• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

De Apostolische Geloofsbelijdenis

3/9/2018

 
Verschenen in POSITIEF nr. 476 – NOVEMBER 2017

​Oorsprong en bron van alle geloof liggen in de Godsontmoeting, in het contact dat tot stand komt tussen God en de mens. Maar het geloof heeft ook een inhoud. Het geloof wordt niet alleen beleefd en gevierd, het wil ook verwoord en beleden worden.
De inhoud van het geloof werd door de Kerk kernachtig samengevat en officieel vastgelegd in 'het Credo', het Latijnse woordje voor 'ik geloof'. Er is een korte en een langere versie. De korte is de 'apostolische geloofsbelijdenis' of de zgn. 'twaalf artikelen van het geloof'. De langere dateert van de 4° eeuw en gaat terug op de concilies van Nicea en Constantinopel.
We spreken zo vaak de geloofsbelijdenis uit, wanneer we samen zijn in de zondagseucharistie. Velen kennen de woorden uit het hoofd. Het is echter niet voldoende dat wij deze woorden zo kunnen opzeggen, maar dat wij ook nadenken over datgene wat wij uitspreken. De geloofsbelijdenis - in haar formulering en in de liturgische zegging van zondag tot zondag - helpt ons de schoonheid en de rijkdom ervan te ontdekken, opdat wij met nog meer overtuiging ons geloof zouden beleven en ervan zouden getuigen.
In deze bijdrage willen wij de inhoud van de geloofsbelijdenis van dichterbij bekijken en tot ons laten spreken.
 
Ik geloof in God,
de almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde
 
We beginnen de geloofsbelijdenis met de woorden 'ik geloof in God': niet in iets, maar in Iemand. God is meer dan een onpersoonlijke bestaansgrond, meer dan een oceaan van vitaliteit en energie.
Het christendom belijdt God als Vader, Zoon en heilige Geest: één in drie personen. Het begrip 'Drie-eenheid' of 'Drievuldigheid' dateert van 381, van het Concilie van Constantinopel. Jezus heeft het nooit gebruikt. Het komt niet voor in de bijbel, maar wordt er wel uit afgeleid en openbaart iets van de liefdesdynamiek in God. God toont zich niet als een statische, onbewogen God, maar als een levende realiteit van relatie en gemeenschap. Het wijst op een continu proces, een interne dialoog binnen God, die leidt tot schepping, verlossing en alles vernieuwende geestkracht. De dynamiek, die het wezen van God bepaalt, is dus de dynamiek van de liefde en niet die van een verpletterende of willekeurige almacht. Omwille van deze liefde leerde Jezus ons God aan te spreken als 'Vader' en zelfs op een meer intieme en tedere wijze 'lieve Vader'. Vader in de echte en diepe betekenis van het woord en dus hoog boven alle aardse vaderschap verheven. Zo is God in feite vader en moeder tegelijk. Gods liefde is even 'vaderlijk' als 'moederlijk'. (Vgl. Jes. 49,15)
Door onze verbondenheid met Jezus is onze spontane relatie tot God dus levendiger geworden en versterkt, en mogen we ons 'kinderen van God' noemen en 'broers en zusters' van elkaar.
Gods liefde openbaarde zich in de schepping van hemel en aarde, en ook van de mens. Heel de schepping staat trouwens op de mens gericht en wordt toevertrouwd aan de zorg van de mens. Door aan de schepping mee te werken en er verantwoordelijkheid voor op te nemen realiseert hij Gods plan. De mens mag alles beheren, maar met respect voor wat hij heeft gekregen.
 
God heeft alles geschapen, maar de schepping is niet ten einde. Nu nog is God scheppend aan het werk. Bij Hem kent het werkwoord 'scheppen' geen verleden tijd; het staat altijd in de tegenwoordige tijd. Hij houdt alles in stand, Hij is de bron die alles en allen doet leven. Alles is met Hem verbonden. ja van Hem afhankelijk. En eenmaal zal Hij alles tot voltooiing brengen.
Gods almacht belijden betekent dan: zich toevertrouwen aan Hem met de vaste zekerheid, dat Zijn liefde uiteindelijk alles ten goede leidt.
 
En in Jezus Christus,
Zijn enige Zoon,
onze Heer
 
Dit artikel van onze geloofsbelijdenis verwijst naar de Menswording. God werd mens, Hij trad onze geschiedenis binnen en kwam wonen te midden van ons. Voor de christenen is Jezus de Messias, Hij die aangekondigd werd als onze Redder en Verlosser. Zij zien in Hem de Zoon van God. Met de Kerk van de eeuwen belijden wij dus vanuit de heilige Schrift ons geloof in de Zoon, één in wezen met de Vader en die 'omwille van ons heil' hier op aarde is verschenen.
Jezus was zich bewust van Zijn zending en had ook veel over Zijn hemelse Vader gesproken. Hij deed dit op een manier die liet vermoeden dat Hij een heel bijzondere band, een heel eigen relatie had met de Vader. Het leek wel of Hij bij de Vader 'kind aan huis' was. Dat was de leerlingen dan ook opgevallen. Daarom de vraag van één van hen: 'Heer, toon ons de Vader'.
Mogelijk is dat ook onze vraag: 'God, waar is Hij? Waar kunnen we Hem nog zien, nog ervaren?' Het antwoord van Jezus is eenvoudig: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader'. In Hem wordt de Vader zichtbaar. Hij is in menselijke gestalte beeld van God. Om God te zien, om God te leren kennen moeten we naar Jezus kijken. Zoals Jezus liefdevol was, zo is God liefdevol. Zoals Jezus trouw en barmhartig was, zo is God trouw en barmhartig en mensen nabij, vooral de kleinen, de zwakken, de armen. leder mens is Hem zoveel waard, dat Hij er zich mee identificeert en Zich aan hem openbaart. Want de bedoeling van een mensenleven is Hem te leren kennen en lief te hebben en te delen in het leven en de goedheid van God.
In de mens Jezus van Nazareth hebben wij Gods eigen Woord gehoord, Gods eigen Zoon gezien. Hij kon met recht beweren dat Hij de Weg, de Waarheid en het leven is. Hem aanvaarden als de Heer van ons leven betekent dan ook: Zijn weg gaan, Zijn gezindheid en levensstijl eigen maken, zich openstellen voor Zijn Woord en voor het Leven dat Hij ons schenkt.
 
Die ontvangen is van de heilige Geest
en geboren uit de maagd Maria
 
Vooral de evangelist Mattheüs wil in zijn relaas over de geboorte van Jezus aantonen, dat met Jezus Gods Zoon geboren werd. Hij schrijft: 'De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze: toen Maria verloofd was met Jozef, bleek zij, voordat ze gingen samenwonen zwanger van de heilige Geest'.
Enerzijds hangt de Menswording essentieel samen met de reële geboorte van een baby uit een moederschoot en heeft Jezus dus werkelijk onze menselijke natuur aangenomen. Anderzijds overstijgt Hij onze natuur door de wonderlijke wijze, waarop Hij in de moederschoot ontvangen werd: niet als vrucht van een seksuele daad, maar door het ingrijpen van de heilige Geest. De Kerkvaders zeggen: 'Voordat Maria het Kind ontving in haar schoot, had zij het reeds ontvangen in haar hart, en wel door haar gelovige ontvankelijkheid en overgave'. Maria stond zodanig open voor God en met zulk een beschikbaarheid, dat zij waardig en geschikt bevonden werd om Zijn Zoon ter wereld te brengen. Mattheüs ziet hierin de vervulling van de profetie van Jesaja: 'Zie, de maagd zal ontvangen en een Zoon baren; zij zal Hem noemen: Emmanuel of God-met-ons'. (Jes. 7,14)
 
Die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
gekruisigd is, gestorven en begraven
 
Deze tweede belijdenis over Jezus staat in schril contrast met de vorige. Hij die aanspraak maakte de eigen Zoon van God te zijn kent de uiterste vernedering tijdens Zijn lijden en sterft met Gods stilzwijgen, schijnbaar verlaten door Zijn Vader. 'Jezus, de Rechtvaardige, wordt overgeleverd in de handen van de zondaars', zo staat in de heilige Schrift. (Mc. 14,41) Angstwekkende uren heeft Hij doorstaan in de Hof van Olijven. Hij heeft gebeden dat de lijdenskelk aan Hem zou voorbijgaan. Maar omdat Hij in Zijn liefde tot het uiterste wilde gaan, zou Hij ook deze beker moeten drinken. Jezus deed dit in overgave aan Zijn Vader.
Bij Jezus was het lijden en sterven de uiterste consequentie van Zijn liefde. 'Geen groter liefde kan iemand hebben dan hij, die zijn leven geeft voor zijn vrienden'. Maar lijden is ook een dimensie van ons mens zijn. Het hoort bij ons. Het maakt een integrerend deel uit van ons onvolkomen bestaan en voor allen even onontkoombaar. Vroeg of laat krijgt elkeen ermee te maken. Het is echter een troost en een hulp. bij alle pijn en moeilijkheden waarmee wij geconfronteerd worden, de gestalte van de gekruisigde Jezus te herkennen. Als we de Gekruisigde omhelzen en beminnen, dan geeft Zijn tegenwoordigheid ons weer nieuwe moed om door te gaan.
 
Die neergedaald is ter helle,
de derde dag verrezen uit de doden
 
Als mens heeft Jezus het meest weerzinwekkende lijden gekend. Fysisch, maar ook psychisch: verraden worden door een vriend, valse beschuldigingen, de haat van een opgezette volksmassa, de zwakte van een rechter, de dubbelzinnigheid van een rechtspraak en vooral zich afgesneden voelen van God. 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' (Mc. 15,34) Daarbij kwam het besef van de zondigheid van de mensen in de wereld, wat woog als een onvoorstelbare ballast op Zijn rug en als Zijn zwaarste kruis .. In welke afgrond is Jezus afgedaald? Niemand zal ooit de diepte en de ontluistering, die Hij heeft doorgemaakt, kunnen peilen! In de geloofsbelijdenis staat: Hij is werkelijk neergedaald ter helle, overgeleverd aan de machten van de duisternis.
Langs de vernederde en verlaten Jezus zegt God ons: 'Ik heb de hel van je leven en ook de dood bezocht. Weest niet bevreesd. Zelfs in je diepste wanhoop zal Ik bij jou zijn'. Jezus zelf geeft geen enkele rechtvaardiging van het lijden. Neen. De laatste waarheid over het lijden is niet uit het lijden zelf af te lezen. Ze komt nadien. Ze licht maar op in wat op het lijden volgt: de verrijzenis. Alleen overgave in vertrouwen op God - zelfs in de grootste verlatenheid - is Jezus' antwoord op het waarom van het lijden. Hij verheft de dwaasheid van het lijden tot wijsheid. Voor Hem is het lijden de ruimte waarin de liefde een (uit-) weg baant en vrucht draagt. Meer zelfs: sinds Jezus is het kruis een noodzakelijke doorgang naar het ware leven en de echte vreugde.
 
Die opgevaren is ten hemel
en zit aan de rechterhand van God,
Zijn almachtige Vader
 
Op Jezus' diepste vernedering op het kruis volgde Zijn hoogste verheffing in de heerlijkheid van de Vader. Jezus kwam van bij God en nu keert Hij naar Hem terug. 'Hij, die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend, die boven alle namen is' . (Fil. 2,6.8-9) De geloofsbelijdenis zegt: 'Hij is opgestegen ten hemel en zit aan Gods rechterhand'. Opstijgen en zetelen zijn slechts suggestieve beelden om weer te geven, dat Jezus na Zijn verrijzenis weer thuiskomt in de wereld van Zijn Vader.
In de verheffing en verheerlijking van Jezus Christus ontvouwt God ook Zijn uiteindelijke bedoeling met de mens, diens onvergankelijke waarde en eeuwige bestemming, over de dood heen. Zo kunnen we aannemen wat Jezus ons te verstaan gaf: 'Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben'. (Joh. 14,2) Gezeten aan de rechterhand van de Vader is Hij onze Voorspreker en Bemiddelaar in dit leven. Wanneer wij belijden dat de verrezen Heer de aarde heeft verlaten en opgevaren is ten hemel, belijden wij alzo tegelijkertijd dat Hij op een nieuwe wijze bij ons is en bij ons blijft tot het eind van de wereld om ook ons deelgenoot te laten worden aan wat de Vader met Hem deed.
 
Vandaar zal Hij komen oordelen
de levenden en de doden
 
'Vandaar zal Hij wederkomen ... '. 'Deze Jezus zal op dezelfde wijze wederkeren als ge Hem naar de hemel hebt zien gaan'. (Hand. 1,11) Zijn wederkomst opent ook voor ons enorme perspectieven. De ogen gericht houden op de Heer die 'met de wolken komt' (Apoc. 1,7), op Hem 'die is en die was en die komt, de Albeheerser' (Apoc. 1,8), dat betekent: zich ontlast voelen, verder kunnen leven, misschien jaren achtereen in doodsangst; maar in de donkere nacht van de eenzaamheid hopen op het morgenrood van de gerechtigheid in de verte. 'Doe Gij, o God, mij recht. Beslecht het pleit voor mij'. (Ps. 43,1) 'Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, waarmee de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij zal belonen op de grote dag'. (2 Tim. 4,8)
Allen zullen samengeroepen worden door de Mensenzoon. (Mt. 25,31- 42) Op die laatste dag, waarover de bijbel herhaaldelijk spreekt, zal het eindoordeel plaatsvinden. Dit oordeel hoeft ons niet af te schrikken want evengoed blijft waar hetgeen Johannes in zijn evangelie vooropstelt, 'dat de Zoon gekomen is om te redden en om het leven te geven dat in Hem is'. (Joh. 3,17 en 5,27) Dit boezemt vertrouwen in en wijst op barmhartigheid. Anderzijds roept oordeel ook verantwoordelijkheid en verantwoording op en vraagt om gerechtigheid. Het 'laatste oordeel' over ons zal tegelijk barmhartig en rechtvaardig zijn.
 
Ik geloof in de heilige Geest
 
De geloofsbelijdenis ontsluit steeds meer de diepte van het wezen van God en leidt ons binnen in Zijn Drie-eenheid, waarvan de heilige Geest de derde persoon is. Hij komt voort uit de algehele wederkerigheid van de eeuwige liefde tussen de Vader en de Zoon. Hij is de liefdegave, waardoor God Zichzelf aan de mens meedeelt.
Van de drie goddelijke personen is de heilige Geest de meest mysterieuze. Wij kennen de Geest niet zoals wij de Vader en de Zoon kennen. Hij ontsluiert Zijn Wezen door hetgeen Hij bewerkt, in de heilige Schrift meestal in een beeldrijke taal omschreven. Het Griekse woordje dat er gebruikt wordt voor de Geest is 'pneuma', wat betekent 'wind, lucht, adem'. In Zijn gesprek met Nicodemus zegt Jezus: 'De wind blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis, maar weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met ieder die geboren is uit de Geest'. (Joh. 3,8)
Vooral 'de adem' leert ons wat de Geest doet. Zonder adem geen leven. Een lichaam dat niet ademt is dood. Als christenen zijn wij dood, wanneer de heilige Geest niet in ons 'ademt'.
De dag van Pinksteren wordt Hij in volheid uitgestort over de Kerk om het reddingswerk van Christus tot vervulling te brengen. Dankzij de gave van de heilige Geest kan de Kerk diens zending voortzetten.
Ook is de heilige Geest, samen met de Zoon, gezonden om de mens te heiligen. Door het doopsel en het vormsel maakt Hij de mens deelachtig aan het goddelijk leven en neemt hem op in de wederzijdse liefde tussen de Vader en de Zoon. Wie zich door Hem laat leiden, brengt Hij tot de volle waarheid en het volle leven. Luisterend naar de Geest zullen wij Hem dan ook in ons eigen hart ervaren. En de vrucht van de Geest noemt Paulus 'liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, zachtmoedigheid en zelfbeheersing'. (Gal. 5,22-23)
Wetend hoe levensnoodzakelijk de heilige Geest is, zouden wij meermaals de hymne moeten bidden van de Pinksterliturgie 'Veni Creator Spiritus' (Kom, Schepper Geest) en 'Veni, Sancte Spiritus' (Kom, Geest van heiligheid'. Vooral in het gebed worden wij doorademd met Gods Geest. Meer nog: Hijzelf brengt ons tot gebed. 'Wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen'. (Rom. 8,26-27)
 
De heilige katholieke Kerk,
de gemeenschap van de heiligen
 
De Kerk is de zichtbare gestalte van Christus in de gemeenschap van Zijn volgelingen. Sint Paulus noemt hen 'de ledematen van Zijn Mystiek Lichaam'.
Wat haar uitwendige hiërarchische structuur betreft is zij gegrondvest op de apostelen, van wie Petrus en zijn opvolgers de eenheid waarborgen. De Kerk is heilig, omdat zij verbonden is met Christus en zich met Hem verenigt als bruid met haar Bruidegom, die 'alleen de Heilige is'. Die Bruidegom schenkt aan Zijn bruid de heilige Geest, door wie Hij Zijn heilswerk verricht.
De Kerk is katholiek, omdat haar geloof en leer in de wisseling van de tijden als een onvoorwaardelijk apostolisch erfgoed is doorgegeven. Maar ook omdat zij universeel is, 'gezonden tot alle mensen om hen Gods liefde te verkondigen'.
De belijdenis dan van de gemeenschap van de heiligen volgt op het geloofsartikel over de Kerk, eraan toegevoegd op het einde van de zesde eeuw. Geen apart artikel, maar een uitbreiding en verdieping van het vorige. Het gaat om de gedoopte, die 'met Christus bekleed zijn' (Gal. 3,27) en dus geroepen tot heiligheid en gelijkvormigheid met Hem. Maar naast deze heiligen van de pelgrimerende Kerk, gaat het ook om de heiligen van de triomferende Kerk in het hemelse Jeruzalem, 'een menigte die niemand tellen kan', schrijft Johannes in de Apocalyps.
 
De vergiffenis van de zonden
 
Door het heiligingswerk van de heilige Geest is de Kerk teken en instrument van Gods oneindige barmhartigheid. Haar is de sacramentele macht gegeven de zonden te vergeven. Door het doopsel worden de erfzonde en de persoonlijke zonden uitgewist. Ook na het doopsel worden alle zonden, zelfs de zware, door het boetesacrament vergeven of, in onmiddellijk stervensgevaar, ook door de ziekenzalving.
Dit korte artikel lijkt wat verloren te staan in de geloofsbelijdenis, tussen de Kerk en de eindtijd. Om het echter naar waarde te kunnen schatten moeten we ons verplaatsen naar het begin van de Kerk, toen de geloofsleerling door de geloofsbelijdenis en de doop precies tot die Kerk als 'gemeenschap van heiligen' toetrad.
 
De verrijzenis van het lichaam
 
Ook met de dood voor ogen moeten wij mensen zijn van geloof, een geloof dat ons de hoop geeft op een stralende ontmoeting met God. 'Wij geloven immers dat Jezus is gestorven en weer is opgestaan; evenzo zal God hen die in Jezus zijn ontslapen levend met Hem meevoeren', zo schrijft Sint Paulus. (1 Thess. 4,14) Elders spreekt hij over de kracht van God, Zijn scheppende almacht, waardoor Hij 'de doden levend maakt en wat niet bestaat in het aanzijn roept'. (Rom. 4,17) Wanneer de geloofsbelijdenis het heeft over de verrijzenis van het lichaam, verwees 'het lichaam' hier aanvankelijk naar de Kerk. Als Jezus Christus is verrezen, dan deelt ook de gemeenschap die 'het Lichaam van Christus' is, met Hem en door Hem in de verrijzenis. Maar al vlug ging het artikel ook verwijzen naar de persoonlijke en lichamelijke verrijzenis van elk van ons.
Het eigene aan een mens is dat hij een eenheid is van lichaam en ziel. Wil dus de (hele) mens verrijzen, dan moet ook ons lichaam begrepen zijn in ons leven bij God na de dood. Bij de dood 'rust' of 'slaapt' ons aardse lichaam, dat deelt in de vergankelijkheid van de schepping, in het graf. De gelovige verwachting van de Kerk is echter, dat ons lichaam aan het einde der tijden met de hele schepping mee zal worden vernieuwd en uit de dood zal opstaan.
 
Het eeuwig leven
Amen
 
Het mensenleven houdt niet op met de dood. Het eindigt in het hiernamaals bij God: bij de Vader, de Zoon en de heilige Geest. De gemeenschap van volmaakte liefde, waarin wij worden opgenomen en waardoor wij het volle leven zullen vinden. De heilige Schrift gebruikt hiervoor de uitdrukking 'paradijs', 'het hemelse Jeruzalem' of kortweg 'de hemel'. In tegenstelling met 'het rijk van de duisternis', dat ook aangeduid wordt als 'het dodenrijk', 'de onderwereld' of 'de hel', bestemd voor hen die Gods liefde definitief afwijzen en totaal verzanden in het kwade.
Toch geloven wij dat Gods barmhartigheid ons, binnen 'de gemeenschap van de heiligen' ook bereikt na de dood. Vandaar 'het vagevuur': een proces van pijnlijk groeien in verlangen, van louterend uitzuiveren in ons wat nog weerbarstig is tegenover de liefde van God.
De geloofsbelijdenis eindigt tenslotte met 'amen'. Dit laatste woordje betekent, vertaald uit het Hebreeuws: het zij zo'. Een bevestiging, een beaming dus van al het voorgaande.
 
Olav Vandebril, pr.


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht