• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

De pastoraal van het huwelijk moet zich baseren op de waarheid

2/8/2020

 
Verschenen in POSITIEF nr. 442 – MEI 2014 

​Uit een weinig bekend geschrift van kardinaal Joseph Ratzinger, gepubliceerd in 1998. 
Over enkele bezwaren tegen de leer van de Kerk over het ontvangen van de eucharistische Communie door hertrouwde gescheiden gelovigen. 
 
ln 1998 introduceerde kardinaal Joseph Ratzinger, prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, het boekwerk getiteld 'Sulla pastorale dei divorziati risposati' ('Over de pastoraal van de hertrouwde gescheidenen'), gepubliceerd door Libreria Editrice Vaticana in een reeks van het dicasterie ("Documenti e Studi", 17) vanwege de actualiteit en de breedte. 
 
Getuige voor de kracht van de genade, 
 
De brief van de Congregatie voor de Geloofsleer over het ontvangen van de eucharistische Communie door hertrouwde gescheiden gelovigen van 14 september 1994 heeft een levendige weerklank gekregen in diverse delen van de Kerk. Naast vele positieve reacties werden ook niet weinige kritische stemmen gehoord. De belangrijkste bezwaren tegen de leer en de praktijk van de Kerk worden hieronder in een overigens vereenvoudigde vorm weergegeven. 
 
Enkele van de voornaamste bezwaren - vooral de verwijzing naar de veronderstelde flexibelere praktijk van de Kerkvaders, die de praktijk van de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken zou inspireren, alsook het beroep op de traditionele principes van de epikèiaen van de aequitas canonica - zijn diepgaand bestudeerd door de Congregatie voor de Geloofsleer. De artikelen van de professoren Pelland, Marcuzzi en Rodriguez Luno zijn in de loop van deze studie uitgewerkt. De voornaamste resultaten van het onderzoek, die de richting van een antwoord op de bezwaren aangeven, zullen hier op een even korte wijze worden samengevat. 
 
1 - Het Woord van Jezus 
 
Velen menen, daarbij enkele passages van het Nieuwe Testament aanvoerend, dat het woord van Jezus over de onontbindbaarheid van het huwelijk een flexibele toepassing zou toelaten en niet in een strikt juridische categorie ingedeeld zou mogen worden. Enkele exegeten benadrukken op een kritische wijze dat het Leergezag met betrekking tot de onontbindbaarheid van het huwelijk bijna uitsluitend één enkele perikoop zou citeren - namelijk Marcus 10, 11-12 - en andere passages van het Evangelie van Matteüs en van de eerste Brief aan de Korintiërs niet op voldoende wijze in beschouwing zou nemen. Deze Bijbelpassages zouden een soort "uitzondering" op het woord van de Heer over de onontbindbaarheid van het huwelijk vermelden, en wel in het geval van pornèia (Matt. 5, 32) (Matt. 19, 9) en in het geval van scheiding op grond van het geloof. (1 Kor. 7, 12-16) Deze teksten zouden aanwijzingen zijn dat de christenen in moeilijke situaties al in de apostolische tijd een flexibele toepassing van het woord van Jezus zouden hebben gekend. 
Op dit bezwaar moet worden geantwoord dat de documenten van het Leergezag niet bedoeld zijn om de Bijbelse fundamenten van de leer over het huwelijk op een volledige en uitputtende wijze te presenteren. Het Leergezag onderstreept echter dat de leer van de Kerk over de onontbindbaarheid van het huwelijk voortvloeit uit de trouw jegens het woord van Jezus. Jezus definieert de oudtestamentische praktijk van de scheiding duidelijk ais een gevolg van de hardheid van het menselijk hart. Hij verwijst terug - voorbijgaand aan de wet - naar het begin van de schepping, naar de wil van de Schepper, en herneemt zijn onderricht met de woorden: "Wat God derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden". (Marc. 10, 9) Met de komst van de Verlosser wordt het huwelijk dus teruggebracht tot zijn oorspronkelijke vorm vanaf de schepping en onttrokken aan menselijke willekeur - vooral de willekeur van de man, want voor de vrouw was er in werkelijkheid geen mogelijkheid tot scheiding. Het woord van Jezus over de onontbindbaarheid van het huwelijk is de overgang van de oude orde van de wet naar de nieuwe orde van het geloof en de genade. AIleen zo kan het huwelijk volledig recht doen aan Gods roeping tot liefde en menselijke waardigheid en een teken van het onvoorwaardelijke liefdesverbond van God worden, dat wil zeggen "Sacrament". 
 
De mogelijkheid tot scheiding die Paulus voorhoudt in 1 Korinthiërs 7 betreft huwelijken tussen een christelijke partner en een niet gedoopte. De verdere theologische overweging heeft duidelijk gemaakt dat alleen huwelijken tussen gedoopte "Sacrament" zijn in de strikte zin van het woord en dat de absolute onontbindbaarheid alleen geldt voor deze huwelijken die gesloten worden in de context van het geloof in Christus. Het zogeheten "natuurlijk huwelijk" heeft haar waardigheid op grond van de scheppingsorde en is dan ook gericht op de onontbindbaarheid, maar kan in bepaalde omstandigheden worden verbroken omwille van een hoger goed - in dit geval het geloof. Zo heeft de theologische systematisering de aanduiding van de heilige Paulus juridisch geclassificeerd als het privilegium paulinum, dat wil zeggen als de mogelijkheid een niet-sacramenteel huwelijk te ontbinden omwille van het goed van het geloof. De onontbindbaarheid van het werkelijk sacramenteel huwelijk blijft gewaarborgd; het gaat dus niet over een uitzondering op het woord van de Heer. Hier zullen we het straks nog over hebben. 
 
Betreffende het juist begrip van de clausules over pornèia bestaat er een uitgebreide literatuur met veel verschillende hypothesen, ook tegengestelde. Onder exegeten is er helemaal geen unanimiteit over deze kwestie. Velen menen dat het hier om ongeldige huwelijkse verbintenissen gaat en niet om uitzonderingen op de onontbindbaarheid van het huwelijk. In ieder geval kan de Kerk haar leer en praktijk niet bouwen op onzekere exegetische hypothesen. Zij moet zich houden aan het duidelijk onderricht van Christus. 
 
2 - De Kerkvaders 
 
Anderen werpen op dat de patristische overlevering ruimte zou laten voor een meer gedifferentieerde praktijk, die meer recht zou doen aan moeilijke situaties; de Katholieke Kerk zou in dit opzicht kunnen leren van het principe van "economie" van de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken.
 
Men beweert dat het huidig Leergezag alleen steunt op één ader van de patristische overlevering, maar niet op heel het erfgoed van de oude Kerk. Hoewel de Kerkvaders zich duidelijk aan het leerstellig principe van de onontbindbaarheid van het huwelijk hielden, hebben enkele van hen op het vlak van de pastorale zorg een zekere flexibiliteit toegelaten met betrekking tot individuele moeilijke situaties. Op grond hiervan zouden de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken later, naast het principe van de akribia - de trouw aan de geopenbaarde waarheid -, dat van de oikonomia - de welwillende genadigheid in individuele moeilijke situaties - hebben ontwikkeld. Zonder de leer van de onontbindbaarheid van het huwelijk te verwerpen, zouden zij in bepaalde gevallen een tweede en ook een derde huwelijk toestaan, dat overigens anders is dan het eerste sacramenteel huwelijk en wordt gekenmerkt door een boetekarakter. Deze praktijk zou nooit uitdrukkelijk veroordeeld zijn door de Katholieke Kerk. De Bisschoppensynode van 1980 zou hebben gesuggereerd deze overlevering diepgaand te bestuderen, om de barmhartigheid van God meer te laten stralen. 
 
De studie van pater Pelland toont de richting waarin het antwoord op deze kwesties gezocht moet worden. Voor de interpretatie van de afzonderlijke patristische teksten blijft de historicus natuurlijk competent. Vanwege de moeilijke tekstuele situatie zullen de controverses ook in de toekomst niet verstommen. Vanuit theologisch oogpunt moet gezegd worden: 
 
a. Er bestaat een duidelijke consensus van de Kerkvaders wat betreft de onontbindbaarheid van het huwelijk. Aangezien deze voortvloeit uit de wil van de Heer, heeft de Kerk op dit punt geen enkele macht. Juist hierom was het christelijk huwelijk vanaf het begin anders dan het huwelijk van de Romeinse beschaving, ook al bestond er in de eerste eeuwen nog geen echt canoniek systeem. De Kerk van de tijd van de Kerkvaders sluit scheiding en nieuwe huwelijken duidelijk uit, en dit uit trouwe gehoorzaamheid aan het Nieuwe Testament. 
 
b. In de Kerk van de tijd van de Kerkvaders werden de hertrouwde gescheiden gelovigen nooit officieel toegelaten tot de heilige Communie na een tijd van boetedoening. Aan de andere kant is het waar dat de Kerk concessies op dit gebied in bepaalde landen niet altijd streng heeft herroepen, ook al werden ze als niet verenigbaar met de leer en de discipline gekwalificeerd. Het lijkt ook waar dat enkele Kerkvaders, bijvoorbeeld Leo de Grote, "pastorale" oplossingen zochten voor zeldzame grensgevallen. 
 
c. Later kwam het tot twee tegengestelde ontwikkelingen: 
 
- In de keizerlijke Kerk na Constantijn zocht men ten gevolge van de steeds sterkere verstrengeling van staat en Kerk naar een grotere flexibiliteit en openheid voor het compromis in moeilijke huwelijkssituaties. Tot aan de Gregoriaanse hervorming werd een dergelijke tendens ook in de Gallische en Germaanse omgeving gezien. In de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken duurde deze ontwikkeling langer voort, tot in het tweede millennium, en leidde ze tot een steeds vrijere praktijk. Vandaag bestaat er in veel Oosterse Kerken een reeks van redenen voor scheiding, zelfs al een "theologie van de scheiding", die op geen enkele wijze te rijmen valt met het woord van Jezus over de onontbindbaarheid van het huwelijk. In de oecumenische dialoog moet dit probleem absoluut aangepakt worden. 
 
- In het Westen werd het oorspronkelijk concept van de Kerkvaders dankzij de Gregoriaanse hervorming hersteld. Deze ontwikkeling kreeg in zekere zin goedkeuring in het Concilie van Trente en werd opnieuw naar voren gebracht als leer van de Kerk in het Tweede Vaticaans Concilie. 
 
De praktijk van de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken, die het gevolg is van een complex historisch proces, van een steeds vrijere - en zich steeds verder van het woord van de Heer verwijderende - interpretatie van enkele duistere patristische passages, alsmede van een niet te verwaarlozen invloed van de burgerlijke wetgeving, kan om leerstellige redenen niet worden aangenomen door de Katholieke Kerk. Wat dit betreft is het niet juist te zeggen dat de Katholieke Kerk de Oosterse praktijk gewoon zou hebben getolereerd. Zeker, Trente heeft geen enkele formele veroordeling uitgesproken. De middeleeuwse kerkrechtskundigen spraken er desalniettemin voortdurend over ais over een ongeoorloofde praktijk. Bovendien zijn er getuigenissen volgens welke groepen orthodoxe gelovigen die katholiek werden een geloofsbelijdenis met een uitdrukkelijke vermelding van de onmogelijkheid van een tweede huwelijk moesten ondertekenen. 
 
3 - Een externe rechtbank 
 
Velen stellen voor uitzonderingen op de kerkelijke norm toe te laten op basis van de traditionele uitgangspunten van de epikèia en van de aequitas canonica. 
 
Sommige huwelijkszaken, zo zegt men, kunnen niet in een extern forum worden gereguleerd. De Kerk zou niet alleen mogen verwijzen naar juridische normen, maar zou ook het individueel geweten moeten respecteren en tolereren. De traditionele doctrines van de epikèia en de aequitas canonica zouden vanuit het oogpunt van de moraaltheologie ofwel vanuit juridisch oogpunt een gewetensbeslissing die afwijkt van de algemene norm kunnen rechtvaardigen. Vooral in de kwestie van het ontvangen van de Sacramenten zou de Kerk hier stappen voorwaarts moeten doen en de gelovigen niet alleen verbodsbepalingen moeten bieden. 
 
De twee bijdragen van Don Marcuzzi en Professor Rodrfguez Luno lichten dit problematische geheel toe. Hierin moeten duidelijk drie terreinen van vraagstukken worden onderscheiden: 
 
a. Epikèia en aequitas zijn van groot belang op het terrein van de menselijke en puur kerkelijke normen, maar kunnen niet worden toegepast op het terrein van normen waarover de Kerk geen enkele beoordelingsbevoegdheid heeft. De onontbindbaarheid van het huwelijk is één van deze normen die afkomstig zijn van de Heer Zelf en daarom normen "van goddelijk recht" worden genoemd. Evenmin kan de Kerk pastorale praktijken - bijvoorbeeld in de pastoraal van de Sacramenten - goedkeuren die het duidelijk gebod van de Heer zouden tegenspreken. Met andere woorden: als het voorafgaande huwelijk van hertrouwde gescheiden gelovigen geldig was, kan hun nieuwe verbintenis onder geen enkele omstandigheid ais in overeenstemming met het recht worden beschouwd, en is een ontvangen van de Sacramenten om intrinsieke redenen niet mogelijk. Het geweten van het individu is strikt aan deze norm gebonden. 
 
b. De Kerk heeft daarentegen de bevoegdheid te verklaren aan welke voorwaarden moet worden voldaan opdat een huwelijk volgens het onderricht van Jezus ais onontbindbaar kan worden beschouwd. In de lijn van de Paulinische uitspraken in 1 Korintiërs 7 heeft zij vastgesteld dat alleen twee Christenen een sacramenteel huwelijk kunnen sluiten. Zij heeft de juridische vormen van het privilegium paulinum en het privilegium petrinum ontwikkeld. Met verwijzing naar de clausule over pornèia in Matteüs en in Handelingen 15, 20 werden huwelijksbeletsels geformuleerd. Bovendien werden redenen voor nietigheid van het huwelijk steeds duidelijker vastgesteld en werden de gerechtelijke procedures in ruime mate ontwikkeld. Dit alles droeg bij aan het definiëren en preciseren van het concept onontbindbaar huwelijk. Men zou kunnen zeggen dat op deze manier ook in de Westerse Kerk ruimte werd gegeven aan het principe van de oikonomia, zonder nochtans de onontbindbaarheid van het huwelijk ais zodanig aan te tasten. 
 
In deze lijn ligt ook de laatste juridische ontwikkeling in de Codex van het Canoniek Recht (Codex luris Canonici) van 1983, volgens welke ook de verklaringen van de partijen bewijskracht hebben. Daarmee lijkt volgens het oordeel van bevoegde personen het bestaan van zaken waarin een ongeldig huwelijk niet als zodanig via gerechtelijke weg aantoonbaar zou zijn automatisch vrijwel uitgesloten. Aangezien het huwelijk in essentie een publiek-kerkelijk karakter heeft en het basisprincipe nemo iudex in propria causa ("Niemand is rechter in zijn eigen zaak") geldt, moeten de huwelijkskwesties in een externe rechtbank worden opgelost. Indien hertrouwde gescheiden gelovigen menen dat hun voorgaand huwelijk nooit geldig geweest is, zijn ze daarom verplicht zich tot de bevoegde kerkelijke rechtbank te wenden, die het probleem objectief en met de toepassing van alle beschikbare juridische mogelijkheden zal moeten onderzoeken. 
 
c. Het is zeker niet uitgesloten dat in huwelijksprocessen fouten optreden. In enkele delen van de Kerk bestaan er nog geen kerkelijke rechtbanken die goed functioneren. Soms duren processen buitensporig lang. In enkele gevallen eindigen ze met problematische uitspraken. Hier lijkt de toepassing van de epikèia in een "interne rechtbank" in principe niet uitgesloten. In de brief van de Congregatie voor de Geloofsleer van 1994 wordt hier melding van gemaakt, wanneer wordt gezegd dat met de nieuwe canonieke wegen elke kloof tussen de in het proces verifieerbare waarheid en de objectieve waarheid "zo veel mogelijk" uitgesloten zou moeten worden. 
Veel theologen zijn van mening dat de gelovigen zich ook in hun "forum internum" absoluut zouden moeten houden aan de in hun ogen verkeerde oordelen van de rechtbank. Anderen menen dat er hier in een "forum internum" uitzonderingen denkbaar zijn, omdat het in de processuele orde niet zou gaan om normen van goddelijk recht, maar om normen van kerkelijk recht. Deze vraag vereist echter meer studie en verheldering. Er zou immers op een heel precieze wijze moeten worden verduidelijkt wat de voorwaarden zijn voor het zich voordoen van een "uitzondering", met het oog op het vermijden van misbruik en het beschermen van het publiek karakter - dat los staat van het subjectieve oordeel - van het huwelijk. 
 
4 - Het Tweede Vaticaans Concilie 
 
Velen beschuldigen het huidig Leergezag van involutie ten opzichte van het Leergezag van het Concilie en van het voorstellen van een preconciliaire visie van het huwelijk. 
 
Enkele theologen zeggen dat er aan de nieuwe documenten van het Leergezag over de vraagstukken van het huwelijk een naturalistische, legalistische opvatting van het huwelijk ten grondslag zou liggen. De nadruk zou gelegd zijn op het contract tussen de echtgenoten en op het ius in corpus. Het Concilie zou dit statisch begrip hebben achterhaald en het huwelijk op een meer personalistische wijze beschreven hebben ais een verbond van liefde en leven. Zo zou het opening hebben gegeven aan mogelijkheden om moeilijke situaties op een menselijkerwijze op te lossen. Deze gedachtelijn uitwerkend stellen enkele geleerden de vraag of men niet zou kunnen spreken van een "dood van het huwelijk" wanneer de persoonlijke liefdesband tussen de twee echtgenoten niet meer bestaat. Anderen brengen de oude vraag naar voren of de Paus in zulke gevallen niet de mogelijkheid heeft het huwelijk te ontbinden. 
 
Wie de recente kerkelijke uitspraken echter aandachtig leest, zal erkennen dat deze zich in de centrale verklaringen baseren op Gaudium et Spes en met volkomen personalistische kenmerken de leer die in het Concilie is vervat verder ontwikkelen op het spoor dat door het Concilie is aangegeven. Het is echter inadequaat een tegenstelling tussen de personalistische en de juridische visie van het huwelijk te introduceren. Het Concilie heeft niet gebroken met de traditionele opvatting van het huwelijk, maar heeft haar verder ontwikkeld. Wanneer bijvoorbeeld voortdurend wordt herhaald dat het Concilie het strikt juridische concept "contract" heeft vervangen door het bredere en theologisch diepere concept "verbond", mag men in dit verband niet vergeten dat ook het "verbond" het element "contract" bevat, ook al is het in een breder perspectief geplaatst. Dat het huwelijk veel verder gaat dan het puur juridisch aspect en verzonken is in de diepten van het menselijke en in het mysterie van het goddelijke, is in feite altijd al gezegd met het woord "Sacrament", maar het is zeker vaak niet benadrukt met de duidelijkheid die het Concilie aan deze aspecten heeft gegeven. Het recht is niet het geheel, maar een onmiskenbaar deel, een dimensie van het geheel. Er bestaat geen huwelijk zonder wettelijke voorschriften die het invoegen in een wereldomvattend geheel van maatschappij en Kerk. Als de herschikking van het recht na het Concilie ook het terrein van het huwelijk aanroert, dan is dit geen verraad van het Concilie, maar uitvoering van de opdracht ervan. 
 
Als de Kerk de theorie zou accepteren dat een huwelijk dood is wanneer de twee echtgenoten niet meer van elkaar houden, dan zou ze hiermee de scheiding goedkeuren en de onontbindbaarheid van het huwelijk alleen nog verbaal onderschrijven, maar feitelijk niet meer. De mening volgens welke de Paus een geconsumeerd sacramenteel huwelijk dat onherstelbaar mislukt is eventueel zou kunnen ontbinden, moet daarom worden gekwalificeerd als onjuist. Een dergelijk huwelijk kan door niemand worden ontbonden. In de huwelijksviering beloven de echtgenoten elkaar trouw tot de dood. 
 
Verdere diepgaande studies zijn echter nodig over de vraag of niet-gelovige christenen - gedoopte die nooit in God hebben geloofd of niet meer in God geloven - werkelijk een sacramenteel huwelijk kunnen sluiten. Met andere woorden: er zou verduidelijkt moeten worden of elk huwelijk tussen twee gedoopte werkelijk ipso facto een sacramenteel huwelijk is. Ook het Wetboek vermeldt feitelijk dat alleen het "geldig" huwelijkscontract tussen gedoopte tegelijkertijd sacramenteel is. 
Het geloof behoort tot de essentie van het Sacrament; de juridische vraag welk bewijs van "geen geloof" tot gevolg zou hebben dat een Sacrament niet plaatsvindt, moet nog verhelderd worden. 
 
5 - Een pastorale houding 
 
Velen beweren dat de houding van de Kerk in de kwestie van de hertrouwde gescheiden gelovigen eenzijdig normatief en niet pastoraal is. 
 
Een reeks kritische bezwaren tegen de leer en praktijk van de Kerk betreft problemen van pastorale aard. Men zegt bijvoorbeeld dat de taal van de kerkelijke documenten te wettisch is, dat de hardheid van de wet de overhand zou hebben over het begrip voor dramatische menselijke situaties. De mens van vandaag zou dergelijke taal niet meer kunnen begrijpen. Jezus zou een open oor hebben gehad voor de noden van de mensen, vooral voor degenen aan de rand van de samenleving. De Kerk zou zich daarentegen vooral een rechter betonen, die gewonde personen van de Sacramenten en van bepaalde openbare functies uitsluit. 
 
Er kan zonder meer toegegeven worden dat de uitdrukkingsvormen van het kerkelijk Leergezag soms niet echt ais gemakkelijk te begrijpen overkomen. Deze moeten door predikanten en catechisten worden vertaald in een taal die aansluit bij de verschillende personen en hun culturele omgeving. De essentiële inhoud van kerkelijk Leergezag ter zake moet echter gehandhaafd worden. Deze mag niet om veronderstelde pastorale redenen afgezwakt worden, omdat deze de geopenbaarde waarheid overbrengt. Het is zeker moeilijk om de eisen van het Evangelie voor de geseculariseerde mens begrijpelijk te maken. Maar deze pastorale moeilijkheid mag niet leiden tot compromissen met de waarheid. Johannes Paulus Il heeft in zijn Encycliek Veritatis Splendor de zogeheten "pastorale" oplossingen, die contrasteren met de verklaringen van het Leergezag, duidelijk verworpen. 
 
Wat betreft het standpunt van het Leergezag over het probleem van de hertrouwde gescheiden gelovigen, moet bovendien worden benadrukt dat de recente documenten van de Kerk de eisen van de waarheid op een heel evenwichtige manier verbinden met die van de liefde. Ais in het verleden in de presentatie van de waarheid de liefde soms misschien niet voldoende naar voren kwam, is vandaag echter het gevaar groot dat de waarheid wordt verzwegen of gecompromitteerd uit naam van de liefde. Het woord van de waarheid kan zeker pijn doen en onaangenaam zijn. Maar het is de weg naar genezing, naar vrede, naar innerlijke vrijheid. Een pastoraal die de mensen werkelijk wil helpen, moet zich altijd baseren op de waarheid. Alleen wat waar is kan uiteindelijk ook pastoraal zijn. "Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken". (Joh. 8, 32) 
 
Kardinaal Joseph Ratzinger 
Prefect van de Congregatie voor het Geloof 
nu Paus emeritus Benedictus XVI. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht