• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Wat is ons lot na de dood?

2/6/2019

 
Verschenen in POSITIEF nr. 456 – NOVEMBER 2015

De dood hoort bij het leven en toch kunnen wij er zo moeilijk een plaats aan geven. Hij is een spelbreker, een muur waartegen wij aanbotsen. De dood drukt ons telkens weer met onze neus op de harde werkelijkheid, dat ook ons leven vergankelijk is en eens een einde zal nemen. We kunnen het leven niet vasthouden, het ontglipt ons uiteindelijk als zand tussen de vingers. Hoe wij het ook draaien of keren, onze dagen zijn geteld en ons leven is begrensd.
'De dood is de enige zekerheid, die we hebben' hoor je wel eens zeggen. Niets in ons leven is zo zeker als de dood. Overlijdensberichten en kerkhoven spreken een duidelijke taal., Velen van ons worden niet graag aan die waarheid herinnerd. Dat we zelf ook eens zullen sterven, daaraan denken we liever niet. Toch kunnen we de gedachte aan de dood niet blijvend van ons wegduwen. En maar goed ook. Het doet ons nadenken over de zin en de betekenis van ons bestaan.
 
Wie bewust in het leven staat en er dieper over nadenkt zal vlug merken, dat wij op heel wat fundamentele vragen geen antwoord hebben: het mysterie van het lijden, de realiteit van goed en kwaad, de oorsprong en de bestemming van al het geschapene. Hoe kan dit al in het leven zijn geroepen om dan vervolgens te verdwijnen? Heeft de wereld dan genoeg aan zichzelf?
In het diepst van zijn hart wordt ieder mens voortgedreven door de drang naar leven. Alles wat de mens doet komt hieruit voort. Kan de Schepper zo'n geweldige levensdrang in de mens gelegd hebben, als die nooit zijn vervulling kan bereiken? In dit leven worden onze verwachtingen en verlangens slechts ten dele ingelost. Steeds zullen we blijven zitten met een stuk onvoldaanheid, een gevoel van onafheid. Wanneer nu het leven zou eindigen met de dood, dan is de mens werkelijk 'une passion inutile', wat in tegenstrijd zou zijn met het wezen zelf van de mens. Er is in ons iets dat hiertegen in verzet komt en ons doet geloven in een werkelijkheid, die groter is dan de mens en de wereld. Sint-Augustinus drukt deze diepmenselijke ervaring uit als volgt: 'Gij hebt ons geschapen voor U, God, en onrustig blijft ons hart totdat het rust in U'.
 
Hiernamaals
 
Op het leven volgt de dood, daar is iedereen het over eens. Maar wat gebeurt daarna? Ofwel verzinkt de mens met heel zijn leven en zijn werk in de afgrond van de dood en heeft zijn leven voor anderen misschien wel zin gehad, maar houdt het voor hem persoonlijk op. Ofwel is het leven sterker dan de dood en is een toekomst voor de mens over de dood heen.
Zolang de wereld bestaat zijn er mensen geweest, die getuigden van hun geloof in een hiernamaals. Evenzeer zijn er steeds mensen geweest, die daar niet hebben in geloofd. Zij zeggen: met de dood is 't gedaan, dood is dood, amen en uit! Volgens hen komt het eropaan 'nu' te leven, 'nu' van het leven te genieten. Wat telt is niet het hier-na-maals, maar wel het hier-nu-maals. We moeten niet wachten op wat komt. We moeten niet leven in functie van de hemel later, maar ervoor zorgen dat we nu reeds de hemel op aarde hebben. Die hemel wordt dan meestal opgevat volgens wereldse maatstaven, waar men zichzelf centraal stelt en tot norm neemt.
De gevolgen van dit puur aardse denken worden steeds meer voelbaar. De mens die de hemel heeft verloren, put de aarde uit, plundert de aarde, slokt haar langzaam opgebouwde schatten binnen de kortste keren op. Niet zelden eindigt zulk een wereld in een jungle van 'ieder voor zich' en waar het recht geldt van de sterkste. De meest kwetsbaren in deze wereld zijn daarvan de dupe en voelen zich niet langer veilig. Vandaar bijvoorbeeld de eindeloze stroom van vluchtelingen, die vandaag radeloos op zoek zijn naar betere oorden.
Wanneer wij zouden beseffen dat alles in het leven ons gegeven is, zouden we meer behoedzaam met de aarde omgaan. Wij hebben de aarde van God in bruikleen gekregen en zijn hier op aarde slechts mensen onderweg, die de aarde weer moeten loslaten en doorgeven - zo goed mogelijk - aan een nieuwe generatie i.p.v. haar te verslinden of te plunderen alsof we de laatsten zijn! Intussen echter is religie als zingever van het leven niet langer relevant, wat dan ook zijn consequentie heeft op ons leven en samenleven hier op aarde. Bovendien is daardoor voor heel wat mensen elk perspectief verdwenen op een toekomst, die verder reikt dan dit aardse leven.
Voor gelovigen daarentegen houdt het leven niet op met de dood. Of zoals het ons steeds geleerd werd: de mens bestaat uit een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke ziel. Onze stoffelijke resten worden bij de dood organisch opgenomen in de aarde of verbrand in het crematorium en zullen vergaan. Maar de Kerk houdt vast 'aan het voortduren en aan de subsistentie van een geestelijk element, dat met bewustzijn en wil begiftigd is' (Katholieke Catechismus, 406). Wij noemen dit 'de ziel', waarin de mens zijn unieke 'ik' vindt, zijn persoon, zijn zelf. Het gaat hier niet om onze lichamelijke, zintuiglijke of psychische functies, maar om een transcendente werkelijkheid die ons in staat stelt in relatie te treden met de anderen, met onze omgeving, met God en wel in vrijheid en verantwoordelijkheid. Een zijnswijze dus met een bepaalde intentionaliteit, een gericht staan op, een streven. We 'hebben' niet zozeer een ziel, we 'zijn' vooral ziel en onderscheiden ons daardoor van de andere schepselen. Jezus zelf zinspeelde hierop, toen Hij zei: 'Want wat zou het de mens baten zo hij de hele wereld won en aan zijn ziel schade leed?' (Me. 8,36) Bij de dood wordt de ziel niet gescheiden van ons stoffelijk, fysiek lichaam om terug te keren in een andere vorm of in een ander levend wezen, zoals in de reïncarnatieleer van sommige godsdiensten wordt voorgehouden. Volgens deze leer zou een mens na zijn dood zijn leven voortzetten in een ander leven en dan weer, en nogmaals, tot een soort uitdoven van de persoon in het Nirwana. Een christen gelooft niet in een 'zielsverhuizing' of in een cyclus van eeuwig herbeginnen, maar in een voortbestaan van de mens die we hier op aarde waren. We blijven wie we zijn: dezelfde persoon, hetzelfde individu. En zo zullen we elkaar ooit terug ontmoeten en kunnen wij bij elk sterven 'tot ziens' zeggen, of beter 'tot altijd' .. Nu brengt dat wel weer de vraag met zich mee of we elkaar nog zullen herkennen?
Jezus vertelt op een bepaald moment een gelijkenis over een rijke man en een arme sloeber genaamd Lazarus. Van de rijke man wordt ons verteld dat hij na zijn dood in de hel komt en van daaruit Abraham en Lazarus herkent die in de hemel zijn. Blijkbaar is er dus herkenning. Wel moeten wij ons realiseren, dat de herkenning van elkaar in een totaal andere context zal plaatsvinden. Vanuit dit geloof zullen we ons aardse leven vol vertrouwen en in overgave uit handen geven, in het besef 'dat God het leven niet van ons afneemt, maar het nieuw maakt en dat Jezus al een plaats voor ons heeft bereid in Gods huis om daar voorgoed te wonen' (prefatie voor de overledenen). Dit geloof werpt een heel ander licht op de macht van de dood. Wat door velen beschouwd wordt als een val in de duisternis en de vergetelheid, is voor een gelovige thuiskomen bij God.
Deze gedachte kan heel wat troost bieden, wanneer wij te maken krijgen met het overlijden van een geliefde. Te weten namelijk dat alles wat onze overledene aan geluk, aan vreugde, goedheid en liefde in zijn leven verzameld heeft, voor eeuwig blijft. Is dit niet een geweldige geloofswaarheid: onze overledene neemt heel zijn leven mee naar God; niets wordt hem in de dood afgenomen, niets gaat verloren; alles wordt zelfs geheeld en doorstraald van Gods heerlijkheid. Juist dan begint onze overledene ten volle te leven, want zijn onrustig hart zal rust vinden bij God en zijn leven zal niet meer getekend zijn door lijden of dood. Heel die levensdrang die de mens op aarde heeft voortgestuwd, is alzo een heimwee naar eeuwig leven bij God.
 
Voltooiing of volheid van leven. Voor de christen is de dood dus geen ondergang, maar doorgang of overgang naar nieuw leven. Hij gelooft in de voltooiing van zijn leven door God. Op het moment zelf van de dood zal hij in een oogwenk 'de film van zijn leven' terugzien, maar dan in Gods licht en vanuit Zijn liefde. Wanneer de mens het licht van de eeuwigheid binnentreedt, ziet hij in alle duidelijkheid waartoe God hem geroepen heeft en anderzijds ziet hij even scherp wat hij er als mens 'maar' van terecht gebracht heeft. Dit is een pijnlijke confrontatie: de confrontatie tussen de heiligheid van God en het schuldig menselijk onder-de-maat-blijven, tussen de totaal-gevende-liefde van God en de eigenliefde, het egoïsme van de mens. Men ervaart op pijnlijke wijze zijn onaf-zijn, zijn onaangepastheid om bij God zijn intrek te nemen. Het is een pijn van schaamte om zoveel goedheid, die men vrijwillig heeft teleurgesteld. Deze pijn kan louterend werken in die zin, dat zij de mens stimuleert tot een hernieuwde en definitieve keuze voor God. Daardoor scheurt hij zich los van alles wat in zijn leven tegen Gods wil is geweest, wat vanzelfsprekend veel pijnlijker zal zijn voor iemand die opzettelijk tegen de liefde zondigde dan voor iemand die bv. alleen maar moet erkennen dat hij meer had kunnen doen dan hij in feite gedaan heeft. In analogie met het 'hellevuur' is men hier gaan spreken over een 'vagevuur'. Je zou dit vagevuur (veeg-vuur) kunnen zien als een opgang naar God, waarbij de zonden worden 'weggeveegd' onder de blik van Zijn barmhartigheid. Het is als een louterend vuur, dat ons totaal omvormt tot wie we eigenlijk hadden kunnen en moeten zijn: één en al liefde. De vraag kan hierbij gesteld worden of het zin heeft voor onze overledenen te bidden? Het is moeilijk onze Kerkgemeenschap in te denken zonder het gebed voor hen die ons zijn voorgegaan. We staan hier voor een eeuwenoude praktijk. Dit wijst op een dieper geloofsweten, dat het op elkaar betrokken zijn van mensen met de dood geen einde neemt. De draden van verbondenheid die er waren worden niet doorgeknipt, maar blijven. Dit is wat bedoeld wordt met het begrip 'de gemeenschap der heiligen'. Voor wie gelooft zijn de grenzen tussen dit aardse leven en de overzijde niet ondoordringbaar. Daarom geloven wij dat Gods barmhartigheid ons binnen de 'gemeenschap van de heiligen' ook bereikt na de dood. Wij vragen God, dat onze verbondenheid met onze overledenen door ons bidden en goede werken hun louteringsproces zou bevruchten en bespoedigen. Onze solidariteit met hen in het gebed is uitermate belangrijk. Zij rekenen op ons! Zo heeft de Kerk sinds alle eeuwen ook in het hart van de H. Eucharistie een memento voor de overledenen ingelast: 'Gedenk, Heer, onze broeders en zusters die door de dood van ons zijn heengegaan en leven in de verwachting van de verrijzenis. Gedenk alle mensen die gestorven zijn en neem hen op in het licht van Uw gelaat'. Deze gebedspraktijk voor de overledenen vindt ook steun in de heilige Schrift: 'Daarom liet hij (Judas de Makkabeeër) voor de overledenen een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonden zouden worden vrijgesproken'. (2 Makk. 12,45)
Zij die geheeld zijn door Gods barmhartigheid zullen volledig doorstraald worden van Zijn heerlijkheid. Maar zij die leefden in 'doodzonde' zullen zich afwenden van Gods licht en liefde. Zij zullen voor eeuwig blijven in het 'dodenrijk', in duisternis en vergetelheid. M.a.w. het destructieve en volgehouden kwaad heeft geen toekomst.
 
Verrijzenis van het lichaam
 
Als wij geloven dat onze gehele persoon wordt opgenomen in Gods liefde, dan is dat ook op een of andere manier in verbondenheid met ons lichaam. Ook in onze lichamelijkheid immers communiceren wij met God en dit maakt ons lichaam heilig. Daarom betonen wij eerbied tegenover het lichaam van de overledene en krijgt het een plaats, wanneer wij ons in gebed verenigen rond hem of haar tijdens de uitvaartdienst. 'Christus zal ons armzalig lichaam herscheppen en het gelijkvormig maken aan Zijn verheerlijkt lichaam'. (Fil. 3,21) Dat wil onze geloofsbelijdenis met de 'verrijzenis van het lichaam' uitdrukken. 'Op de dag van de Wederopstanding zullen allen verrijzen met hun eigen lichamen, die zij thans hebben', zo verkondigde het vierde Lateraans Concilie (1215). Dit komt overeen met het woord van Sint-Paulus die zegt, dat 'dit vergankelijke met onvergankelijkheid bekleed moet worden en dit sterfelijke met onsterfelijkheid' (1 Kor. 15,53). Er is hier sprake van een 'vergeestelijkt lichaam' zoals dit van de verrezen Heer, waarmee Hij aan Zijn leerlingen verscheen. Alleen Maria is reeds met lichaam en ziel in Gods heerlijkheid opgenomen. Daardoor is zij voor ons een 'teken van hoop' en 'oorzaak onzer blijdschap', want in haar zien wij reeds verwezenlijkt wat ook ons allen te wachten staat. Onze verrijzenis is een deelname aan de verrijzenis van Christus. Alleen Hij kan met recht zeggen: 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Al wie in Mij gelooft leeft, ook al is hij gestorven'. Hij heeft immers de dood overwonnen en heeft de macht om onvergankelijk leven te schenken aan alle mensen. Dit nu gebeurt a.h.w. in drie fasen. Reeds op aarde hebben wij deel aan Zijn verheerlijkt Lichaam door de sacramenten en vooral door de H. Eucharistie. Bij onze dood worden wij er vervolgens helemaal in opgenomen tot Hij 'alles in allen' zal zijn. En tenslotte zal deze heerlijkheid zich ten volle openbaren bij de verrijzenis van ons eigen lichaam op het einde van de tijden, bij Zijn wederkomst. Het zal 'het uur' zijn, 'waarop allen die in de graven zijn - rechtvaardigen en onrechtvaardigen - de stem van de Mensenzoon zullen horen. Dan zullen zij die het goede deden eruit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden tot de opstanding ten oordeel'. (Joh. 5,28-29)
 
Laatste Oordeel
 
Het Laatste Oordeel zal plaatshebben bij de glorievolle wederkomst van Christus. De Vader alleen kent het uur en de dag. Hij alleen bepaalt wanneer dit zal gebeuren. Door Zijn Zoon Jezus Christus zal Hij dan zijn definitief woord spreken over heel de geschiedenis. Wij zullen de uiteindelijke betekenis van heel het scheppingswerk en heel de heilseconomie kennen en wij zullen de wonderbare wegen begrijpen, waarlangs Zijn voorzienigheid alles naar zijn einddoel geleid zal hebben. Het Laatste Oordeel zal openbaren dat Gods rechtvaardigheid zegeviert over alle onrecht, bedreven door Zijn schepselen, en dat Zijn liefde sterker is dan de dood.
Alle mensen zullen dus voor de rechterstoel van Christus verschijnen om verantwoording af te leggen over hun eigen daden. 'Dan komt Christus in Zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen" Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan Zijn rechterhand, maar de bokken aan Zijn linker. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven'. (Mt. 25,31-33.46) Het oordeel, dat Christus over ons uitspreekt, loopt dus uit op een tweevoudige mogelijkheid: 'Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld' (Mt. 25,34) of 'Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten'. (Mt. 25,41)
Een andere mogelijkheid is er niet. Men staat in Gods liefde of men plaatst er zich buiten. Dat is het ultieme doel van God: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont en waaraan geen einde meer komt. (Apoc. 21,1) Daar zullen we zijn zoals God het voor ogen had. Geen gebrek meer, geen gebrokenheid meer, vol van liefde. Hoe moeten we ons de hemel voorstellen? Natuurlijk kunnen we ons geen beeld vormen van het bestaan aan de andere zijde, waarbij de mens ontheven is aan tijd en ruimte. 'Geen oog heeft gezien, geen oor heeft het gehoord, geen mens kan het zich voorstellen wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben'. (1 Kor. 2,9) Toch zouden we de hemel kunnen omschrijven als een blijvend en vreugdevol samenzijn met God en in Hem met allen die Hem liefhebben. Wij zullen Hem zien van aangezicht tot aangezicht. Ons leven eindigt dus bij God, bij de gemeenschap met de Vader, de Zoon en de heilige Geest. De gemeenschap van volmaakte liefde, waarin wij worden opgenomen en waardoor wij het volle leven zullen vinden. Ook zal onze uiteindelijke lotsbestemming, die ligt bij God, voor ieder verschillend zijn. In het huis van de Vader zijn vele woningen! De Schrift spreekt over de hemel als 'het paradijs' (Lc. 23,43), 'het nieuwe Jeruzalem' (Apoc. 21,2) of vergelijkt de hemel met de vreugde bij een feestmaal. Alleen zal onze gelukservaring geen verzadigingspunt bereiken en zal deze eeuwig blijven duren. Toch mogen we de eeuwigheid niet denken in het verlengde van de tijd. Eeuwigheid is niet hetzelfde als altijd. Het is eerder geen besef meer hebben van tijd. Een idee van 'eeuwigheid' hebben we als we intens opgaan in iets, zalig genieten, weg zijn van iets of iemand. In de liefde proeft men eeuwigheid! Is de hemel louter liefde, niets anders meer zijn en niets anders meer kunnen dan beminnen, dan is de hel juist het tegenovergestelde: de totale en blijvende onmacht en onwil om lief te hebben. De onvoorstelbare pijn die dit veroorzaakt wordt gesuggereerd in de Schrift door de beeldspraak van het 'hellevuur' (Mt. 18,8; 25,41 - Mc. 9,43.47-48 - Lc. 16,24 e.a.) en het 'geween en tandengeknars'. (Mt. 8,12; 22,13; 25,30) Tot zeventig maal toe noemt de Schrift de straf van de hel 'een vuur'. Men had hiervoor evengoed andere beelden kunnen kiezen zoals 'ijskoude eenzaamheid' of 'totale verlorenheid' als omschrijving van het opgesloten zijn in het eigen 'ik' of de vervreemding van de Grond van ons bestaan. Het betekent zoveel als de geestelijke dood, de 'zielsdood'. 
 
Hierover spreken is vandaag geen populaire boodschap en veel mensen ontkennen het bestaan van de hel. Maar Jezus zelf is er heel stellig in en daarom mogen we die boodschap niet terzijde schuiven. Dat betekent trouwens niet, dat we alleen maar moeten dreigen met de hel. Onze eerste opdracht is om Jezus Christus te verkondigen en zijn onvoorwaardelijke barmhartigheid voor zondige mensen te laten zien. Uiteindelijk is Hij aan het kruis gestorven om ons te verlossen uit de macht van het kwaad. Omdat Hij onze schuld op Zich heeft genomen mogen wij van Hem vergeving en vrijspraak ontvangen. Maar wie niet in Hem gelooft en niet ingaat op Zijn heilsaanbod gaat verloren. De verkondiging van het evangelie is een blijde boodschap en alleen vanuit deze verkondiging moet ook de keerzijde onder woorden worden gebracht.
 
Olav Vandebril, priester.


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht