• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Verklaring Gravissimum educationis over de christelijke opvoeding

1/10/2020

 
Verschenen in POSITIEF nr. 440 – MAART  2014 

​Tweede Vaticaans Concilie 
 
In het najaar komt een theoloog uit de universiteit van Leuven aan het hoofd van de katholieke scholen te staan. Hij zou er prat op gaan om de katholieke identiteit beter te doen uitdrukken in de toekomst. Wij menen dat het daarvoor ook interessant is de besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie omtrent de katholieke opvoeding in herinnering te brengen. Wij bieden u hierna de hoofdstukken 4 tot 11 van deze verklaring aan. 
 
Bij de vervulling van haar opvoedingstaak is de Kerk begaan met alle daartoe dienende hulpmiddelen, maar zij is vooral bezorgd voor degene die haar eigen zijn. Op de eerste plaats komt de catechisatie die het geloof verlicht en versterkt, het leven volgens de geest van Christus voedt, naar een bewuste en actieve deelneming aan het liturgisch geheim voert en tot het apostolaat aanspoort. Maar de Kerk hecht ook veel waarde aan de overige hulpmiddelen en zij streeft ernaar ze met haar geest te doordringen en te verheffen; die middelen namelijk die tot het gemeenschappelijke erfgoed van de mensen behoren en die in hoge mate bijdragen tot de verfijning van de geest en tot de vorming van de mens, zoals de massacommunicatiemiddelen, de talrijke verenigingen voor intellectuele vorming en lichamelijke opvoeding, de jeugdbewegingen en vooral de scholen. 
 
Onder alle opvoedingsmiddelen heeft de school een uitzonderlijk belang. Door haar zending zelf draagt zij aanhoudend bij tot de vorming van de geestelijke vermogens; zij verhoogt de geschiktheid om juist te oordelen; zij leidt in tot het door vorige geslachten verworven culturele erfgoed; zij bevordert de zin voor waarden en bereidt voor op het beroepsleven; zij verwekt een vriendschappelijke omgang tussen leerlingen van verschillend karakter en verschillende klasse en begunstigt daardoor de gesteldheid tot wederzijds begrijpen; bovendien brengt zij als het ware een centrum tot stand, in wiens activiteit en vooruitgang deel hebben: de gezinnen, de leerkrachten, de diverse verenigingen die het culturele, burgerlijke en godsdienstige leven behartigen, de burgerlijke maatschappij en de gehele menselijke gemeenschap. 
Prachtig en tevens belangrijk is de roeping van allen die de ouders in het volvoeren van hun taak bijstaan en, uit naam van de menselijke gemeenschap, in de scholen het opvoedingswerk ter hand nemen. Deze roeping vereist bijzondere gaven van geest en hart, een zorgvuldige voorbereiding, een aanhoudende bereidheid om te vernieuwen en aan te passen. 
 
Omdat zij het eerste en onvervreemdbare recht en de plicht hebben hun kinderen op te voeden, moeten de ouders ook een echte vrijheid hebben inzake schoolkeuze. Derhalve moet de openbare macht, die de vrijheden van de burgers dient te beschermen en te verdedigen, rekening houden met de verdelende rechtvaardigheid en de staatssubsidies zo verdelen, dat de ouders in ware vrijheid voor hun kinderen scholen kunnen kiezen in overeenstemming met hun geweten. Overigens komt het aan de staat toe erin te voorzien, dat alle burgers behoorlijk toegang krijgen tot het cultureel leven en erop worden voorbereid de burgerlijke plichten en rechten naar behoren uit te oefenen. De staat moet bijgevolg het recht van de kinderen op een in hun bereik liggende opvoeding verzekeren, waken over de bekwaamheid van de leerkrachten en de degelijkheid van het onderwijs, zorg dragen voor de gezondheid van de leerlingen en in het algemeen het gehele onderwijssysteem bevorderen, het subsidiariteits-beginsel indachtig en met uitsluiting van ieder schoolmonopolie. Zo'n monopolie is immers in strijd met de natuurlijke rechten van de menselijke persoon, met de vooruitgang en de verspreiding van de cultuur, met de vredelievende samenwoning van de burgers en met het pluralisme dat tegenwoordig in zeer vele staten heerst. 
Tot de christengelovigen richt de heilige kerkvergadering de aansporing hun hulp te verlenen aan het ontdekken van aangepaste opvoedingsmethoden en leerplannen en tot de vorming van leerkrachten die de jongeren behoorlijk kunnen opvoeden en ook, voornamelijk door middel van ouderverenigingen, het hunne bij te dragen tot de gehele taak van de school en in het bijzonder tot de zedelijke opvoeding die er moet worden gegeven. 
 
Omdat zij het bovendien als haar zeer zware verplichting beschouwt de zedelijke en godsdienstige opvoeding van al haar kinderen met zorg te behartigen, moet de Kerk met een bijzondere genegenheid en hulp aanwezig zijn bij de tallozen die in niet-katholieke scholen worden onderwezen. En dat zowel door het levensgetuigenis van degenen die hen onderrichten en leiden, als door het apostolaatwerk van de medeleerlingen, maar ook en vooral door de bediening van de priesters en leken die hun de leer van het heil overbrengen, op een aan hun leeftijd en aan de omstandigheden aangepaste wijze, en die hun een geestelijke hulp bieden door hun geschikte initiatieven naargelang van de mogelijkheden van tijden en omstandigheden. 
Aan de ouders brengt zij in herinnering, dat een zware verplichting op hen rust alles ervoor in het werk te stellen en zelfs te eisen, dat hun kinderen van deze hulpmiddelen kunnen genieten en voortgang maken in een christelijke vorming die harmonisch met hun profane vorming samengaat. Om die reden ook looft de Kerk de gezagsdragers en de staten die rekening houden met het pluralistisch karakter van de huidige maatschappij en bekommerd zijn om een billijke godsdienstvrijheid en daarom de gezinnen te hulp komen, zodat deze hun kinderen kunnen laten opvoeden in alle scholen volgens de eigen zedelijke en godsdienstige beginselen van die gezinnen. 
 
De aanwezigheid van de Kerk op het gebied van het onderwijs wordt op speciale wijze duidelijk door de katholieke school. Deze streeft immers, in niet mindere mate dan andere scholen, cultuurdoeleinden en de humane vorming van de jongeren na. 
Haar is echter eigen een milieu in de schoolgemeenschap tot stand te brengen dat bezield wordt door de evangelische geest van vrijheid en liefde; de jongeren te helpen om hun eigen persoonlijkheidsontwikkeling harmonisch samen te laten groeien met de nieuwe schepping die zij door het doopsel zijn geworden; de algemeen menselijke cultuur zo met de heilsboodschap te verbinden, dat de kennis die de leerlingen betreffende de wereld, het leven en de mens trapsgewijs verkrijgen door het geloof wordt belicht. 
Zo moet de katholieke school zich, zoals het hoort, openstellen voor de evolutie van de tijden en daardoor haar leerlingen het welzijn van de aardse gemeenschap doeltreffend doen bevorderen; zij moet hen ook voorbereiden op de dienstbaarheid voor de uitbreiding van het rijk van God, om door de uitoefening van een voorbeeldig en apostolisch leven een heilzaam zuurdeeg te worden voor de menselijke maatschappij. De katholieke school kan derhalve bijdragen tot de vervulling van de zending van het volk van God en een dienst bewijzen aan de dialoog tussen de Kerk en de gemeenschap van de mensen, tot hun wederzijds voordeel; zij bewaart dus in onze tijdsomstandigheden haar uitzonderlijk belang. Daarom kondigt deze heilige kerkvergadering nogmaals het recht van de Kerk af om in vrijheid scholen van iedere aard en graad op te richten en te besturen, zoals reeds in verschillende documenten van het leergezag is verklaard; zij brengt ook in herinnering, dat het uitoefenen van dit recht in hoge mate nuttig is voor de bescherming van de gewetensvrijheid en van de ouderlijke rechten, alsook voor de vooruitgang van de cultuur zelf. 
Maar laten de leerkrachten eraan denken, dat het allereerst van hun werk afhangt, of de katholieke school haar doelstelling en onderneming tot een goed einde kan brengen. 
Zij moeten dus met een bijzondere zorg worden opgeleid om hen in het bezit te stellen van zowel profane als godsdienstige kennis die door bevoegdheidsbewijzen wordt gestaafd en om hen te voorzien van een opvoedkundige kennis die op de hoogte is met de moderne bevindingen. Onderling en met hun leerlingen moeten zij verbonden zijn door de liefde en zij moeten vervuld zijn met een apostolische geest; dan zullen zij ook door hun leven en hun leer getuigenis afleggen voor de enige Meester, Christus. In samenwerking, vooral met de ouders, moeten zij zich aan hun taak wijden; samen met hen moeten zij ook in de gehele opvoeding degelijk rekening houden met het onderscheid van de geslachten en met de eigen doelstelling die door de goddelijke Voorzienigheid voor beide, in het gezin en in de maatschappij, is vastgesteld. De persoonlijke activiteit van de leerlingen moeten zij trachten te stimuleren; na de voleinding van de studietijd moeten zij hen met raad en vriendschap en door middel van speciale bonden die met een waarachtige kerkelijke geest zijn bezield verder begeleiden. 
De heilige kerkvergadering verklaart, dat het werk van deze leerkrachten een apostolaat is in de ware zin van het woord dat ook in onze tijd zeer passend en noodzakelijk is en tevens een echte dienst is die aan de gemeenschap wordt bewezen. Aan de katholieke ouders brengt zij de plicht in herinnering hun kinderen, wanneer en waar zij het kunnen, aan katholieke scholen toe te vertrouwen, deze scholen volgens hun vermogen te steunen en ermee samen te werken tot welzijn van hun kinderen. 
 
Aan dit beeld van de katholieke school moeten de scholen die op welke manier ook van de Kerk afhankelijk zijn zoveel mogelijk beantwoorden, hoewel een katholieke school volgens plaatselijke omstandigheden verschillende vormen kan aannemen. 
De Kerk heeft ook een speciale waardering voor de katholieke scholen die, vooral in nieuwe kerkelijke gebieden, ook door niet-katholieke leerlingen worden bezocht. 
Overigens moet bij het oprichten en organiseren van katholieke scholen rekening worden gehouden met de noodwendigheden van onze evoluerende tijd. 
Bovendien moeten niet alleen de scholen voor lager en middelbaar onderwijs, die de grondslag van de opvoeding uitmaken, blijvend worden verzorgd; ook dient veel belang te worden gehecht aan de scholen die in de huidige omstandigheden met bijzondere nadruk worden vereist, zoals de beroepsscholen en de technische scholen, de instellingen voor onderwijs aan volwassenen, de instituten voor maatschappelijk dienstbetoon, ook de scholen voor hen die wegens enige handicap bijzondere zorgen behoeven en de scholen tot opleiding van de leerkrachten voor het godsdienstonderwijs en voor andere vormen van onderwijs. 
De heilige kerkvergadering roept met aandrang de herders van de Kerk en alle christen gelovigen op om tot iedere prijs de katholieke scholen in het steeds trouwer vervullen van hun taak te helpen en vooral om te voorzien in de noden van hen die misdeeld zijn inzake tijdelijke goederen, of die verstoken zijn van de hulp en de genegenheid van het gezin, of die nog veraf zijn van de gave van het geloof. 
 
Evenzo omringt de Kerk met een bijzondere zorg de hogere scholen, voornamelijk de universiteiten en faculteiten. In die scholen die van haar afhankelijk zijn, streeft zij er zelfs door haar organisatie naar, dat de verschillende wetenschappen volgens eigen beginselen, eigen methode en eigen vrijheid van wetenschappelijk onderzoek zo worden, beoefend, dat gestadig een dieper begrip ervan wordt bereikt én, met inachtneming van de nieuwe problemen en onderzoekingen van de moderne tijd, steeds duidelijker wordt ingezien, hoe het geloof en 'de rede voor de ene waarheid' samenwerken, hierbij de voetstappen drukkend van de kerkleraren en vooral van de heilige Thomas van Aquino. 
Zo moge dan een als het ware openbare, standvastige en universele aanwezigheid van de christelijke gedachte tot stand worden gebracht in het gehele gebied van de bevordering van een hogere cultuur. Zo mogen de studenten in deze instellingen worden gevormd tot mensen die werkelijk uitblinken door wetenschap en die bereid zijn om de zwaardere taken in de maatschappij op zich te nemen en getuigen te zijn van het geloof in de wereld. 
In de katholieke universiteiten waar geen theologische faculteit bestaat, moet een theologisch instituut of een leerstoel voor theologie worden opgericht om ook aan lekenstudenten aangepaste colleges te kunnen geven. Daar de vooruitgang van de wetenschappen vooral te danken is aan de speciale onderzoekingen op hoger wetenschappelijk peil, moeten er in de katholieke universiteiten en faculteiten instituten worden opgericht die zich speciaal bezighouden met de bevordering van het wetenschappelijk onderzoek. 
De heilige kerkvergadering beveelt ten zeerste aan, dat er katholieke universiteiten en faculteiten komen die op passende wijze in de verschillende streken van de wereld zijn verspreid, en wel zo, dat zij niet door aantal, maar door wetenschapsbeoefening uitblinken; dat deze bereid zouden zijn om studenten toe te laten die begaafd zijn, ook al zijn ze minder bemiddeld, en voornamelijk degenen die uit de nieuwe naties tot hen komen. 
Aangezien het lot van de maatschappij en van de Kerk zelf nauw is verbonden met de voortgang van de jonge mensen die hogere studies doen, moeten de herders van de Kerk niet alleen een bijzondere zorg aan de dag leggen voor het geestelijk leven van de studenten die de katholieke universiteiten bezoeken. Bekommerd om de geestelijke vorming van al hun kinderen, moeten zij, na een noodzakelijke beraadslaging onder de bisschoppen, ervoor zorgen, dat ook bij de niet-katholieke universiteiten convicten en katholieke universitaire centra worden opgericht waarin priesters, religieuzen en leken, met zorg uitgezocht en gevormd, aan de universitaire jeugd een blijvende geestelijke en intellectuele hulp bieden. Meer begaafde jonge mensen echter, in katholieke of andere universiteiten, die geschikt blijken om te doceren en aan wetenschappelijk onderzoek te doen, moeten met speciale zorg worden opgeleid en aangemoedigd om het leraarsambt op zich te nemen. 
 
Van de activiteit van de faculteiten van de gewijde wetenschappen verwacht de Kerk zeer veel. Aan haar immers vertrouwt zij de zeer zware taak toe de eigen studenten niet alleen voor te bereiden tot de priesterlijke zielzorg, maar vooral tot het onderwijs in de hogere kerkelijke scholen of om de moeilijker taken van het intellectueel apostolaat te vervullen. De opdracht van deze faculteiten is het ook de verschillende gebieden van de gewijde wetenschappen verder te doorvorsen, om een steeds dieper inzicht in de heilige openbaringte verkrijgen en een ruimere verspreiding van het erfgoed van de christelijke wijsheid dat ons door de vaderen is overgeleverd, om de dialoog met onze gescheiden broeders en met de niet-christenen te bespoedigen en om een antwoord te geven op de problemen die door de vooruitgang van de wetenschappen worden gesteld. 
 
De vaders van het heilig concilie. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht