• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

HET MAGNIFICAT

3/2/2019

 
Verschenen in POSITIEF nr. 460 -  MAART 2016 

​Er zijn maar weinig gebeden zo diep bijbels als het Magnificat, het danklied dat Maria aanheft bij haar bezoek aan haar nicht Elisabeth. (Lc. 1,46- 55)
De evangelist Lucas laat ons getuige zijn van de ontmoeting van deze twee vrouwen, zwanger van profetisch leven. De vonk van de Geest springt over op Elisabeth. Zij prijst Maria om haar geloof: 'Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is'. (Lc. 1,45) En Maria uit zich dan weer in een danklied of lofzang, waarvan de weergalm door alle eeuwen zal blijven klinken. Dit danklied werd door de Kerk overgenomen en geplaatst op het einde van haar dagelijks avondgebed, de vespers. Zij leest de tekst ook als evangelie op het feest van Maria Tenhemelopneming. Hoe dikwijls dit danklied ook gezongen of gebeden wordt het verslijt niet, evenmin als het Weesgegroet en het Onze Vader. Hun diepe bijbelse wortels zijn daaraan niet vreemd.
 
Profetisch lied van Maria
 
Dat Maria hier manifest van zich laat horen is iets wat je niet van haar zou verwachten. Nergens treedt zij op de voorgrond. Zij blijft steeds in het verborgene, onopvallend, gehuld in stilzwijgen en leidt een leven van contemplatie en aanbidding. De woorden die de Heer tot haar spreekt bewaart zij in haar hart. Haar nederige levenshouding zet haar ook aan tot onbaatzuchtig dienen.
Nadat de engel Gabriël haar heeft verlaten, snelt zij haar nicht Elisabeth, die evenals zij een kind verwacht, te hulp: 'Maria reisde met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda ... Nadat zij ongeveer drie maanden bij haar gebleven was, keerde zij naar huis terug'. (Lc. 1,39.56) De kleinheid en de nederigheid van Maria werkte als een onvoorstelbare magneet op de liefde van God. Juist in de stilte die Maria was kon Gods Woord weerklinken. Juist in het 'niets' willen zijn van Maria kon het 'Al' van de Heer in haar komen en mens worden.
In stilte heeft Maria God hiervoor geprezen en zij zal dat doen zolang ze leeft. Maar het behoort tot haar zending, dat zij het één keer in de openbaarheid doet. God heeft haar hier nodig als belijdster. Het antwoord van Maria bevat immers een universele boodschap, bestemd voor de hele wereld. Eén enkele keer dus slaat de stilte om in een woordenvloed. Als een vloedgolf of een uitslaande brand komen de woorden over haar lippen gerold. Waar het hart van vol is, loopt de mond over.
Die plotse opwelling in haar, die uitbundigheid is toe te schrijven aan Gods Geest, die haar doet getuigen en doorgeven wat ze heeft ontvangen. Het Magnificat is een uiting evenzeer van een persoonlijke ervaring van Maria als van de heilservaring van het hele volk van Israël. Maria staat hier in een profetische traditie. Wij kennen in het Oude Testament de namen van vrouwen die, vervuld van Gods Geest, ook de mond Gods werden om een actueel gebeuren in een heilshistorisch perspectief te plaatsen. Zo is er in het Exodusverhaal de profetes Mirjam, de zus van Mozes en Aäron, die na de overwinning op de farao de tamboerijn ter hand neemt en voorgaat in een gezang dat de vreugde en de jubel van deze overwinning laat klinken, maar deze dan ook geheel toeschrijft aan de machtige God van Israël. 'Maar Gij hebt met Uw adem geblazen en de zee golfde over hen heen; zij zonken als lood in de menselijke wateren' (Ex. 15,10), 'en lsraëls kinderen trokken er droogvoets doorheen'. (Ex. 25,19)
Verder ontmoeten we Deborah rond de 12de eeuw v. Christus, profetes en rechter, die met Barah een lied inzet na de overwinning op de legeroverste Sisera. Het lied is weer een lofzang op Jahweh: 'Ik wil zingen ter ere van Jahweh, spelen voor Jahweh, lsraëls God'. (Rechters 5,3) En tenslotte hief ook Judith na de uitschakeling van het vijandige leger te midden van alle Israëlieten een overwinningslied aan en het hele volk zong haar deze lofzang na. (Judith 16,1-17)
Zoals Mirjam, Deborah en Judith een zegelied aanhieven horen wij nu die heerlijke ontboezemingen van vreugde, erkentelijkheid en dankbaarheid van Maria tegenover God: de mooiste lofzang die ooit tot Hem werd gericht, geheel in de stijl van de psalmen en waarvan de uitdrukkingen grotendeels aan de H.Schrift zijn ontleend.
De exegeten beweren dat het Magnificat niet van Maria is, maar door Lucas samengesteld met puzzelstukken uit het Oude Testament en dan in haar mond gelegd. Hij zou zich voornamelijk hebben laten inspireren door de lofzang van Hanna (1 Sam. 2,1-10) en nog een stel andere teksten.
Toch is er voldoende reden om aan te nemen, dat het wel degelijk gaat om het gebed van Maria zelf.
Als echte dochter van Israël was zij vertrouwd met de bijbel en met de uitdrukkingen en zegswijzen die erin voorkwamen. Zij was geen Schriftgeleerde, maar heeft zich in de geest van de heilige Schrift horend en lezend 'ingeleefd'. Zij heeft alles in haar hart opgenomen. Zij heeft de woorden niet bemachtigd en gebruikt als materiaal, maar zij liet zichzelf door de woorden bemachtigen en zich er door vormen. En als geen ander was haar ziel begiftigd met het vermogen om de zin en de kern van de heilige woorden te vatten. Want Degene die de schrijvers op bijzondere wijze had bijgestaan, de heilige Geest, was ook in Maria's ziel vanaf de eerste ademtocht tegenwoordig en werkzaam om haar op te voeden tot moeder van de Verlosser.
Het verwondert ons misschien dat een jonge vrouw zo onverwacht in een psalmodisch lied uiting kon geven aan haar diepste gevoelens. In het Oosten echter inspireert de blijdschap makkelijker dan bij ons, meer stugge noorderlingen, tot zang en tot geïnspireerde poëzie.
 
Lofzang van Gods barmhartigheid
 
Door veelvuldig en vaak ondoordacht gebruik van het woord is de diepe betekenis en kracht van het woord 'barmhartigheid' sterk verschraald en soms bijna volledig verloren gegaan. Het wordt al te vaak afgezwakt en herleid tot een gevoelig maar weinig efficiënt 'medelijden of compassie hebben'. Het bijbelse woord voor barmhartigheid 'rachamiem' bevat een grotere betrokkenheid. Het verwijst naar de moederschoot (rèchèm) die het leven draagt. Zoals een moeder bekommerd is met het leven van haar kind. zo is God begaan met ieder van ons. Het Magnificat spreekt achtereenvolgens over Gods genadigheid, Zijn erbarmen en Zijn trouw. Wij kunnen er drie strofen in onderscheiden.
Het eerste couplet (vv. 46-49) verwoordt op een sublieme wijze de 'genadigheid' van onze God.
 
En Maria sprak:
mijn hart prijst hoog de Heer,
van vreugde juicht mijn geest om God mijn Redder,
daar Hij welwillend neerzag
op de kleinheid zijner dienstmaagd.
En zie, van heden af
prijst elk geslacht mij zalig,
omdat aan mij Zijn wonderwerken deed
Die machtig is. (Lc. 1,46-49)
 
'Mijn ziel prijst groot de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God, mijn Redder'. Gelijksoortige zinsneden van lofprijzing en dank vinden wij in allerlei psalmen, maar vooral in psalm 95,1. Daarin staat letterlijk als in het Magnificat: 'Komt, laat ons juichen ter ere van Jahweh, jubelen voor de Rots van ons heil'.
Al deze teksten wijzen op een fundamentele houding in onze relatie met God. De klemtoon ligt hier niet op wat 'wij' te bieden hebben, maar op wat 'Hij' ons te bieden heeft: zomaar, onverdiend. Maria is zich bewust van haar uitverkiezing. Zij ontkent niet wat haar nicht over haar zegt, ze is er zelfs zielsgelukkig om, maar al de lof die haar wordt toegezwaaid, geeft zij dadelijk aan God terug. Het zou niet in haar gedachten opkomen iets van wat zij van God ontvangen had aan zichzelf toe te schrijven. Alles wat Maria overkwam was genade, die de Heer haar bewees. En omwille van haar ingesteldheid van gelovige overgave kon haar veel worden toevertrouwd. Die levenshouding was een eigenschap van de zgn. 'anawim' of 'de armen van geest', die Jezus in de Bergrede zalig prijst. Maria moet vanuit deze houding een diepe vreugde hebben gekend. Terwijl haar leven in feite vol was van lijden en verdriet, moet zij steeds op de bodem van haar binnenste een verborgen en stille blijdschap hebben gekend. die niemand haar ontnemen kon. Dat is een vreugde die een vrede is geworden, zodat alles kon 'geschieden naar Zijn Woord'. Die houding of ingesteldheid wordt ook weergegeven door het woordje 'ootmoed'. Ootmoed in christelijke zin betekent, dat men zich gedurende het leven schikt in hetgeen men heeft leren kennen als de wil van God. Daarom is het hart van de ootmoedigen allereerst gericht op God. Maria heeft zich geplaatst onder Gods tedere blik, zij heeft zich door Hem 'laten bekijken', 'laten beminnen' in haar kleinheid, één en al transparantie. 'De ootmoed van Maria was de ladder, waarlangs God op aarde neerdaalde', zo luidt een gezegde dat wij vinden in één van de Sermoenen van de kerkvader Sint-Augustinus.
'En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig, omdat aan mij Zijn wonderwerken deed Die machtig is'. (cfr. psalm 71,19 en psalm 111,9) Hoe kon Maria, een onbekend en eenvoudig meisje van een jaar of vijftien, in extase uitjubelen dat alle geslachten haar zalig zullen prijzen? En toch is het gebeurd. Nu, na twintig eeuwen, kunnen wij de door de Geest ingegeven profetie of voorspelling toetsen aan de historische werkelijkheid. Haar naam is nog altijd bekend en wordt overal geprezen! Maar toch moet de bedoeling blijven door haar God te eren en te bejubelen, want zo zou Maria het zelf gewild hebben. Omdat Hij groot en machtig, goed en barmhartig is heeft Hij haar gemaakt tot wat ze is. In een tweede couplet (vv. 50-53) beschrijft het Magnificat Gods 'erbarmen of mededogen'.
 
Barmhartig is Hij, van geslacht tot geslacht
voor hen die Hem vrezen.
Hij toont de kracht van zijn arm;
slaat trotsen van hart uiteen.
Heersers ontneemt Hij hun troon,
maar Hij verheft de geringen.
Die hongeren overlaadt Hij met gaven,
en rijken zendt Hij heen met lege handen.     (Lc. 1,50-53)
 
In dit deel van het Magnificat zien wij een sterke parallel met het lied van Hanna (1 Sam. 2,1-10). Bij Hanna en in heel het Oude Verbond is het beginpunt voor het verheffend en bevrijdend handelen van God aanvankelijk de materiële, sociale armoede. Meer en meer echter komt de nadruk te liggen op het louter aangewezen zijn op God, wat zijn oorsprong vindt in de machteloosheid van de armen. Deze afhankelijkheid van God staat bij Maria helemaal centraal. Zij die hier aan het woord komen zijn de marginalen, de verschoppelingen, de kleine mensen die altijd weer aan het kortste eind trekken en die daarom alleen nog hun hoop op God hebben gesteld. Mensen die vanuit hun ellende tot Hem roepen. Mensen die blijven volhouden dat God hen niet in de steek laat, mensen die ook nooit zullen ophouden met roepen. Eigenlijk is hun roep een geloofsbelijdenis, een akte van vertrouwen: ik roep tot U, omdat ik geloof dat Gij met ons wilt zijn, dat Gij een God zijt van trouw, met mensen verbonden en die uitkomst biedt. Zo wordt 'arm' synoniem van 'godvrezend' of 'vroom'. Het zijn deze mensen, die Jezus op Zijn beurt zalig heeft geprezen in de Bergrede: de armen en hongerigen, de bedroefden en vervolgden. (Lc. 6,20-23) Maar de trotsen neerslaan, de heersers hun troon ontnemen, de rijken met lege handen wegsturen lijkt dan weer wraakzuchtig en weinig christelijk. Hetzelfde valt te zeggen van het viervoudig 'wee', dat in het evangelie van Lucas op de zojuist genoemde zaligsprekingen volgt. Om deze taal te verstaan moet men weten dat armoede, lijden en vervolging in die tijd als straf van God werden gezien. De arme was alzo een zondaar, de rijke voelde zich door God gezegend. Tegen deze misvatting gaan beide teksten in. Het is niet waar, God staat niet aan de kant van de heersers en de rijken. De aardse maatstaven gelden niet in het Koninkrijk van God, maar worden hier radicaal omgedraaid. De wereld op zijn kop! In onze wereld zijn het de mensen die macht, rijkdom en genie verenigen, die het maken en zich een positie verwerven. Machtsvertoon, machtsontplooiing en machtsgrepen beheersen de nieuwsberichten en veroveren de ether. Macht heeft ook altijd te maken met inboezemen van vrees, hanteren van wapenpotentieel, verdrukking, drang om te doden en te vernietigen. Het is het beeld van elke krant die we in handen krijgen, van ieder nieuwsbericht, van ieder radioverslag. Macht viert haar hoogtij, brutaal, openlijk, schaamteloos. Onverbloemd, in niet mis te verstane taal wordt hiermee in het Magnificat afgerekend! Is deze handelwijze tegenover machthebbers en onderdrukkers trouwens niet de enige en harde weg, die de barmhartigheid inslaat om hun ogen te openen voorde enige realiteiten die waarde hebben en ook om hen geschikt te maken om binnen te treden in het Koninkrijk waar alles liefdesgave is ... En tenslotte bezingt Maria in een derde couplet (vv. 54-55) Gods barmhartigheid, die zich uitdrukt in Zijn 'trouw'.
 
Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken,
indachtig Zijn barmhartigheid voor eeuwig
jegens Abraham en zijn nageslacht.   (Lc. 1,54-55)
 
God blijft trouw aan Zijn Verbond ondanks de ontrouw van Zijn volk, want 'zo heeft Hij het beloofd aan onze vaderen'. Het is als een vaak weerkerend refrein, vergelijkbaar met ons eigen oerchristelijk keervers bij de psalmen 'sicut erat in principio'.
Maria kijkt hier terug op de geschiedenis van haar volk. Zij gelooft in de vervulling van de Messiaanse belofte, omdat God aan Zijn woord trouw blijft van geslacht tot geslacht.
Maria spreekt dus in het Magnificat tot ons over de wijze waarop God met mens en wereld omgaat. Maar dit niet alleen.
Zelf is zij de ware verpersoonlijking hiervan. Het inzicht in Gods barmhartigheid, dat reeds aanwezig was in het Oude Testament (Ex. 33,19.34,6; Jes. 54,10 e.a.) en dat in Maria zelfs nog wordt verdiept, komt in haar ten overvloede tot voltooiing.
 
Olav Vandebril, priester. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht