• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

De schoonheid van het geloof

4/6/2018

 
Verschenen in POSITIEF nr. 475 – OKTOBER 2017

​De vijftigste verjaardag van het Tweede Vaticaans Concilie in 2012 werd gevierd met 'het jaar van het geloof'. De bedoeling van dit Concilie was het tanend geloof een nieuwe impuls te geven en nieuw leven in te blazen. Het beroemde 'aggiornamento', waarmee paus Johannes XXIII het Concilie opende, betekende echter geen breuk met de traditie. Het was meer een uitdrukking van de voortdurende vitaliteit van die traditie. Paus Benedictus XVI zei hierover: 'Het christendom mag niet beschouwd worden als iets dat voorbij is. Evenmin moeten we achteruit kijkend leven. Want Jezus Christus is gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid. Christendom wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van de eeuwige God, die de tijd is binnengetreden en aanwezig is in alle tijden, omdat alle tijden zijn voortgebracht door de scheppende kracht van Zijn eeuwige vandaag. Het christelijk geloof is altijd nieuw en jong'. Zoals het Concilie bood ook 'het jaar van het geloof' de kans om de rijkdom en de vreugde van het geloof te laten ontdekken. De Belgische bisschoppen hadden het bij deze gelegenheid in hun publicaties over 'de schoonheid van het christelijk geloof'. Iemand zei: 'Een geloof dat authentiek en waarachtig is, geeft meer kleur en glans aan het leven'. Het geloof geeft er een meerwaarde aan, een toegevoegde waarde, een surplus.
Eenmaal men de stap tot geloof in God heeft gezet zal men logischerwijze ook steeds meer inzicht willen verwerven in die God, wie Hij is en wat Zijn bedoelingen zijn met de mens en de wereld. Dit vernemen wij op een bevoorrechte manier via de bijbel.
 
Gods heilsplan
 
De centrale gedachte die wij terugvinden in de bijbel is dat God de mens nabij wil zijn om hem heil, bevrijding en geluk te brengen en zo Zijn Rijk te realiseren.
In het katholiek geloof en in andere christelijke belijdenissen, maar ook in het jodendom en de islam spreekt men van 'openbaring'. God openbaart ons Zijn heilsplan.
Dit gebeurde vooreerst in de schepping. (Gen.1-2,4) Door Zijn Woord schiep God hemel en aarde. 'God sprak' en zo gebeurde. In de proloog van het Johannesevangelie staat: 'In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is'. (Joh. 1,1-3)
Als kroon op Zijn werk schiep God de mens: een fascinerend wezen, zo uniek, zo anders. Hij blies de mens Zijn levensadem in en schiep Hem 'naar Zijn beeld' in de hoop in hem een gesprekspartner te vinden. Om hem daartoe de mogelijkheid te bieden kreeg hij verstandelijk inzicht en een vrije wil. 'En God zag dat het goed was', zo wordt als een refrein steeds weer herhaald in het scheppingsverhaal.
God had de wereld goed gemaakt. Maar - zo weten we - de mens verknalde het, omdat hij zelf als God wilde zijn. Deze donkere kant van de mens wierp zijn schaduw over heel de wereld en maakte de wondere wereld tot een tranendal, een verloren paradijs.
Ook aan zichzelf berokkende de mens heel wat onheil. In het ontwakend zelfbewustzijn wist de mens zich sindsdien bevangen door onzekerheid en beheerst door 'duistere machten'. 'Geschapen naar Gods beeld en op Hem gelijkend' werd dit beeld door eigen schuld vertroebeld en misvormd. Er trad niet alleen een vervaging op van het Godsbesef, maar ook een vertekening van het Godsbeeld in waanvoorstellingen en in een uitgesponnen mythologie.
Maar God, die alles geschapen had, keerde zich niet af van de mens en van het werk van Zijn handen. Hij sloot met de mens een Verbond. 'Als Ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal Ik denken aan het eeuwigdurend Verbond tussen u en wat op aarde leeft'. (Gen. 9,16) Zoals de regenboog de aarde omspant, zo omspant Gods trouw de wereld. Opnieuw klonk Gods Woord en nam God het initiatief. Ditmaal in de vorming van een eigen volk, aan wie Hij zich openbaarde en met wie Hij op weg ging. Zo begon de 'heilsgeschiedenis'.
Aan de oorsprong van deze geschiedenis staat een figuur, die 'Abraham' genoemd wordt. Hij wordt aanzien door Joden en christenen, en later ook door de islamieten, als 'de vader van alle gelovigen'. Abraham worstelt met de manier waarop in zijn omgeving mensen zich overleveren aan goden en godinnen. Dat zijn er geen tientallen, maar duizenden. Naast de plaatselijke beschermgoden waren er de kosmische en astrale goden. Een compleet pantheon. Die godenwereld was in het gehele oude oosten een volmaakte weerspiegeling van de wereld van de mensen. Zij huwden, kregen godenzonen  en -dochters en rivaliseerden onderling, alles zoals mensen dat doen. En natuurlijk waren er de offers, die dagelijks werden gebracht om deze goden gunstig te stemmen.
Abraham heeft geen vrede met dit gangbare levenspatroon. Daarom zal hij gehoor geven aan een Stem, die hij niet kent en die hem zegt: 'Trek weg uit je land, uit je stam en uit je familie, en ga naar het land dat Ik je wijzen zal'. (Gen. 12,1-12) Voor het eerst blijkt dat het hier gaat om de stem van een persoonlijke God, die spreekt tot de mens en zich kenbaar maakt aan hem. De God van de heilige Schrift verschilt fundamenteel van de toenmalige godenwereld, die samenviel met de krachten van de natuur. Hij is totaal anders. Hij is één, en vooral, Hij is enig. Hier staan we voor een uniek feit in de wereldgeschiedenis: de geboorte van het monotheïsme. Abraham wordt geroepen uit Ur in Chaldea en krijgt de Belofte van een talrijk nageslacht. (Gen. 15,5) Zo zou hij stamvader worden van een groot en nieuw volk: het uitverkoren volk van God. Een belangrijke episode uit de geschiedenis van dit volk situeert zich in Egypte, waar het werd verdrukt en slecht behandeld. Maar ook hier bood God uitkomst. In het boek Exodus wordt verteld hoe Mozes bij het brandende braambos eveneens de stem van God te horen krijgt en zijn roeping verneemt om de Israëlieten weg te leiden uit het slavenhuis. Op zijn vraag maakt de Stem zich kenbaar: 'Ik ben die ben'. In het Hebreeuws, waar de klinkertekens worden weggelaten: JHWH (Jahweh). De exacte betekenis van deze naam is al vele jaren onderwerp van theologische speculatie. De interpretatie, die men er algemeen aan geeft, is: Ik zal er zijn (voor u). Een naam die Hij zal waarmaken. Na de wonderbare uittocht begon een lange zwerftocht door de woestijn en Jahweh trok met hen mee: niet alleen als een Tochtgenoot, maar meer nog als een Bondgenoot. Toch werd dit niet altijd zo begrepen, zeker niet op momenten van beproeving. Volgens de bijbel lieten de Israëlieten wel eens de moed zakken en kwamen ze zelfs in opstand tegen Hem. Maar Jahweh bleef hen trouw en zou hen na heel wat omzwervingen onder leiding van Mozes binnenvoeren in Kanaän, het Beloofde Land.
Toen eenmaal het Rijk Israël in Palestina gevestigd was (rond 1000 voor Christus) werden profeten - begenadigde en missionaire predikers - meer en meer gezien als de echte woordvoerders van God. Vooral in crisistijd (ballingschap) speelden zij een grote rol. Zij riepen op tot het beoefenen van de gerechtigheid, maar ook tot vertrouwen in Jahweh. Bij de profeet Jesaja lezen we: 'Het volk zegt: de Heer heeft mij verlaten, mijn God heeft mij vergeten. Maar de Heer antwoordt: kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Zou een moeder zich niet ontfermen over het kind in haar schoot? En ook al zou een moeder haar kind vergeten, Ik vergeet u nooit'. (Jes. 49,14-15)
 
Gods mensgeworden Woord
 
God sloot met de mens een Verbond. eerst met onze stamouders en met Noach; daarna met Abraham en met Israël, het uitverkoren volk, waaruit Christus zou voortkomen: onze Redder en Verlosser. 'Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu tot ons gesproken door de Zoon, door wie Hij het heelal heeft geschapen. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van Zijn wezen', zo lezen we in de  Hebreeënbrief. (Hebr. 1,1-3) We mogen stellen dat het Woord er was in den beginne. Daarom kon Jezus getuigen: 'Van voordat Abraham er was, ben Ik er'. (Joh. 8,58) Dat Woord werd uiteindelijk mens. Dit noemt men in de theologie 'incarnatie', wat letterlijk 'vleeswording' betekent: Gods Woord werd vlees en bloed. Hij is tussen ons komen wonen met een naam en een gezicht, op een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip in de geschiedenis. Al snel ging Jezus Zijn eigen weg en trok het land door als leraar, eerst in Galilea, daarna ook in Judea en Jeruzalem, en verkondigde Gods blijde boodschap. Hij verzette zich tegen de starre interpretatie van de joodse wet en de uiterlijke beleving ervan. Hij legde de nadruk op de innerlijkheid, de ingesteldheid van het hart.
Ook trok Hij rond 'al weldoende' met een bijzondere aandacht voor de kleinen, de eenvoudige, de zwakken. Opvallend was Zijn respect voor de waardigheid van elke mens en Zijn zorg om recht te doen aan miskenden en uitgestotenen.
Dat Zijn optreden gepaard ging met wonderen hoeft ons niet te verbazen. Wel zou het verkeerd zijn enkel stil te staan bij het uitzonderlijke karakter of het sensationele van deze feiten. Het was Jezus helemaal niet te doen om indruk te maken of om Zijn macht tentoon te spreiden. Hij weigerde zelfs wonderen te doen, waar geen geloof bij te pas kwam. Al de wonderverhalen verwijzen naar een diepere werkelijkheid. Het gaat telkens om het heil, dat God aan de mensen aanbiedt door Christus. In het woordje 'heil' zit 'heel'. Het gaat bij God om de hele mens. De mens is meer dan zijn zichtbare buitenkant, zijn lichamelijkheid. Hij bezit ook een geestelijke dimensie, zijn ziel. Deze dimensie, het  innerlijke van de mens, is zonder twijfel het belangrijkste aspect van zijn bestaan. En daar is het Jezus vooral om te doen. Jezus opende de ogen van de Samaritaanse vrouw, opdat zij zou zien waar het echte leven te vinden is. Hij opende de ogen van de blindgeborene om te zien waar het in het leven op aan komt. Met de opwekking van Lazarus uit de dood toonde Jezus zich zelfs de Heer en Meester van het leven. Zijn kritiek op het wettische geloof bracht Hem in conflict met de religieuze leiders en Zijn aanspraak op het Messiasschap maakte Hem verdacht bij de politieke overheid en bij de Romeinse gouverneur Pilatus. Na drie jaar prediking werd Hij dan ook opgepakt en terechtgesteld. Maar niets hield Hem tegen om Zijn zending ten einde toe te volbrengen. Zijn radicale zelfgave in liefde en totale ontlediging leidde niet alleen tot Zijn eigen verheffing en verheerlijking, maar maakte ook onze redding en verlossing mogelijk.
Want daarvoor was Hij tot ons gekomen 'omwille van ons heil', zoals uitgedrukt in Zijn naam zelf. Het Hebreeuwse woordje voor Jezus 'Jeshua' betekent: Hij die redt. Hij was gekomen om de macht van het kwade en de zonde te breken, om de duisternis van deze wereld en van ons eigen hart en ook van de oude 'erfschuld' weg te nemen. Geen mens kon onze schuld tegenover God goedmaken, ook niet de vele offers die aan Hem gebracht werden. Hij, die onschuldig was, heeft onze zonden op zich genomen en werd als een lam naar de slachtbank geleid. Door zichzelf te offeren op het kruis verzoende Hij de mensen weer helemaal met God. Zo werd het kruishout, waaraan Jezus stierf, een vruchtbare levensboom.
Sinds meer dan tweeduizend jaar reeds erkennen de christenen Jezus als 'de Weg, de Waarheid en het Leven'. Toch hebben deze woorden vandaag voor een stuk hun draagkracht en betekenis verloren. Vooral door jongeren wordt Jezus van Nazareth wel eens in één adem genoemd met Confucius, Boeddha, Mohammed, Zarathustra en andere grote godsdienststichters. Ten onrechte! Er zijn immers drie dingen die Hem uniek maken ...
Er is vooreerst het zelfbewustzijn van Jezus. Er leefde in Hem het bewustzijn, dat Hij van God was uitgegaan en een goddelijke zending te vervullen had. Er was Zijn intieme verhouding tot God, die Hij Vader noemde. Hij maakte een duidelijk onderscheid tussen 'Mijn Vader' en 'uw Vader'. Elders zei Hij: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader' (Joh. 14,9) of nog 'Ik en de Vader zijn één'. (Joh. 10,30)
Verder is er het getuigenis van Zijn leven. In Zijn boodschap stelt Hij zich schouder aan schouder met Jahweh en plaatst zich boven de Wet van Mozes (de Thora) en boven de Decaloog. Zo kon de evangelist Marcus zeggen, dat Hij sprak als 'iemand met gezag' en niet zoals de Schriftgeleerden. Er is niemand die sprak zoals Hij: 'Gij hebt woorden van eeuwig leven'. Er is ook niemand die handelde zoals Hij: 'Vanwaar Zijn macht en Zijn gezag?'.
In Jezus hebben we als in geen ander Gods liefde leren kennen. Hij maakte Gods liefde zichtbaar en tastbaar in gans Zijn optreden. Hoever Hij hierin ging werd dramatisch duidelijk op Calvarië, de berg waar Hij gekruisigd werd. Bij Jezus was het lijden en sterven de uiterste consequentie van Zijn liefde. 'Geen groter liefde kan iemand hebben dan hij, die zijn leven geeft voor zijn vrienden'.
En tenslotte is er de verrijzenis. Door Jezus uit de dood te laten opstaan, bevestigt en bekrachtigt de hemelse Vader dat de weg van de liefde, die Jezus ging, de juiste weg was en de enige weg ten leven. Hij onderschrijft hiermee alles wat Jezus heeft gezegd en gedaan. De verrijzenis is Gods handtekening onder Zijn leven!
Gods aanwezig komen in de wereld gebeurde nergens zo manifest als in Jezus. Nergens klonk Zijn stem zo duidelijk en nergens was Zijn liefde zo tastbaar en zichtbaar als in Hem. En dat is nu de kern van het christendom: dat God zich in Jezus heeft geopenbaard op een wijze, die niet meer zal overtroffen worden en die voor ons, mensen, werkelijk de definitieve is.
 
Gods gave: de Geest
 
De grootste gave van God aan de mens is de gave van de heilige Geest. God heeft zich aan ons geopenbaard in Zijn Triniteit, als een eenheid van Vader, Zoon en Geest. Zoals de Vader en de Zoon was de Geest er vanaf het begin. Niet alleen bij de schepping, maar doorheen het hele verhaal van de heilige Schrift is de Geest levenwekkende kracht. In het Hebreeuws is er in de Schrift sprake van 'ruach' (wind, adem Gods), in het Grieks vertaald met 'pneuma' en in het latijn met 'spiritus'. In het boek Genesis lezen we: 'Gods Geest zweefde over de wateren'. (Gen. 1,2) Het is diezelfde Geest (ruach) die God in de neus van de mens blies als levensadem. En elders staat: 'Mijn Geest zal Ik over u uitstorten'. (Ez. 36,27)
God deelde Zijn Geest mee aan Zijn profeten voor een concrete boodschap of een concrete opdracht. Zijn gezanten werden ermee toegerust (gezalfd) om hun zending te kunnen volbrengen. Hun vaardigheid en ge-drevenheid was aan Hem te danken.
Maar Jezus ontving Gods Geest in gans Zijn volheid. De Geest is immers de liefdeband, die Vader en Zoon verenigt. Bij het doopsel van Jezus klonk een stem uit de hemel: 'Dit is Mijn Zoon, Mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen vind'. 'En zie', zo staat er, 'daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen'. (Mt. 3,16-17). Herhaaldelijk zegt het evangelie, dat Jezus bewogen werd door Gods Geest.
Bij Zijn afscheid beloofde Jezus Zijn volgelingen hen niet als wezen achter te laten, maar hen een Helper en Trooster te zenden: 'De heilige Geest, die de Vader in Mijn naam zal zenden, Hij zal u alles leren (over Mij) en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb'. (Joh. 14,25) En elders zei Hij: 'Nog veel heb Ik u te zeggen, maar ge kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen'. (Joh. 16,12-13)
Die Geest, die Jezus bezielde, werd ons geschonken vanop het kruis. In de heilige Schrift staat: 'Hij gaf de Geest'. Niet alleen letterlijk, maar ook in een diepere betekenis: de heilige Geest en met Hem het genadeleven, eeuwig leven. Toen kort daarna Zijn hart met een lans doorstoken werd, vloeiden er uit Zijn geopende zijde water en bloed. Een symbolische verwijzing naar het doopsel en de heilige Eucharistie en naar de sacramenten in het algemeen, die als genadestromen ons leven vruchtbaar maken. Het boek van de Handelingen wijst er herhaaldelijk op dat de groei van de Kerk, de kracht van de verkondiging en de vele genadegaven van de Geest afkomstig zijn. (Hand. 2,38; 8,15-17.20; 10,45-47; 19,1-6) Vooral de wijze waarop Lucas in dit boek het Pinkstergebeuren beschrijft spreekt voor zichzelf: als door een windvlaag werd alles in beweging gebracht, tongen van vuur zetten zich op ieder van hen neer en zij verkondigden onbevangen de grote daden Gods.
 
Ook Paulus onderstreept dikwijls dat zijn werk rijke vruchten draagt dankzij de kracht van de heilige Geest. (Rom. 15,19; 1 Kor. 2,4; 1 Tess. 1,5) Na de discussies op het eerste apostelconcilie in Jeruzalem zeiden de apostelen niet 'wij hebben besloten', maar 'de heilige Geest en wij hebben besloten'. (Hand. 15,28)
De Geest speelt niet alleen een belangrijke rol binnen de Kerk, maar ook in ons persoonlijk leven. De Geest maakt het mogelijk dat wij met en in God leven. Hij helpt ons te groeien in de gezindheid van Christus en maakt ons gelijkvormig aan Hem. Ook al zijn wij zwak en beseffen wij onze ontoereikendheid, Hij maakt ons nieuw en doet ons a.h.w. herboren worden. De vruchten van de Geest zijn: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, zachtmoedigheid, zelfbeheersing'. (Gal. 5,22) De Geest inspireert ons tot gemeenschap, tot dienst aan de naaste, tot verdraagzaamheid en eensgezindheid. Door ons doopsel delen wij als kind van God in Zijn genadestroom en zijn wij als een woning van God. 'Weet u dan niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?', schrijft Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs '. (1 Kor. 3,16) En elders schrijft hij: 'Allen die zich laten leiden door de Geest van God zijn kinderen van God'. (Rom. 8,14) Of nog: 'De Geest in ons doet ons bidden: Abba, Vader'. (Gal. 4,6) Daaruit blijkt dat wij niet enkel kinderen genoemd worden, maar werkelijk kinderen Gods zijn. Zoals wij dat ook zijn door Christus.
Dat diep besef van dit kindschap en van Gods aanwezigheid in ons werpt een uitzonderlijk licht op ons bestaan en geeft er een nieuwe dimensie aan. Vandaar mogen we terecht spreken over 'het schone' van ons christelijk geloof, maar ook over 'het eigene' ervan. Belangrijk is ons daarvan bewust te zijn.
 
Meer dan eens hoor je tegenwoordig beweren, dat alle godsdiensten gelijk zijn en evenwaardig. In dit verband zou ik willen verwijzen naar een citaat uit de 'Catechismus van de katholieke Kerk' (Brussel/Utrecht 1995, nrs. 811-870): 'Alleen de katholieke Kerk beantwoordt ten volle aan de stichtingswil van Christus. Zij is gegrondvest op de zending van de apostelen, die de bijstand van de heilige Geest waarborgt. Dankzij de apostolische opvolging van de paus en de bisschoppen bewaart zij de geloofsschat en het sacramenteel leven van de apostelen. Deze verzekeren haar eenheid, universaliteit en heiligheid. Wel vindt men in andere kerken en kerkelijke gemeenschappen elementen van heiligheid en waarheid, die aanzetten tot eerbied en dialoog'.
Als kind werd ons geleerd, dat het katholieke geloof het éne ware geloof is. 'Mogen wij dat vandaag ook nog zo zeggen? En wie dat zegt, stelt die zich niet onverdraagzaam op? Onverdraagzaam en dus  niet evangelisch ... ?, zo las ik ooit in een wekelijkse rubriek van een ledenblad van een van onze christelijke verenigingen.
 
Onverdraagzaamheid is inderdaad verwerpelijk. En toch pretendeert de Kerk, dat ze verwijst naar een grotere waarheid dan wat we kunnen vinden in andere godsdiensten. Evenwel zijn er redenen om bescheiden te blijven. De kwaliteit van een boodschap garandeert niet automatisch de kwaliteit van de gelovigen. Als christenen weten wij dat maar al te goed! Al te dikwijls staat onze christelijke levensstijl ver af van de waarheid van Christus en moeten wij ons dan ook niet beter wanen dan de anderen ...
 
Olav Vandebril, pr.

Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht