• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

De hedendaagse mens in het licht van Gaudium en Spes

1/11/2020

 
Verschenen in POSITIEF nr. 439 – FEBRUARI  2014 

​Begin vorig jaar was er een sessie van permanente vorming voor confraters van het aartsbisdom en was Mgr. Léonard uitgenodigd te spreken over het bovenstaand thema. Het was de gelegenheid om de tekst van deze constitutie te herontdekken en allen aan te sporen deze fundamentele tekst te herlezen. 
Wij laten hierna de belangrijkste punten volgen uit zijn conferentie. 
 
De waardigheid van de menselijke persoon 
 
Mijn uiteenzetting beperkt zich hier tot het eerste hoofdstuk van het eerste deel van Gaudium et Spes, gewijd aan de waardigheid van de menselijke persoon (12-22). De eerste lijnen van paragraaf 12 zetten de toon: 'Gelovigen en ongelovigen zijn het er bijna unaniem over eens, dat alles op aarde betrokken dient te worden op de mens, als het middelpunt en hoogtepunt daarvan'. Dit resoluut antropocentrisme zal in het vervolg van de tekst genuanceerd worden, maar het is een eerste contactpunt tussen gelovigen en ongelovigen. Het blijft natuurlijk de vraag hoe de mens zichzelf begrijpt. Hier zijn verschillende houdingen mogelijk: van de houding van hen die de mens verheerlijken en hem verheffen tot absolute norm tot de houding van hen die geneigd zijn de mens, die ze niettemin centraal blijven stellen, neer te halen en te wanhopen over zijn toekomst. Op dit punt wil de Kerk haar bijdrage leveren, door de authentieke waardigheid van de mens in het licht te stellen. De Kerk doet dat vooreerst door ten volle het thema 'de mens geschapen naar het beeld van God' te benadrukken. Dat wil zeggen dat de mens: 1) in staat is zijn Schepper te kennen en te beminnen; 2) door Hem aangesteld is over alle aardse schepselen om daarover zeggingsmacht te hebben en ze te gebruiken en zo God te verheerlijken; 3) geroepen is, als fundamenteel sociaal wezen, tot de gemeenschap van personen, waarvan de eenheid tussen man en vrouw de eerste uitdrukking is. 
 
Het drama van de zonde 
 
Men voelt hier hoe Vaticanum Il, zoals elk concilie, historisch gesitueerd is. Vandaag zouden wij de uitspraak dat de mens meester is van alle aardse schepselen nuanceren, vanuit het besef dat een radicaal antropocentrisme veel gevaren inhoudt, voor de mens zelf én voor de natuur. Na deze enigszins triomfalistische accenten wijdt het concilie, gewaarschuwd voor de gevaren van een overdreven optimisme, trouwens de volgende alinea (13) aan het drama van de zonde. De oerzonde bestond er voor de eerste Mens in zich, op aanraden van de boze, op te richten tegen God in de perverse wil God te zijn zonder God. Deze dramatische breuk woekert vervolgens historisch verder in alle breuken die de mens verdelen, binnen zichzelf (spanning tussen geest en vlees en, uiteindelijk, de scheiding van ziel en lichaam in de dood), in de verhouding tussen mensen (spanning tussen man en vrouw, geweld en oorlogen) of in de verhouding van de mens tot het universum (de ecologische vernieling bijvoorbeeld). 
 
De geestelijke en tegelijk lichamelijke constitutie van de mens 
 
Dit realisme belet niet een positieve blik te werpen op de conditie van de mens, tegelijk geestelijk en lichamelijk (14). Zeker, de lichamelijke conditie van de mens is gewond door de zonde en is niet vrij van ambiguïteit, maar het concilie wil eerst de grootheid van de mens benadrukken: de transcendentie van de menselijke persoon tegenover haar materiële natuur (en ook tegenover eventuele totalitaire bekoringen van de politieke staat); de diepte van de innerlijkheid van het menselijk hart; en tenslotte het geestelijk karakter en de onsterfelijkheid van de menselijke ziel. 
 
In de volgende alinea's (15-17) gaat GS in op drie constitutieve elementen van de waardigheid van de menselijke persoon. 
 
De waardigheid van het menselijk verstand 
 
Het menselijk verstand heeft, dankzij de empirische en logisch-mathematische wetenschappen, een wonderlijke kennis van de natuur ontwikkeld en op basis daarvan performante technieken uitgedacht. Toch kan het domein van het menselijke verstand, juist omwille van zijn transcendentie, niet beperkt worden tot de studie en de verovering van de materiële wereld. Het menselijk brein is ook geroepen tot de kennis van een diepere waarheid, van metafysische aard. Slechts op die manier zal het zoeken naar waarheid uitmonden in een wijsheid die kostbaarder is dan alleen maar het opstapelen van wat men weet - een wijsheid waarvan culturen, die minder ontwikkeld zijn op het wetenschappelijk en technisch vlak, ons soms een kostbaar getuigenis geven. 
 
De waardigheid van het moreel geweten 
 
De menselijke persoon schittert niet alleen door zijn bekwaamheid tot kennen. Zijn waardigheid bevindt zich ook in zijn moreel geweten, in die stem die weerklinkt in het intieme heiligdom van het menselijk hart en die hem in de gebiedende wijs aanspreekt, alsof deze stem van verder komt of van hoger dan hemzelf: 'Doe dit, vermijd dat'. Samen met andere mensen zijn christenen uitgenodigd deze ethische oproepen te onderscheiden opdat het menselijk geweten, verlicht door de objectieve normen van de moraliteit, een rechtgeaard geweten zou zijn, geënt op het authentiek goede. 
 
Het grote goed van de vrijheid 
 
In de kern van elk moreel leven bevindt zich de inzet van de vrijheid, terecht zo hoog geacht door onze tijdgenoten. In de vrijheid komt de transcendentie van de mens tot uiting. Hij is bekwaam vrije keuzes te maken, niet bewogen door een innerlijke drift of door uiterlijke dwang. Op weg naar zijn zelfverwezenlijking mag de mens niet vergeten dat zijn vrijheid zelf gewond werd door de zonde. Ver van elk pelagianisme brengt het concilie dus in herinnering dat, zonder de hulp van de genade, de vrijheid zich niet effectief en integraal kan richten op haar ultiem doel. 
 
Het mysterie van lijden en dood 
 
In contrast met deze verheven waardigheid benadrukt de concilietekst het raadsel van het menselijk wezen, geconfronteerd met de broosheid van zijn gevallen menselijke conditie: het lijden, de afbraak van het lichaam die samen met de leeftijd oprukt, het onvermijdelijk sterven. Bezield door een gevoel voor de eeuwigheid komt de mens in opstand tegen het falen dat de dood is. Hier opent het christelijk geloof een moedig perspectief: het houdt voor dat de dood zelf zal vernietigd worden en dat de verrijzenis van Christus aan de mens hoop geeft op een gelukzalig, ten volle menselijk leven, dat de grenzen van de aardse ellende overstijgt. Die hoop stelt het christelijk geloof voor aan elk onderzoek en elke bezinning over de mens. 
 
De drie volgende alinea's (19-21) zijn gewijd aan een confrontatie met het hedendaagse atheïsme dat deze levensverbondenheid met God verwerpt, ook al is deze vereniging bron van grote hoop. Deze confrontatie verloopt in drie bewegingen. 
 
Inventaris van de verschillende vormen en wortels van het hedendaags atheïsme 
 
De vormen zijn heel verscheiden (eenvoudig agnosticisme, overmogen van het verstand om een definitieve waarheid te kennen, positivistisch sciëntisme, zelfbevestiging van de mens tot een desinteresse voor de Godsaanvraag zelf). Ook de wortels van het atheïsme zijn veelvoudig: 
afwijzing van een bepaald (en misvormd) beeld van God, afwezigheid van elke metafysische onrust, protest tegen het bestaan van het kwaad, verabsoluteren van bepaalde menselijke idealen. Het atheïsme kan soms voortkomen uit een schuldige verblinding, maar het concilie interesseert zich vooral voor de gedeeltelijke verantwoordelijkheid die bij christenen zelf ligt: de misvorming van de godsdienst, het gebrek aan verdieping van het geloof, het moreel en sociaal in gebreke blijven, waardoor het ware gelaat van God verhuld wordt. 
 
Het atheïsme als systeem 
 
Het concilie denkt op dit punt - zonder het uitdrukkelijk te vermelden - aan het existentialisme van Sartre (de autonomie van de vrijheid is onverzoenbaar met de erkenning van een God) en aan de marxistische filosofie (de bevrijding van de mens is essentieel economisch en de eschatologische hoop van de godsdienst leidt de mens af van de oprichting van de communistische maatschappij). 
 
De houding van de Kerk tegenover het atheïsme 
 
De Kerk kan het atheïsme (en vooral het systematische} en zijn rampzalige gevolgen uiteraard alleen maar afkeuren. Toch tracht het concilie de oorzaken van die ontkenning van God te begrijpen en te onderzoeken. De Kerk wil positief aantonen dat de erkenning van God niet in tegenspraak is met de waardigheid van de mens en dat de christelijke hoop de inzet voor de huidige aardse opdrachten niet vermindert. Maar de weigering van de goddelijke steun kan de mens schade toebrengen en hem hulpeloos achterlaten, zonder hoop, tegenover het drama van het leven. Voor de Kerk is het belangrijkste niet de veroordeling van het atheïsme, maar het verbeteren van de voorstelling van het geloof, het bevorderen van het getuigen van een levendig en volwassen geloof, het bemoedigen van het streven naar heiligheid en van de uitstraling van een actieve caritas, in de overtuiging dat haar boodschap in overeenstemming is met de diepe grond van het menselijk hart. Dit gezegd zijnde is de Kerk bereid om in een eerlijke en wijze dialoog met ongelovigen mee te werken aan de uitbouw van deze wereld. Maar tegelijk vraagt zij aan de burgerlijke overheden de volledige religieuze vrijheid en nodigt zij atheïsten uit tot een objectief onderzoek van het evangelie van Christus. 
 
Christus, de nieuwe Mens 
 
Het eerste hoodstuk kan dan besloten worden (22) met de voorstelling van Christus als de nieuwe Mens, die door zijn menswording en zijn paasmysterie de menselijke natuur aanneemt en geneest en haar verheft tot een bovennatuurlijke voltooiing. Door de verrijzenis van het lichaam zal het lijden, het kwaad en de dood overwonnen worden. Dat is de grote hoop voor allen die geloven in Christus, maar uiteindelijk voor alle mensen, vermits de Zoon van God, door zijn incarnatie, in zekere zin met elke mens verbonden leeft. Zo wordt bevestigd dat het mysterie van de mens slechts werkelijk verduidelijkt wordt in het mysterie van het Mensgeworden Woord. Men kan vermoeden dat de onderliggende logica van deze bezinning de essentiële en subtiele verhouding is tussen de natuur en de genade. 
 
+ André-Jozef Léonard,
 aartsbisschop van Mechelen-Brussel. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht