan een kleine kring van ingewijden en dat, met de kracht van het verstand, zich verheft boven het vlees van Christus, tot de mysteries van de onbekende god. Tegenover deze voorstelling, die ook vandaag nog verleidelijk blijkt en aanhangers kent, beklemtoonde de heilige lreneüs dat het geloof één is, omdat het steeds verloopt via het concreet punt van de menswording. Het geloof gaat nooit voorbij aan het vlees en de geschiedenis van Christus, omdat God zich juist daarin ten volle wilde openbaren. Om die reden is er geen onderscheid tussen het geloof van diegene 'die veel over Hem weet te vertellen' en van de ander 'die maar weinig te melden heeft'; tussen het geloof van degene die meer en degene die minder geleerd is: de één kan het geloof niet vermeerderen, en de ander kan het niet kleiner maken. Tenslotte is het geloof één omdat het wordt gedeeld door de gehele Kerk, die één lichaam is en één geest. In de gemeenschap van het éne subject - de Kerk - ontvangen we een gemeenschappelijke zienswijze. Omdat we hetzelfde geloof belijden, kunnen we steunen op dezelfde rots, worden we omgevormd door dezelfde Geest van liefde, stralen we hetzelfde licht uit en nemen we op dezelfde wijze de werkelijkheid waar. 
 
Omdat het geloof één is, moet het in zijn volle schoonheid en ongerept beleden worden. Juist omdat alle geloofsartikelen in eenheid verbonden zijn, brengt de loochening van één artikel, zelfs van één dat minder belangrijk lijkt, schade toe aan alle. Elk tijdperk maakt mee dat bepaalde aspecten van het geloof met meer of minder moeite worden aanvaard. Het is daarom belangrijk om waakzaam te blijven opdat het gehele geloofsgoed wordt doorgegeven en opdat alle aspecten van de geloofsbelijdenis op geschikte wijze worden benadrukt. Voor zover de eenheid van het geloof ook de eenheid van de Kerk is, betekent iets van het geloof wegnemen inderdaad iets wegnemen van de waarheid van de gemeenschap. Naar analogie van het Lichaam van Christus en het voortbestaan daarvan in de Kerk, hebben de kerkvaders het geloof voorgesteld als een lichaam met verschillende ledematen, als het lichaam van de Waarheid. De ongereptheid van het geloof werd ook in verbinding gebracht met het beeld van de Kerk als Maagd en met haar trouwe liefde als Bruid van Christus: het geloof beschadigen betekent schade toebrengen aan de gemeenschap met de Heer. De eenheid van het geloof is die van een levend organisme. De zalige John Henry Newman heeft dit op zeer treffende wijze opgemerkt. Newman rekende onder de kenmerken ter onderscheiding van de continuïteit van de leer door de tijden heen, ook het vermogen van de Kerk om in zich alles te kunnen opnemen wat ze aantreft in de verschillende milieus waarin ze aanwezig is en in de verscheidene culturen waarmee ze in aanraking komt. De Kerk loutert dat alles en brengt het tot zijn beste uitdrukkingsvorm. Zo toont het geloof dat het universeel is, en katholiek: haar licht neemt immers toe, om de hele kosmos en de hele geschiedenis te verlichten. 
 
De Heer heeft aan de Kerk de gave van de apostolische successie geschonken als dienst aan de eenheid van het geloof en aan de ongerepte overdracht daarvan. De apostolische successie vormt een waarborg voor de continuïteit van de herinnering van de Kerk en maakt het mogelijk op een bepaalde manier te putten uit de zuivere bron, waaruit het geloof ontspringt. In overeenstemming met het levend geloof, dat de Kerk overlevert, zijn het levende personen die de waarborg vormen voor de band met de oorsprong. Het geloof steunt op de betrouwbaarheid van de getuigen, die door de Heer voor deze taak werden uitgekozen. Daarom spreekt het leergezag steeds gehoorzaam aan het oorspronkelijk Woord van God, waarop het geloof is gegrondvest. Het leergezag is betrouwbaar, omdat het zich toevertrouwt aan het Woord dat het hoort, bewaart en uitlegt. 
 
De heilige Lucas heeft in de Handelingen van de Apostelen de afscheidsrede opgenomen die de heilige Paulus te Efeze hield tot de oudsten van Milete. Hierin getuigt Paulus ervan, de opdracht te hebben vervuld die de Heer hem had toevertrouwd, namelijk: de wil van God in zijn geheel te verkondigen. (Hand. 20, 27) Dankzij het leergezag van de Kerk kan deze wil ongeschonden overgeleverd worden en daarmee ook de vreugde, deze wil volledig te vervullen. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht