• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Moord in naam van God? (Deel 1)

2/3/2019

 


Verschenen in POSITIEF nr. 458 – JANUARI 2016 

​Waarom zelfmoordterroristen geen martelaren zijn. Een verduidelijking.
 
In het maatschappelijk debat over het gewelddadig islamisme worden djihadisten steeds als martelaren beschreven, die, wanneer zij in de 'heilige oorlogen' de dood ondergaan, na de dood een overvloedige beloning mogen verwachten. Zoals heel zeker vanuit christelijk perspectief het moorden in naam van God een perversie is van de Godsnaam, zo is het onjuist en pervers zelfmoordterroristen van de eretitel martelaren te voorzien. Veeleer zijn de slachtoffers van het djihadisme juist vaker de martelaren, omdat zij zelfs onder bedreiging met de dood hun godsdienstige overtuigingen niet willen opgeven. Het zou cynisch zijn wanneer de islamitische daders steeds weer als martelaren worden aangeduid en de postume apotheose van de terroristen als heiligen niet van commentaar zou worden voorzien.
 
 
I
 
Binnen het jodendom bestaat de traditie van de heiliging van de Godsnaam, de Kiddoesj HaS-hem. De belijdenis van de ene God, die verering van andere goden uitsluit, alsook het trouw onderhouden van Zijn geboden maakt aldus het leven van de vromen van Israël uit. Toch werden de joden in de geschiedenis steeds weer door vreemde machten gedwongen de geboden en voorschriften van Mozes op te geven en een cultische praktijk die onverenigbaar was met de belijdenis van de éne God aan te nemen. Volgens de Thora is het voor het verbondsvolk strikt verboden om afgodendienst te plegen en ontucht of moord te begaan. Steeds wanneer deze verboden door godsdienstpolitieke druk buiten kracht gesteld werden, stonden de wetgetrouwe joden voor een zeer ernstig besluit', Zij moesten dan in de noodsituatie beslissen of zij van de heiliging van de naam van God moesten getuigen door het opgeven van eigen leven. In de boeken Makkabeeën wordt een dergelijke levensbeslissing literair weergegeven, wanneer onder de Seleuciden-dynastie Antiochus IV Epifanes (175-164 v.C.) de vromen van Israël door drastische maatregelen met een afgedwongen helleniseren confronteerde, zoals het plunderen van de tempel, het ontwijden van het Allerheiligste en het verbod op het vrij uitoefenen van de godsdienst. Anders dan de hervormingsgezinde partij die tot assimileren overging en openstond voor de hellenistische levenswijze, wezen de wetgetrouwen elke toenadering af en gaven niet toe aan de godsdienstpolitieke druk van de Seleucidendynastie. Dit komt exemplarisch naar voren in de gestalte van de bejaarde Schriftgeleerde Eleazar en de zeven jonge joodse mannen die samen met hun moeder een gruwelijke marteldood vrijwillig op zich nemen. "We sterven liever dan de wet van onze voorvaderen te overtreden" (2 Makk. 7, 2). Met deze zin wordt de weerstand tegen assimilatie samengevat. De bereidheid tot het martelaarschap komt voort uit een "monotheïsme van de trouw"2, die onvoorwaardelijk vasthoudt aan de voorschriften van de Thora. De keerzijde van deze trouw is de gewelddadige uitstoting van de "verraders van de Wet" binnen de eigen gelederen. Het onderscheid tussen trouw en verraad wordt een onderscheid tussen Gods vrienden en Gods vijanden. Dit brengt een diepe scheuring binnen het Verbondsvolk teweeg en voert tot een gewelddadig optreden van de godsdienstige ijveraars tegen de "afvalligen"3• Eleazar echter alsook de zeven zonen met hun moeder zien bij hun bereidheid tot lijden af van elke vorm van geweld. Zij zijn vervuld met de hoop dat hun pijnlijk sterven met een lichamelijke opstanding beloond en het criminele gedrag van de beulen in het oordeel bestraft wordt (vgl. 2 Makk. 7, 36). De eschatologische blik op de komende wereld bepaalt hier hun onverschrokken gedrag; de bereidheid tot het martelaarschap en de hoop op de onsterfelijkheid gaan onlosmakelijk samen. Aan het sterven voor God wordt zelfs verzoenende kracht voor de zonden van het volk toegeschreven 4.
 
 
Il
 
In de christelijke heiligenkalender zijn deze "martelaren" van het Oude Testament eeuwenlang herdacht, totdat ze met de kalenderhervorming van het Tweede Vaticaans Concilie een "roemloze rubrieken-dood"5 stierven. Het historisch ontstaan van het begrip "martelaar" is pas in de vóór-Constantijnse tijd van de Kerk opgekomen toen het christendom in het Romeinse Rijk als religio iflicita een onderdrukte en vervolgde religie was. Op bisschop Polycarpus van Smyrna, die weerstand bood aan de druk van de keizerlijke godsdienstpolitiek en omwille van zijn trouw aan de belijdenis van de ene God ter dood gebracht werd, is in 156 na Christus voor het eerst het begrip "martelaar" toegepast (Grieks: 192' ariys = getuige). Een enthousiast aandringen op het martelaarschap werd ondertussen vroeg afgewezen en het vluchten voor vervolgers als geoorloofd beoordeeld; slechts van de christenen die door de autoriteiten van de staat gevangen genomen en in het openbaar voor de rechtbank gebracht werden, verwachtte men standvastigheid in het geloof. Vanuit de visie van de Romeinse staat kwam deze standvastigheid van de christenen als obstinatio over, als een hardnekkige weigering om aan de openbare, cultische voorschriften te voldoen. De deelname aan de openbare eredienst, de Pax Deorum, werd als een waarborg gezien voor de openbare vrede, de Pax Romana, en vandaar golden de christenen die weerstand boden aan deze, door de Staat afgedwongen, eredienst niet alleen als atheïsten, maar ook als vijanden van het Romeinse Rijk.
In het zelfverstaan van de christenen echter duldde het geloof in de ene God, die Zich in de mens geworden Logos geopenbaard en zelf geleden had, geen compromis. Zij hebben weliswaar voor het welzijn van de keizer en het Romeinse keizerrijk gebeden (vgl. Rom. 13, 1-7), maar een deelname aan de heidense offerpraktijken wezen ze strikt af. Het martelaarschap gold als de hoogste vorm van de navolging van het Kruis, ja als een vorm van deelname aan wat Jezus zelf overkomen was, die door Zijn vrijwillig lijden - daarvan was men overtuigd - de dood overwonnen had. Het onverschrokken gedrag van veel martelaren maakte op de heidense wereld indruk, zodat de kerkelijke schrijver Tertullianus kon zeggen, dat het bloed van de martelaren het zaad van de christenen was - se-men est sanguis christianorum6• De namen van de martelaren werden vanaf de derde eeuw in de liturgie aangeroepen; zij golden als voorsprekers en "vrienden van God"7. Boven hun graven werden kerken en basilieken gebouwd. Overblijfselen van het "heilig lichaam" werden als relieken in de altaren geplaatst (vgl. Apk. 6, 9).
De eerste martelaar van de vroege Kerk is Stefanus, aan wie in de tekst van de Handelingen der apostelen herinnerd wordt en die aldus een plaats in het collectieve geheugen van de Kerk heeft gekregen. Aan Stefanus wordt een overweldigende preekactiviteit toegeschreven. Leden van de Helleens-joodse gemeenschap verweten hem tegen de tempel en de Wet te hebben gelasterd, hetgeen volgens de Thora een misdaad was waarop de dood stond. Toen zijn tegenstanders hem niet met woorden in de hoek konden drijven, zetten zij het volk en de godsdienstige gezagdragers tegen hem op en sleepten hem voor het gerecht. Daar wordt de strijd openlijk uitgevochten. Valse getuigen treden op. In plaats van een verdediging waarin punt voor punt de aanklachten ontkracht worden, ontwikkelt Stefanus voor het gerecht een overzicht van de heilsgeschiedenis van Israël die hij duidt als een geschiedenis van weerstand tegen de ingrepen van God. Als bewijs voor de "halsstarrigheid" van het Verbondsvolk - een uitdrukking die een fatale anti-judaïserende uitwerking mee zal brengen - verwijst Stefanus op het einde naar de moord op de profeten: "Wie van de profeten zijn door uw vaderen niet vervolgd?" (Hand. 7, 52, vgl. Lc. 13, 34)8• Langs deze lijn duidt hij de kruisiging van Jezus en doet daardoor de strijd escaleren. Op het ogenblik van het uiterste gevaar ziet Stefanus in de weergave van Lucas de hemel open en de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van God. De eschatologische dimensie van het martelaarschap wordt zo verhalenderwijs verduidelijkt. Wanneer Stefanus dit visioen ten overstaan van zijn tegenstanders openlijk bekendmaakt, komt het tot een oproer die uitloopt op de steniging van de aangeklaagde. Het gebeuren rond Stefanus wordt helemaal in het licht van het passieverhaal van Lucas geplaatst, wanneer verhaald wordt dat hij al stervend voor zijn beulen heeft gebeden. Door deze bede wordt hij gelijk aan Jezus, die aan het Kruis geroepen had:
"Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen" (Le, 23, 34)9.
In het martelaarschap van Stefanus zijn de lotgevallen van de christelijke bloedgetuigen voorgetekend. die zich in hun sterven met dat van Christus verbinden. Zij dulden het geweld en zien ervan af het ondergane geweld. met geweld te beantwoorden. "Als zonen van de lankmoedige God en broeders van de lankmoedige Christus willen wij lankmoedigheid laten zien bij alles wat ons overkomt", zo schrijft Origines in zijn Exhortatio ad Martyrium10• Dit afzien van geweld in het spoor van Jezus drukt de persoonlijke trouw uit, die zich noch door sociale druk noch door politiek geweld laat corrumperen. Deze trouw bevestigt de in het doopsel aangegane band met Christus. Toch wordt overeenstemmend bij Tertullianus, Cyprianus en Origenes eraan vastgehouden dat het martelaarschap geen heroïsche prestatie is van degenen die omwille van het geloof vervolgd worden, maar een geschenk van de goddelijke genade. In de gelovige zelfduiding is het Christus, die in de martelaren lijdt en sterft. Zoals de gekruisigde verrees en door God zelf bevestigd werd, zo zal ook het eeuwig leven bij God de martelaren onmiddellijk na hun dood ten deel vallen. Ook wanneer de geschiedenis van de christenen met pogroms op de joden, gedwongen bekeringen, kruistochten, godsdienstoorlogen en kolonialiseren bloedige schaduwzijden laat zien en zelf ontelbare martelaren heeft geproduceerd11, mogen toch de zin en de betekenis van het begrip martelaar - geweldloosheid - in de maatschappelijke discussies over de islam niet worden uitgewist. Terroristen zijn geen martelaren. Tegen misbruik van het woord martelaar moet weerstand worden geboden. Met gewenste duidelijkheid heeft Eberhard Schockenhoff dit onlangs nog eens helder naar voren gebracht: "De zelfmoordterrorist, die verblind de dood van mensen teweegbrengt, is óf een misleide fanaticus óf een terrorist, maar geen martelaar, ook dan niet wanneer hijzelf offer is van het door hem ontketende geweld"12
 
 
III
 
Wat kan er nu gedaan worden om het afschuwelijk beeld van het gewelddadig islamisme niet voortdurend het gezicht van de islam te laten misvormen? Immers, ook de terroristen beroepen zich op de Koran, verrichten de voorgeschreven gebeden en hopen bij hun strijd tegen de "ongelovigen" op staande voet het paradijs te kunnen binnengaan, zoals niet op de laatste plaats blijkt uit de openbaar geworden "geestelijke handleiding" van Mohammed Atta, een van de terroristen van de aanslag van 11 september 2001. Het helpt daarbij niet te beweren dat het islamisme niets met de islam van doen heeft. De Koran belooft degene die voor Allah sterft een eeuwige beloning. "Houd degene, die op Gods weg gedood zijn, niet voor dood! Helemaal niet: zij leven bij de Heer en worden verzorgd met wat God hen uit de overvloed van zijn gaven heeft gegeven" (3,169 e.v.). Maar kan een terroristische zelfmoordenaar werkelijk een beroep doen op deze en andere soera's?
In de traditie van de islam bestaan verschillende duidingen van het martelaarschap. Teruggebracht tot verschillende types, kunnen drie lijnen in de traditie onderscheiden worden. In de beginfase, toen Mohammed in Mekka een nieuw, exclusief monotheïsme verkondigde, bestond er voorbehoud en zelfs weerstand van de kant van de heidense stammen, die de bevolking uitmaakten. De enkelingen die zich aansloten bij Mohammeds leer, moesten vergeldingsmaatregelen en geweld ondergaan. In de soera's 108 en 111 zijn de aanvankelijke bedreigingen van de nog kleine gemeenschap terug te vinden. Het onderscheid tussen het heidense polytheïsme, dat zich met andere religieuze inzichten kon vinden en integreren en het radicale monotheïsme, dat andere goden tot afgoden terugbracht, komt tot uitdrukking in soera 109: "Gij ongelovigen (kafirum), ik dien niet, die gij dient en gij dient niet, die ik dien." Anders dan het polytheïstische pantheon, dat een hoog vermogen tot integratie bezat, sluit het monotheïsme van Mohammed andere goden radicaal. uit. "Hij is God, de enige, God boven allen en alles. Hij heeft niet voortgebracht en is niet voortgebracht. Niemand is aan Hem gelijk" (112 1-4). Deze soera, die vaak wordt aangevoerd als bewijs voor de polemische afgrenzing ten opzichte van het christelijk geloof in de Triniteit, werd in eerste instantie geschreven vanuit een anti-polytheïstische bedoeling.
De theologische scheidslijn tussen polytheïsme en het exclusieve monotheïsme heeft in de periode van Mekka ook zijn uitwerking op de sociale verhoudingen. Zo is er een overlevering van de Ethiopische slaaf Bilal, die vanwege zijn islamitisch geloof door zijn heer gekweld en mishandeld wordt met de bedoeling hem te bewegen tot een herroepen van de islam. Ofschoon Bilal niet werd gedood, omdat hij door Abu Bakr uit de slavernij vrijgekocht werd, staat hij toch voor het begrip van een martelaar, die omwille van zijn geloof heeft geleden. Ook anderen, die tot de islam waren toegetreden moesten in de periode van Mekka mishandelingen ondergaan. Met name wordt in de islamitische literatuur Sumayya bint Khayyat vermeld, de vrouw die omwille van haar geloof veel kwellingen moest verdragen, zodat zij aan de gevolgen ervan de dood vond. Zij is, zoals David Cook schrijft, "de eerste martelaar van de islam"13. Het ligt voor de hand dat dit vroeg verstaan van martelaarschap - lijden omwille van het geloof in de éne God - grote verwantschap met het christelijk verstaan van het martelaarschap vertoont.
Met de uitbreiding van de islam verandert echter ook het begrip martelaar (shadid). Het is bekend dat de afwijzing van het strenge monotheïsme door de meerderheid van de bevolking van Mekka voor Mohammed en de jonge islamitische gemeenschap in 622 de aanleiding vormde om naar Medina te emigreren (Hijra). Aldaar echter gelukte het Mohammed en zijn aanhangers in korte tijd een godsdienstig-politieke gemeenschap (ummah) te vormen. Binnen slechts een paar jaar trad de gehele bevolking van de oasestad Medina tot de islam toe of werd - gelijk de drie joodse stammen - met geweld verdreven of brutaal uitgeroeid14• Het conflict met de bewoners van Mekka hield echter aan. De vroeger onderdrukte aanhangers van Mohammed zagen zich gelegitimeerd om karavanen uit Mekka te overvallen en zich tegen de onderdrukkers van weleer met geweld te weer te stellen. "Gemachtigd om strijd te voeren, zijn degenen die bestreden worden, want hen is onrecht aangedaan - God is bij machte hen te helpen die ten onrechte uit hun huizen zijn verdreven, alleen omdat zij zeggen: 'onze Heer is God"' (22,39-40). Met de slag van Badr in 624 behaalde de islamitische gemeenschap tegen de vijanden uit Mekka een spectaculaire overwinning, die zij aan het werk van Allah toeschreven"15; in de slag van Uhud in 625 leden zij echter een gevoelige nederlaag en meerdere leiders van de ummah - onder wie Hamza, de oom van Mohammed - werden gedood. Als een theologische reflex op deze nederlaag kan een passage uit soera 3 gelezen worden. "Verlies de moed niet en wees niet bedroefd, aangezien gij toch de overwinnaars zijt, mits gij gelooft. Wanneer gij wonden hebt opgelopen, dan heeft ook het (vijandige) volk gelijke wonden opgelopen. Dit soort voorvallen laten wij tussen de mensen op en neer gaan. Aldus wil God hen die geloven leren kennen en uit uw midden voor zich getuigen nemen - God houdt niet van degenen die onrecht doen. Aldus wil God degenen die geloven louteren en de ongelovigen laten verdwijnen. Of meent gij, dat gij in de tuin (het paradijs) komt, zolang God onder u niet degenen heeft leren kennen, die heel hun inzet geven en standvastig zijn? Gij hebt u steeds de dood gewenst, voordat gij Hem tegemoet bent gekomen. Gij hebt Hem immers nu met eigen ogen aanschouwd" (3,139-142). Met deze soera is echter een semantische verschuiving van het begrip martelaar verbonden, die voor de geschiedenis van de islam doorslaggevend zal zijn. Vanaf nu is een moslim die in de strijd voor Allah de dood ondergaat, een martelaar (shadid), die bij de ingang in het paradijs een beloning in het vooruitzicht gesteld krijgt16. De verbinding tussen strijd voor God en een eschatologische beloning met mogelijk een zinnelijke, ja, zelfs erotische vreugde (vgl. 56,10-38; 44,50), wordt onderstreept door de meest prominente tekst in de Koran omtrent dit thema: "Houd degenen, die op Gods weg gedood zijn, niet voor dood! Helemaal niet: zij leven bij de Heer en worden verzorgd met wat God hen uit de overvloed van zijn gaven heeft gegeven. Zij verheugen zich over hen, die hen nog niet hebben ingehaald, dat vrees hen niet moge overvallen en zij niet droevig mogen zijn" (3,169-170). De onverschrokkenheid in de strijd onderscheidt de gelovige strijders van de "ongelovigen", die aan het leven hangen (vgl. 2,96). Toch wordt het hun niet toegestaan op het slagveld door riskant gedrag de zelf gewilde dood te zoeken, en ook niet om onschuldigen, die niet bij de strijd betrokken zijn, te doden. Na de dood van de profeet in 632 verbreidde de islam zich over het Arabische schiereiland. Syrië, Palestina, Egypte, maar ook Irak werden veroverd; de snelle verovering van deze landen werd als bewijs voor de waarheid van de openbaring van de Koran opgevat. Een beperking ondergaat het begrip martelaar, wanneer moslims tegen moslims strijden. Krijgers, die in een dergelijke strijd - bijv. van soennieten tegen sjiieten - sneuvelen, mogen niet als martelaren beschouwd worden. Ook later komen zeker strevingen op om het betekenisveld van het begrip shadid uit te breiden en, naast degenen die op het slagveld gevallen zijn, alle mogelijke manieren van sterven te voorzien van de eretitel van martelaar".
Een derde, zeer problematische, verdere ontwikkeling van het begrip martelaar komt men tegen in het fenomeen van de zelfmoordterrorist, dat pas in het laatste gedeelte van de twintigste eeuw in samenhang met de politieke islam opgekomen is en ondertussen een zorgwekkende uitbreiding heeft gekregen. AI-Qaida, Boko Haram, de Taliban, de lslamitische Staat en andere groepen binnen het spectrum van een gewelddadig jihadisme zetten "martelaren" met berekening als wapen tegen de "ongelovigen" in. De in trainingskampen opgeleide en overeenkomstig doctrinair geschoolde terroristen zijn bereid hun leven te offeren en zoveel mensen als mogelijk in de dood mee te sleuren.
 
J.H. Tück
 
wordt vervolgd


eindnoten
 
1 Vgl. bSan 74a: ,,Wanneer zij een jood tot een overtreding van een of ander voorschrift van de Wet dwingen en tot hem zeggen: 'overtreed dit, anders word je ter dood gebracht', dan moet hij dit gebod dan maar overtreden en zich niet ter dood laten brengen, behalve wanneer hij tot afgodendienst, ontucht of bloedvergieten gedwongen wordt".
 
2 Vgl. Jan Assmann, Exodus. Die Revolution der Alten Welt, München 2015, pp. 106- 119.
 
3 Vgl. Jan Assmann, Martyrdom, Violence, and lmmortality: The Origins of a Religieus Complex, in: Dying for the Faith, Killing for the Faith. Old-Testament FaithWarriors (1 and 2 Maccabees) in Historica/ Perspective (Brill's Studies in lntellectual History, vol. 206; Series Editor: Han van Ruler), ed. by Gabriela Signori, Leiden 2012, pp. 39-59. Hiertegenover staat kritisch Johannes Schnocks, Das Afte Testament und die Gewalt. Studien zu gött!icher und menschlicher Gewalt in alttestamentlichen Texten und ihren Rezeptionen (WMANT, 136), Neukirchen-Vluyn 2014.
 
4 Vgl. Verena Lenzen, Jiidisches Leben und Sterben im Namen Gottes. Studien zur Heiligung des göttlichen Namens (Kiddush HaSchem), Zürich 2002.
 
5 Georg Braulik, Verweigert die Westkirche den Heiligen des Alten Testaments die liturgische Verehrung?, in: ThPh 82 (2007), pp. 1-20, hier p. 4.
 
6 Tertullianus, Apologeticus 50,13 (CCSL 69, ed. H. Hoppe, 1,171).
 
7 Vgl. Origenes, Exhortatio ad Martyriurn, 13. 34. 37 (Aufforderung zum Martyrium. Eingeleitet und übersetz von Maria-Barbara von Stritzky, Berlin-Freiburg i. Br. 2010, 49. 83. 89).
 
8 Deze uitdrukking komt men toch al tegen in de geschiedschrijving van Israël: "Zij doodden uw profeten die hen vermaanden zich tot U te keren" (Neh. 9, 26). Zie het hoofdstuk: ,,Das gewaltsame Geschick der Propheten", in: Jan Assmann, Exodus. Die Revolution der Alten Welt, München 2015, pp. 331-342. Buiten de door Assman bijeengebrachte teksten zou in deze samenhang ook de gelijkenis van de wijnbouwers (Me. 12,1-12) nader te beschouwen zijn.
 
9 Zie als achtergrond: Robert Vorholt, "Zeugnis und Martyrium. Neutestamentliche Perspektiven", in: /KaZ Communio 41(2012), pp. 118-126.
 
10 Origenes, Exhortatio ad Martyrium, 43 (Aufforderung zum Martyrium, 97).  
 
11 Met ook een zekere zelfkritiek moet men van hieruit met de bevrijdingstheoloog Pedro Casaldaliga zeggen: "Wij christenen kunnen ons beroemen op velen van de onzen vanwege hun martelaarschap, maar wij dragen ook vaak schuld als beulen van martelaren". Zie "Die ·gekreuzigten' lndios - ein Fall des anonymen, kollektiven Martyriums", in: Concilium 19(1983), pp. 208-212. hier 212.
 
12 Eberhard Schockenhoff, Entschiedenheit und Widerstand. Das Lebenszeugnis derMärtyrer, Freiburg i. Br. 2015, p. 194.
 
13 David Cook, Martyrdom in Islam, Cambridge 2007, p. 13.
 
14 De Banu Quraiza - de laatste joodse stam in Medina - werden vanwege hun sympathieën voor de bewóners van Mekka. zonder ook maar enige blijk van vijandigheid ten opzichte van de islam, met instemming van Mohammed brutaalweg uitgeroeid: "Alle mannen in weerbare leeftijd, 600-900 mannen, werden onthoofd, de kinderen en vrouwen als slaven verkocht. Hun land werd in vijf delen verdeeld, waarvan er een in het bezit van Mohammed kwam. Aan deze moord op de joden waren afzonderlijke sluipmoorden op prominente, individuele joden voorafgegaan. Zie Adam Schal!: art "Islam", in: Theologische Realenzyklopädie, Bd. 16(1987), pp. 315-336, hier 324.
 
15 Vgl. Soera 8.17: "Niet gij hebt hen gedood, maar God. Niet gij hebt u erop gestort, toen gij u in de strijd stortte, maar God om van zich uit de gelovigen op goed gedrag te testen".
 
16 Vgl. David Cook, Martyrdom in Islam, p. 23: Het type van de strijdende martelaar "is grotendeels uniek voor de islam. Ofschoon ook het christendom en het boeddhisme aan martelaren toestaan op een bepaalde manier agressief te zijn. zoals in het actief trachten mensen te overtuigen het geloof aan te nemen of in het ondernemen van gevaarlijke zendingen waarbij de mogelijkheid bestaat dat de zendeling dit niet zou overleven, wordt toch het element van de strijdende martelaar in beide van deze twee missionaire religies niet gevonden". Vgl. Ibidem, p 30.
 
17 Vgl. Cook, Martyrdom in Islam, p. 34, die een bij AI-Suzuki geciteerde cataloog weergeeft: "Er zijn zeven categorieën van martelaar, die verschillen van de martelaar die op de weg van Allah is gedood. Degene die sterft aan maagklachten is een martelaar, degene die verdrinkt is een martelaar, degene die sterft aan de pest is een martelaar, degene die sterft aan een ineenstorten van gebouwen is een martelaar, degene die omkomt bij brand is een martelaar, degene die sterft aan pleuris is martelaar en de vrouw die sterft bij de geboorte van een kind is martelaar". 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht