• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Moord in naam van God? (Deel 2)

2/3/2019

 
Verschenen in POSITIEF nr. 459 – FEBRUARI 2016 

​We bieden u hierna het tweede deel van dit artikel aan. Vorige maand vond u het eerste deel.
 
IV
 
Wat kan gedaan worden om vanuit de Koran en andere normatieve bronnen van de islam de zelfmoordterroristen het theologisch verlof te ontnemen zich voor martelaren uit te geven? Scholen met een fundamentalistische uitleg van de islam, die een bloedbad in de naam van Allah menen te kunnen rechtvaardigen, moeten juist van de kant van de islamitische theologie met alle duidelijkheid tegemoet worden getreden'18. In de stellingname van 120 islam-geleerden wordt naast aanwijzingen voor een passende hermeneutiek van de Koran, die een los citeren van teksten buiten hun context verbiedt en aan het centrale onderscheid tussen "onvoorwaardelijk" en "voorwaardelijk" wil herinneren, is een cataloog met 24 uitspraken opgesteld die een duidelijke afwijzing van de geweldstheologie van de IS wil zijn. In deze cataloog zijn vooral de uitspraken van bijzonder belang die de terreur in naam van Allah van elke legitimatie ontdoen.
Ten eerste wordt in de open brief van de 120 islam-geleerden vastgehouden: "Het is in de islam verboden om onschuldigen te doden" (uitspraak 6). In het commentaar op deze zin wordt hieraan toegevoegd: "het doden van een ziel - welke dan ook - is haram (verboden en onaantastbaar in het islamitisch recht) en behoort tot de grootste zonden" . Aan het willekeurig "doden voor God" wordt dus -paal en perk gesteld. Maar gaat het daarbij ook om een algemeen verbod om te doden? Het vermoorden van medeleden van de islamitische geloofsgemeenschap, van de ummah, is in de Koran ten strengste verboden: "Een gelovige mag geen gelovige doden" (soera 4,92). Daarmee is toch nog geen algemeen verbod op doden aangegeven in de zin van de onaantastbaarheid van de menselijke waardigheid, omdat de islam in zijn verstaan van de mens een gradatie tussen gelovigen, schriftbezitters en niet-gelovigen kent. Anders dan de leden van de Ummah, bezitten joden en christenen als "mensen van het boek" (ahl al-leitab) slechts een beperkte rechtsstatus: zij behoren tot een "beschermde groep" (dhimmi), betalen hoofdelijk belasting en behoren eveneens tot het "huis van de islam". Om op deze plaats geen misverstand te laten opkomen, staat er in de brief van de 120 geleerden: "Het is in de islam verboden christenen en alle bezitters van de Schrift - op welke wijze dan ook - schade te berokkenen of hen te misbruiken" (uitspraak 10). Het commentaar bij deze uitspraak voegt met betrekking tot de Arabische christenen, die deels ten offer zijn gevallen aan de IS-slachtpartijen, er in alle duidelijkheid aan toe: "Deze zijn geen vreemdelingen in deze landen, maar oorspronkelijke inwoners van deze landen uit de tijd van vóór de islam. Zij zijn geen vijanden, maar vrienden". Met de blik op de Jeziden, die toch met honderden vermoord werden, wordt duidelijk gesteld: "Het is een plicht de Jeziden als bezitters van het boek achting te schenken" (uitspraak 11). Hen zonder reden ombrengen is evenzeer verboden als het vermoorden van onschuldige burgers, zoals een Hadith vaststelt. "Wie ook een Mu'ahid (een onschuldige niet-moslim) doodt, zal de geur van het Paradijs niet ruiken", klinkt het waarschuwend in de Hadith Bukhari.19  Militante jihadisten, die zich "op de weg van Allah" ( sabil Allah) wanen, gaan eclatant tegen dit verbod in, wanneer zij bereid zijn onschuldige burgers, ook al zijn ze "ongelovig", verraderlijk en brutaal te vermoorden. Ondanks deze welkome uitspraken mist men toch in de open brief van de 120 geleerden de erkenning van de onaantastbaarheid van de menselijke waardigheid. De precaire status van de "ongelovigen" kan pas dan voorbij zijn, wanneer de menselijke waardigheid onvoorwaardelijk erkend wordt.
 Ten tweede is naast de brief van de 120 geleerden ook de bewuste en doelgerichte zelfdoding vanuit de Koran als opstand tegen God als Schepper te veroordelen. De mens is niet heer over leven en dood. De islam verwerpt vandaar de zelfmoord als zware zonde, die het absolute beschikkingsrecht van God aantast, In soera 4,29 staat: ,,En doodt niet uzelf"20
 Ten derde moet de voorstelling van zaken illegitiem worden verklaard, dat een suicide bomber als martelaar (shadid) onmiddellijk het paradijs binnengaat. Tegenover deze voorstelling van zaken, die niet alleen in de terreurorganisatie van de IS, maar ook bij Palestijnse militante organisaties en onder andere jihadistische groepen wijd verspreid voorkomt, zou gesteld moeten worden dat een misdadiger, die het leven van medemensen uit berekening vernietigt, het oordeel van God niet zal ontlopen. De brief van de 120 geleerden ontloopt het probleem, wanneer deze op subjectieve motieven, die achter de jihad steken, de aandacht richt en het lonken van de zelfmoordterroristen naar erkenning als niet aangebracht verwerpt: "De eerste, die op de dag van het Oordeel geoordeeld wordt, is degene die als martelaar sterft. Hij wordt voor God gebracht en God zal hem aan al zijn weldaden herinneren, die hij dan zal erkennen. Hij wordt dan gevraagd: 'Wat heb jij met deze weldaden gedaan?' De man zal antwoorden: 'Ik streed omwille van U, totdat ik stierf'. Hij (God) zal dan zeggen: 'Jij liegt; jij vocht, zodat er gezegd kon worden dat jij moedig bent en zo werd ook over jou gesproken'. Dan komt het bevel, dat hij op zijn gezicht geslagen en in het vuur van de hel geworpen moet orden".
 Ten vierde dient het eschatologische voorbehoud naar voren gebracht te worden, dat geen enkele godsdienstige mens zichzelf tot martelaar maken kan. "De eerste, die op de jongste dag een onvoordelig oordeel beschoren zal zijn, is de valse martelaar", staat er in de Hadith Muslim21. Dit citaat maakt duidelijk dat ook in de islam het aan de eschatologische beslissingsmacht van Allah, de geheel barmhartige rechter, voorbehouden is wie de eretitel van martelaar (shadid) ontvangt en wie niet. Hierbij valt op te merken, dat de geestelijke aanwijzing die in de koffer van Mohammed Atta gevonden werd, een smeekbede bevatte, dat God het martelaarschap van de aanslagplegers van 11 september 2001 zou aannemen.
Naast de theologische kritiek op de legitimerende elementen voor de zelfmoordaanslagen is een analyse van de niet-theologische factoren belangrijk, die zeer complex zijn en hier slechts summier aangetipt, maar niet uitvoerig gethematiseerd kunnen worden. Dan staat op de eerste plaats de politieke factor, die voor de radicalisering en mobilisering van de jonge moslims doorslaggevend is. De dominantie van de westerse invloed op het Arabische schiereiland en in de andere islamitische staten is een voortdurende aanstoot. Zelfmoordaanslagen staan in onderling verschillende samenhangen. In territoriale en etnische conflicten verschijnen deze evenzeer als geëigend instrument als in politieke bevrijdingsoorlogen tegen de bezetting door westerse legers. Vanaf het jaar 2000 wordt het suicide bombing steeds meer als wapen tegen pro-westerse moderate islamitische regimes ingezet om deze te destabiliseren en door strikt islamitische te vervangen22. In de Palestijnse bevrijdingsstrijd domineren burgerlijke doelstellingen. De toegenomen sensibiliteit voor het globale lijden van de moslims en het zich voortdurend gekrenkt weten door de technische, economische en politieke superioriteit van de USA en hun bondgenoten schijnen daarbij het psycho-politieke gevoel van die bevolkingsdelen van de moslims te beïnvloeden, die voor de zelfmoordterroristen sympathie koesteren. De strijd tegen de zogenaamde "Alliantie van Kruistochtvaarders en Zionisten" (Osama Bin Laden) krijgt extra ondersteuning door de berichten over praktijken die de mensenrechten schenden zoals in Abu Ghrabib, Guantanamo en elders23
Daarenboven dient men ook rekening te houden met de mediale enscenering van de aanslagen. De triomfalistische beeldspraak, die men tegenkomt bij het aanwerven van islamitische terreurgroepen op het internet, en de hoogdravende retoriek van de video's met allerlei belijdenissen stimuleren de mythe van sterkte en onoverwinnelijkheid die blijkbaar een vruchtbare voedingsbodem vindt bij niet weinig geadresseerden. Vaak zijn toch ook de jeugdige daders zelf het slachtoffer van een voorafgaande indoctrinatie door religieuze fanatici of geraffineerde strategen. "De zelfmoordterrorist, in de meeste gevallen een moslim, is tegelijk dader en slachtoffer. Hij is een instrument in de hand van oorlogsstrategen zonder enige scrupulositeit, die deze vaak al op jeugdige leeftijd rekruteren en indoctrineren om daarna zichzelf ten koste van de dader te profileren."24
Dan zijn er tenslotte het ontbreken van zingeving en de lust tot provocatie en avontuur bij de jonge rekruten, die door beloftes op succes aangesproken worden en binnen de kortste tijd de rol van radicale verliezer tegen de glans van held kunnen inruilen. Wie de eigen dood veracht, omdat hij op een overgrote beloning in het hiernamaals mag rekenen, kan zichzelf doen opwerpen als heer over leven en dood. Hij wordt voor zijn dood verachtende ijver, die anderen het leven kost, door de media onmiddellijk met publiciteit bedacht en is zeker van de daarop volgende apotheose bij zijn aanhangers25. "Hun onbevreesde doodsverachting geldt als een wonderwapen tegen een vijand die sterk hecht aan de materiële vreugden van het ondermaanse; deze wordt door doodsangst beheerst, omdat hij dit leven zo liefheeft, terwijl de moslim de dood en het hiernamaals voor ogen staan. Vanuit dit gezichtspunt wordt de zelfvernietiging van de terrorist niet alleen als een militaire overwinning gezien en als een verandering van de eigen onmacht in een vrijwel onbeperkte macht die over het eigen leven als dat van anderen beslist, maar ook als een geloofstriomf van de godvrezenden en als overwinningstocht van de enige ware godsdienst, de islam, die superieur is aan alle andere wereldordeninqen?"26.
V
Binnen de islam bestaan, zoals we hebben gezien, onderscheiden traditielijnen. 1) De vroege fase in Mekka kent maar weinige moslims, die juist vanwege hun toebehoren tot een nog getalsmatig kleine ummah geweld hebben geduld; zij vormen getuigen die het leed hun door anderen aangedaan passief nemen zonder zich actief te verweren. 2) Met de hidschra wordt Mohammed van een vervolgde profeet tot een machtig veldheer en politiek leider. Daarmee veranderen ook de coördinaten voor het verstaan van de shadid. De uitbreiding van de islam komt tot stand door de militaire veroveringstochten vanuit Medina. Wie in de jihad, de "strijd tegen de ongelovigen", om het leven komt, krijgt de eretitel van een shadid en mag rekenen op de daaraan beantwoordende verering door de ummah. De dader, die voor de zaak van Allah bereid is anderen om te brengen, is hier tegelijk het offer, dat door het geweld van de anderen de dood ondergaat. Hier komt reeds een verschil en onderscheid met het christelijk verstaan van martelaar naar voren. 3) Dit verdiept zich in het jihadisme van de laatmoderne tijd dat tot geweld bereid is en het klassieke concept van de shadid radicaliseert en zelfs terroristische zelfmoordaanslagen als instrument van de jihad theologisch rechtvaardigt. Vanuit christelijk perspectief dient daartegenover te staan: de ware martelaar doodt niet, maar legt juist door het dulden van geweld getuigenis af. De stelling van Jan Assmann, dat "martelaarschap en geweld, het sterven voor God en het doden voor God"27 bij elkaar horen, mag misschien wel slaan op het gewelddadige islamisme, maar met de blik op het christelijke verstaan van het martelaarschap behoeft deze stelling toch correctie. In het christendom zijn martelaren slachtoffers van geweld, die in hun lijden de geweldloosheid van Jezus nagevolgd hebben en dit tot heden toe nog doen28. De film Des hommes et des dieux (2010), die het lot laat zien van de trappisten van Tibhirine, die ondanks islamitische bedreiging blijven staan aan de kant van de plaatselijke islamitische bevolking en uiteindelijk met hun leven daarvoor betalen, heeft dit nogmaals voor een breder publiek gedemonstreerd29
Maar ook moslims die door de terreurdaden van hun fanatieke geloofsbroeders in de dood meegesleept worden - Soennieten, Sjiieten, lsmailieten, Zaïdieten, Alevieten, Soefies - zijn onschuldige slachtoffers van geweld. Men dient de terroristen de titel van "martelaren" ook daarom te onthouden, omdat anders de ware slachtoffers, die immers het meest vanwege hun afwijkende religieuze voorstellingen of "ongeloof" in het vizier komen, nog een tweede maal van hun waardigheid beroofd worden. Toch is het semantisch veld van het begrip martelaar in de loop van de twintigste eeuw verschoven van bloedgetuige voor een religieuze belijdenis naar een onschuldig offer van geweld30 . Deze uitbreiding van het begrip kan in het Westen ook samenhangen met de maatschappelijke cultuur van gedenken, die zich door de solidariteit met de slachtoffers van dictaturen in de twintigste eeuw eigen heeft gemaakt. Vooral de nationaalsocialistische politiek van het uitmoorden van de joden deed de vraag naar voren komen of alle joodse slachtoffers, ook de niet-religieuze, als martelaren te beschouwen zijn. Ook wanneer men daartegen zou kunnen opwerpen, dat niet-gelovige joodse slachtoffers dan postuum religieus ingelijfd worden en men ze op die manier tegen hun eigen zelfverstaan van weleer in als martelaren aanduidt, heeft deze zienswijze in Yad VaShem, de officiële "gedenkplaats van de martelaren en helden van de Staat Israël in de Holocaust" zich toch doorgezet. "Een jood, die om andere redenen dan een gedwongen bekering gedood werd - eenvoudigweg omdat hij jood is, wordt heilig (qadosh) genoemd en heeft het gebod de Naam van God te heiligen vervuld"31 . Onschuldige slachtoffers van geweld zijn er ondertussen ook in de seculiere, westerse samenlevingen, die steeds meer schietschijf van militante godskrijgers worden. Al lang zijn er onder de burgerslachtoffers agnosten en belijdende atheïsten, zodat men erover kan nadenken of men bij de groeiende confessie van degenen die zonder confessie zijn - in overdrachtelijke zin - ook daar van martelaren kan spreken. Zelfs bij de aanslagen in Parijs van 7 januari 2015 werden de daarbij omgekomen leden van de redactie van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo direct als "martelaren voor die persvrijheid"32 omschreven.
 
Toch behoort het opkomen voor een godsdienstige belijdenis, al of niet expliciet, onvervreemdbaar tot het theologische verstaan van de martelaar. Deze blijft op het ogenblik van het gevaar trouw aan zijn geloof en niet weinig christelijke martelaren hebben zich door de geest van liefde tot de vijand laten leiden, toen zij voor hun beulen hebben gebeden. Daarmee hebben zij de bekoring weerstaan geweld met tegengeweld te beantwoorden - een bekoring die Reinhold Schneider eens als het "demonische alternatief" voor het geweldloos getuigenis van de martelaar heeft gekenschetst. "Wie de demonen met het zwaard tegemoet treedt, die neemt deze onvoorzien bij de hand en hij doet wat hij niet wilde doen en ziet wat de demonen willen dat hij ziet. Want alleen met het Kruis kunnen we deze tegemoet treden en wanneer ze ons als martelaren opeisen hebben ze bijna al verloren"33. Of de weerloosheid van de vervolgde en in het nauw gedreven christenen in het Nabije Oosten uiteindelijk een "wapen" kan zijn, die de islamistische strijdgroepen zou kunnen ontwapenen, daarop kan op dit ogenblik nauwelijks iemand hopen. Emmanuel Levinas heeft eens opgemerkt: "Wanneer men zichzelf zonder wapens aanbiedt en gelooft dat de ander in staat is zich te laten ontwapenen, dan gebeurt het dat geweld onwaarschijnlijk wordt"34. Dat mag dan bij een paar enkelingen mogelijk zijn, maar met het oog op de door de IS bedreigde bevolking zal men toch minder met het onwaarschijnlijke moeten rekenen en moeten nadenken over concrete daden ter verdediging, als men tenminste op de expansie van het barbarendom "in naam van Allah" niet werkeloos wil toezien.
 
Jan-Heiner Tück
 
Jan-Heiner Tück (1967), professor voor dogmatische theologie aan de Universiteit van Wenen, hoofdredacteur van de Duitstalige editie van Communio. Dit artikel werd uit de oorspronkelijke Duitse versie vertaald door G. Wilkens.

 
Wij nemen met dank dit artikel over uit Communio, Internationaal Katholiek Tijdschrift, nr. 3-4, 2015.
 
eindnoten
 
18 Vgl. Open Letter to Dr. lbrahimi Award al-Bardi alias 'Abu Bark al-Bagdad". And to the Fighters and Follows of the self-declared "Islamic State". 19' September 2014, URL: http://www.lettertobaghdadi.com/ (het laatst geconsulteerd op 12.02.2015) Alle volgende citaten zijn aan dit document ontleend.
19 Sahih AI-Buhari, Bd. 9, boek 83, nr. 49; vgl. ook Bd. 4, boek 53, nr. 391 (The translation of meanings of Sahih Al-Buhari, Vol. 1-9. Arabic-English, transl. by Muhammad Muhsin Khan, Riadh 1997).
20 Vgl. ook soera 3,145.
21 Hadith Muslim, lmarat, 152 geciteerd bij Abdülhakim Yüce, "Das Märtyrertum - eine Definition. Kann ein Terrorist ein Märtyrer sein?", in: Egün Capan - Fethullah M. Gülen (ed.), Terror und Selbstmordattentate, Mörfelden-Walldorf 2005, pp. 87-104, 93 e.v.
22 Vgl. Ami Pedahzur (ed.), Root Causes of Suicide Terrorism. The Globalization of Martyrdom, London-New York 2006.
23 Vgl. Giorgio Agamben, Ausnahmezustand. Homo sacer II/1, Frankfurt/M. 2004.
24 Joseph Croitoru, Der Märtyrer als Waffe. Die historischen Wurzeln des Selbstmordattentats, München 2003, p. 13.
25 Vgl. Hans Magnus Enzensberger, Schreckens Männer. Versuch über den radikalen Verlierer, Frankfurt/M. 2006.
26 Croitoru, Der Märtyrer ais Waffe, p. 206.
27 Jan Assmann, "lst der neue Mensch ein Eiferer?", in: N.Z.Z. 30/31.10.2004.
28 Vgl. Andreas Riccardi, Salz der Erde, Licht der Welt. Glaubenszeugnis und Christenverfolgung im 20. Jahrhundert, vanuit het Italiaans vertaald en bewerkt door Ingrid Stampa, Freiburg i. Br. 2002.
29 Vgl. Christoph Benke, "Gott im Antlitz des Anderen. Christian de Chergé und Pierre Claverie als Zeugen für Christus im muslimischen Algerien", in: IKaZ Communio 41(2012), pp. 139-151.
30 Vgl. daartoe de instructieve beschouwingen van Hans Maier, Das Doppelgesicht des Religiösen. Religion - Gewalt - Politik, Freiburg 2004, pp. 99-120.
31 Simon Huberband, Kiddush ha-Shem, Tel-Aviv 1969, pp. 23 ev.
32 Aldus Bernard-Henri Lévy, 'Das ist die Stunde einer schonungslosen Wahrheit", in: FAZ van 9 januari 2015.
33 Reinhold Schneider, Las Casas vor Karl V. Szenen aus der Konquistadorenzeit. Leipzig 1938, p. 162.
34 Emmanuel Levinas, geciteerd bij: Bernardo Olivera, ,,Amen" und "Inschallah". Die sieben enthaupteten Zeugen für Christus im muslimischen Algerien - Kloster ,,Notre-Dame de l'Atlas", Tibhirine, Mariawald 20112, p. 24. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht