• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Op bedevaart naar Rome: De Catacomben

2/11/2018

 
Verschenen in POSITIEF nr. 463 – JUNI 2016

​We kennen allemaal het gezegde 'alle wegen leiden naar Rome'. Dit geldt voor heel wat toeristen en zeker voor de pelgrim. Er zijn niet alleen de grote hoeveelheid historische gebouwen en overblijfselen die herinneren aan de klassieke Oudheid, maar ook de belangrijke kerken en heiligdommen.
Een bedevaart naar Rome gaat altijd in de eerste plaats naar de graven van Petrus en Paulus, de pijlers van de Kerk. Tijdens dit 'heilig jaar van de barmhartigheid' zullen vele pelgrims ook de drempel willen overschrijden van de Heilige Deur van de vier eerbiedwaardigste basilieken van deze stad: de St. Pietersbasiliek en de basilieken St. Paulus Buiten de Muren, St. Jan van Lateranen en Maria de Meerdere. Maar daarnaast is er nog een belangrijk onderdeel, dat een bedevaart naar Rome inhoudt en betekenis kan geven: een bezoek aan de catacomben, de ondergrondse begraafplaatsen van de eerste christenen.
 
Als negenjarig jongetje reeds kreeg ikzelf daartoe de gelegenheid samen met mijn broer Alex, zus Myriam en mijn ouders. Toen ik opnieuw in 1991 gegidst werd in één van de catacomben maakte ik een reeks aantekeningen, die ik verwerkt heb tot dit artikel. Het beperkt zich tot een eerste en algemene kennismaking. De neerslag van een meer diepgaande en gedetailleerde studie vindt men in een brochure van mijn broer 'Catacomben. Vroegchristelijke begraafplaatsen: wortels van ons geloof en van de Europese beschaving', in eigen beheer uitgegeven in 2009 (bestellen tel. 0488/585191). Als gids geeft hij al sinds 1976 rondleidingen, aanvankelijk in de catacomben van St. Sebastiaan en daarna in de catacomben van St. Callixtus, beheerd door de paters Salesianen van Don Bosco.
 
Eerste christenen en martelaren
 
Sinds eeuwen is Rome de hoofdstad van het christendom, het spirituele centrum van de katholieke wereld. Reeds in de vijftiger jaren van de eerste eeuw was er in Rome een levendige gemeenschap van Jezusvolgelingen ontstaan. Historici zijn het erover eens, dat het christendom Rome binnenkwam via de handelsroutes. De meeste christenen waren Joden-christenen, maar ook bekeerlingen uit het heidendom. Zij bleven blijkbaar niet gespaard van verdachtmaking en tegenwerking. Hun religie werd aanzien als een 'vreemd en illegaal bijgeloof' en bleef dan ook drie eeuwen lang verboden. Keizer Nero begon de christenen zelfs systematisch te vervolgen, omdat zij zijn goddelijke status niet erkenden. En velen na hem volgden zijn voorbeeld. Christenen werden gekruisigd, levend verbrand of ter vermaak voor de leeuwen gegooid in de arena van het Colosseum.
Ondanks die hevige vervolgingen verspreidde het christendom er zich evenwel razendsnel. De dynamiek en de kracht van het christelijk geloof was zo groot dat het onweerstaanbaar was geworden, zelfs voor de keizer. Dit zou de aanzet zijn om van het christelijk geloof de nieuwe 'staatsgodsdienst' te maken. Dit gebeurde in 313 door keizer Constantijn de Grote.
Uit de Handelingen van de Apostelen weten we, dat de apostel Paulus enkele jaren in Rome verbleven heeft In zijn brief aan de Romeinen drukt hij zijn verlangen uit om de christenen in Rome te bezoeken. Over het verblijf van Petrus in Rome daarentegen lezen we niets, maar bestaan er wel tal van legendes en verhalen. Zo zou hij samen met Paulus tussen 60 en 62 na Christus gevangen gezet zijn in de Marmetijnse gevangenis. Een herinnering hieraan is het kerkje 'Domine quo Vadis'. Dit kerkje, dat stamt uit de 4° eeuw en werd verbouwd in de 17° eeuw, is gelegen langs de Via Appia Antica op ongeveer 1 km buiten de oude stadspoort San Sebastiano. Volgens de legende kreeg Petrus na zijn vlucht uit de gevangenis hier een verschijning van de Heer. Op zijn vraag 'Domine, quo vadis' (Heer, waar gaat Gij heen?), antwoordde Christus hem: 'Venio iterum crucifigi' (Ik kom om Mij opnieuw te laten kruisigen).
Daarop was Petrus beschaamd naar Rome teruggekeerd en is daar de marteldood gestorven. Binnen het kerkje bewaart men een afbeelding van de afdruk, die Jezus' voeten zouden hebben nagelaten. Petrus werd gekruisigd - niet rechtop zoals zijn Meester, maar op zijn vraag met het hoofd naar beneden - en daarna begraven op de Vaticaanse necropool (die nu onder de huidige basiliek ligt). Ook Paulus stierf de marteldood. Hij echter werd niet gekruisigd gezien hij een Romeins staatsburger was, maar men hakte hem het hoofd af. Hij kreeg vervolgens een rustplaats op een dodenakker langs de Via Ostiense.
 
Christelijke begraafplaatsen
 
In het Oude Rome had men niet het recht zich binnen de stadsmuren te laten begraven, maar wel buiten de stad. Langs alle grote wegen (Appia, Latina, Salaria ... ) zie je dan ook eindeloze rijen gedenkstenen en tombes, alsook grote grafmonumenten van rijke patriciërsfamilies. Zo werden de reizigers steeds omringd door de doden, die door de levenden herdacht wilden worden. Deze graven vielen onder de Romeinse wetgeving, die hen o.rn, beschermde tegen plunderingen.
De meest beroemde van die grote wegen, die sedert de tijd der consuls in alle richtingen de stad uitgingen, was de Via Appia Antica, genoemd naar Appius Claudius die hem in 312 na Christus liet aanleggen. Beginnend aan de Porta San Sebastiano (de oude 'Porta Appia' van de Aureliaanse stadsmuur) verenigt deze weg zich na 15km met de Via Appia Nuova. In de Oudheid verbond deze weg Rome met het Zuiden van Italië. Deze grote weg, die eens de grootste ter wereld was, is thans zo klein en stil geworden en zo verlaten tussen de vervallen grafmonumenten en eenzame pijnbomen, dat men met weemoed aan de oude tijden terugdenkt. Langs deze grote wegen bevonden zich ook openbare begraafplaatsen. Hier werden ook christenen begraven, bovengronds, samen en naast niet-christenen. Dit bleef zo in de loop van de eerste eeuw. Enige tijd later wilden de christenen eigen begraafplaatsen, afgezonderd van de heidenen. Maar de grond was duur en de christenen waren meestal arme mensen. Weinigen bezaten een eigen stukje grond. In de tweede helft van de 2° eeuw merkt men dan ook dat christelijke grondeigenaars hun terreinen buiten de stad open stelden voor overleden geloofsgenoten, die zich geen eigen graf konden veroorloven. De Romeinen noemden hun begraafplaatsen 'necropoli' of 'stad van de doden'. De eerste christenen verkozen een ander woord, dat ze zelf gemaakt hadden, nl. 'cimitero' of 'slaapplaats'. Met dit woord gaven ze gestalte aan hun geloof in de verrijzenis.
 
Catacomben: ondergrondse grafkelders
 
Toen er geen plaats meer was voor graven boven de grond, was de enige oplossing ondergrondse begraafplaatsen. Men maakte gewoon een trap naar beneden en groef vandaar gangen uit. Die gangen werden 'galerijen' genoemd. Om licht en lucht binnen te laten werden er verticale openingen, de zogeheten 'lucernari', uitgehakt. Maar toch bleef het daar beneden wel erg donker. Degenen die de catacomben uitgroeven noemde men 'fossores'. Hun werk vroeg veel geduld en vorderde langzaam. Ze gebruikten houweel en schop bij de lichte schijn van olielampen. Het uitgegraven tuf (zacht vulkanisch gesteente) brachten ze naar boven inzakken of manden.
Nadat keizer Constantijn in 313 voor de Kerk vrede had gebracht en het gevaar voor vervolgingen geweken was, groeide het aantal christenen spectaculair en was er ook een explosieve toename van christelijke graven. De catacomben, die eerst zelden langer waren dan 200 meter, kregen de afmetingen die we nu kennen: een doolhof van gangen met vier of vijf verdiepingen onder elkaar, waarin de doden werden bijgezet in de wanden meerdere rijen boveneen. Men schat de lengte van de gangen in de catacomben van Rome tussen 900 en 1200 km. Aanvankelijk in eigendom van particulieren, gingen de catacomben ca. 200 over aan de christelijke gemeente, die een eigen beheerder aanstelde. De afzonderlijke catacomben werden genoemd naar de oorspronkelijke eigenaar of stichter (catacombe van Domitilla), naar de beheerder (catacombe van St. Callixtus) of naar een beroemde martelaar (catacombe van St. Sebastiaan).
De naam 'catacombe' komt vermoedelijk van een plaats aan de Via Appia Antica buiten Rome tussen de 2° en 3° mijlpaal en is afgeleid van 'kata kumbas', wat uit het Grieks vertaald 'bij de terreinglooiing' betekent.
Die naam werd gegeven aan een christelijke begraafplaats, die was ingericht in een steengroeve onder de nabijgelegen kerk van St. Sebastiaan. Later ging deze benaming ook over op de andere ondergrondse begraafplaatsen in Rome en ver daarbuiten (Klein-Azië, Egypte en Griekenland). 
 
Graven en grafkamers
 
Bij de Romeinen was het gebruikelijk de overledenen te verbranden. De as werd in een vaas (urne) naar de begraafplaats gebracht. Voor de christenen daarentegen was crematie uit den boze. De dood werd door hen gezien als een rustpauze in afwachting van de wederopstanding, en om op te staan heb je een lichaam nodig. Naar het voorbeeld van Jezus werd het lichaam dan ook begraven en met de nodige eerbied omgeven. De dode lichamen werden in een laken (linnen) gehuld en bijgezet in de gaten, die werden uitgehakt in de wanden van de catacombengangen. Deze eenvoudige grafnissen, ook 'loculi' genoemd, waren rechthoekig en juist ruim genoeg om een menselijk lichaam met opgetrokken benen en gekruiste armen in te leggen. De afsluitplaten bestonden uit terracotta of marmer en droegen in plaats van de naam vaak een zeker teken, bijvoorbeeld een zaag voor het graf van een schrijnwerker. Veel van zulke platen bleven behouden.
Rijkere christelijke families hadden een eigen grafkamer, ook 'cubiculum' genoemd, een kleine vierkante ruimte met prachtig versierde wanden en grotere nissen in de vorm van een boog. Een dergelijk booggraf noemde men een 'arcosolium'. Vermits er vele christenen bijgezet wilden worden bij het graf van bekende martelaren ontstonden er ook grotere kamers. In dit geval spreekt men van een 'crypte', zoals de crypte van de heilige Cecilia.
De begraafplaatsen werden oorden van samenkomst om de gedachtenis te vieren van de doden. Dit gebeurde meestal in de geest van de oude familiecultus, maar ook vanuit de idee van de gemeenschap van de heiligen. Op de derde dag na het overlijden en op de verjaardag ervan vierde men bij het graf de H. Eucharistie. Het zou echter onjuist zijn te menen dat hier de normale cultusplaats was, want daarvoor waren de ruimten te eng en te slecht verlucht.
 
Verering der martelaren
 
In de catacomben bevonden zich ook heel wat graven van martelaren. Al vlug werden zij voorwerp van verering. Men zorgde voor een rijke versiering van deze graven en boven de graven van beroemde martelaren werden kerken en kapellen gebouwd. Paus Damasus liet bij deze graven zijn bekende metrische inschriften aanbrengen. Omdat in de nabijheid hiervan vele doden werden bijgezet, kenden deze catacomben de sterkste uitbreiding.
Bij de aanvang van de 5° eeuw werden er in de catacomben geen doden meer begraven en kregen zij opnieuw een rustplaats bovengronds. Gedurende de daaropvolgende eeuwen beschouwde men de catacomben hoofdzakelijk als rustplaats van martelaren en velen kwamen naar hun graven om er te bidden. Uit deze periode dateren de devote 'graffiti' (korte aanroepingen van de heiligen of verwijzingen naar bepaalde riten), die door pelgrims in de wanden van de catacomben ingekrast werden, en ook 'itinerari' (reiswijzers of gidsen voor de catacomben).
De bedevaarten gingen door tot de 7° en de 8° eeuw. Door de invallen van de barbaren in Italië veranderde de situatie. Toen ook de omgeving van Rome geteisterd werd door deze roversbenden, bracht men de vereerde stoffelijke overschotten (relikwieën) uit de ondergrondse begraafplaatsen over naar de kerken in de stad. Vanaf dan werden deze begraafplaatsen verlaten en vergeten. Ze geraakten helemaal in verval met uitzondering van St. Sebastiaan, die men altijd zou blijven bezoeken. Het duurde tot de 16° eeuw vooraleer de catacomben werden herontdekt. Antonio Bosio was de man die ze voor het eerst terug in de aandacht bracht. In de 19° en 20° eeuw begon men ze wetenschappelijk te onderzoeken. Bekend is hier vooral Giovanni Battista de Rossi, die beschouwd wordt als de grondlegger van de hedendaagse archeologie en die na zijn dood een plaats zou krijgen in de catacomben van St. Callixtus.
 
Afbeeldingen en grafinscripties
 
Op allerlei wijzen vinden wij in de catacomben een ontroerend getuigenis van de eerbied, die men voor de overledenen had, van het geloof in de verlossing uit zonde en dood en het geloof in het eeuwig leven. Op de graven beitelden de christenen zinnen als 'leef nu met Christus', 'leef nu met de heiligen'. Voor hen was het graf slechts een kleedkamer, waarin wij onze stoffelijke kleren afleggen om ons te bekleden met het witte kleed van de onsterfelijkheid. Zij geloofden in het woord van de Heer: 'Er komt een uur, ja het is er al, waarin de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die ernaar luisteren zullen herleven'. Dit geloof ziet men weergegeven met tal van symbolen: het anker (hoop), de duif met een olijftak in de bek (vrede), de pauw (onsterfelijkheid), de feniks (verrijzenis), de palm en de kroon (overwinning), de fontein met sprankelend water (eeuwig leven), de kom vol graan (vruchtbaar leven), het schip en de vuurtoren (onderweg naar veilige haven). Sommige tekens, die werden aangebracht, zijn acroniemen of letterwoorden, gevormd uit de beginletters van andere woorden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het Griekse woord voor vis 'ichthus', samengesteld uit de letters: 1 (Jezus), CH (Christus), TH (Gods), U (Zoon), S (Redder) ... Zo heb je ook het Christusmonogram: een X (chi) bovenop een P (rho). Ook dat is Grieks. De X en de P zijn de eerste letters van het Griekse woord voor Christus. En tenslotte komen ook de 'alfa en omega', de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet, veelvuldig voor. Zij duiden aan dat Christus de Heer is, begin en einde van alles. Op de graven staan nog andere inscripties met een duidelijke boodschap. Al deze inscripties, meer dan 80.000, verwoorden gevoelens van genegenheid, geloof, hoop, pijn en verdriet om de overledene. Soms bevatten ze een wens of een gebed. Ze zijn a.h.w. een dialoog tussen de levenden en de doden, die zich met elkaar verbonden voelen in een unieke verwachting en zekerheid van een beter leven na de dood. 
 
De catacomben bewaren ook de voortbrengselen van de eerste christelijke kunst, die vaak in fresco's en beeldhouwwerk de gedachte aan opstanding en bevrijding tot uitdrukking brengt, maar ook andere geloofsgegevens. De motieven die eerst voorkomen zijn de 'orante', de gelovige in biddende houding, en de 'Goede Herder', die het gewonde lam oppakt en in Zijn armen draagt of op Zijn schouders legt Deze afbeeldingen verschijnen geschilderd op zolderingen tussen rijke versieringen met bloemen. ingegrift op grafstenen, in reliëf gemodelleerd op sarcofagen.
Dan volgen de verwijzingen naar de initiatiesacramenten nl. het doopsel en de Eucharistie. Het doopsel: water uit de rots met Mozes, de visser, de doop van Christus, het gesprek met de Samaritaanse over het levend water, de lamme die zijn bed opneemt ('uw zonden zijn u vergeven'). De Eucharistie: de zeven korven (overgebleven brokken bij de wonderbare broodvermenigvuldiging) en zeven deelnemers aan het aardse of hemelse refrigeriummaal (lett. verfrissing of verkwikking), een maaltijd ter nagedachtenis van de overledene of een voorafbeelding van het hemels feestmaal.
Daarna komen, 150 jaar lang, de mysterieuze en steeds herhaalde Oud Testamentische tonelen van redding-uit-doodsnood: Isaak op de berg Moria, Daniël tussen de leeuwen, Susanna tussen de oudsten, Noach in de ark, de drie jongelingen in de vuuroven, Jona overboord geworpen, opgeslokt, uitgespuwd en rustend onder de pompoenstruik. Rond het jaar 300 verschijnen ook de illustraties van Gods ingrijpen in het Nieuwe Testament: Jezus, die de ogen van de blinde aanraakt, die Lazarus uit het graf doet opstaan, die broden vermenigvuldigt of water in wijn verandert.
Heel deze kunst, nog uit de periode van voor de vrede van Constantijn, is er een van gesluierde aanduidingen van het mysterie van de Christus, de Verlosser uit de dood.
Als besluit citeer ik de woorden van mijn broer... De christelijke catacomben geven als geen andere archeologische bron inzicht in het vroege christendom in Rome. Er bestaat geen andere plek waar een gelijke concentratie van graven, vroegchristelijke schilderingen en grafinscripties gevonden kunnen worden. 'Lapides clamabunt' betekent mogelijk in deze context dat deze catacombenstenen als getuigen blijven schreeuwen, ook als wij niet meer zullen spreken.
 
Tegenwoordig kun je in Rome de volgende catacomben bezoeken:
 
- San Sebastiano (Via Appia Antica)
- San Callisto (Via Appia Antica)
- Priscilla (Via Salaria)
- Domitilla (Via delle Sette Chiese)
- San't Agnese (Via della Nomentana)
 
Olav Vandebril,
priester. 


Opmerkingen zijn gesloten.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht