• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Concilie, Geslaagd? Mislukt?

3/5/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 63 – JUNI 1976 

​EEN CONCILIE, WERK VAN DE HEILIGE GEEST EN WERK VAN MENSEN 
 
Wellicht steekt er al iets provocerend in de titel van deze lezing. Durven veronderstellen dat het Concilie mislukt is! Tegen het concilie mag men zich zeker niet stellen. Op de curie en op de paus mag men kritiek uitoefenen, maar niet op het concilie! 
 
Misschien zullen sommigen hier wel komen aandraven met de brief die de Paus onlangs geschreven heeft aan zijn staatssecretaris, kardinaal Villot, en waarin hij het heeft over het geval Lefèbvre, brief die openbaar is gemaakt en die verscheen in l'Osservatore Romano. De paus eist daarin van Mgr. Lefèbvre dat hij zich achter het concilie zou stellen, eerder kan hij hem geen audiëntie toestaan. 
 
Om alle onduidelijkheid uit de weg te ruimen willen wij hier vooraf verklaren dat voor een katholiek en dus ook voor ons, een concilie, wanneer het in eenheid gebeurt met de paus, het hoogste en opperste gezag uitmaakt in de kerk. Zijn uitspraken zijn bindend. Een katholiek ziet er werkelijk in een «Transitus Spiritus Sancti in sua, ecclesia» «Een doorgang van de H. Geest in Zijn kerk», zoals de constitutie over de liturgie van Vaticanum II zich uitdrukt. 
 
Hoewel de paus boven het concilie staat, is de paus dan ook weer enigszins onderworpen aan het concilie omdat hij geen autocraat is die over zijn gezag mag beschikken, maar een dienende functie verricht en ondergeschikt is aan de Heer Jezus waarvan de Kerk het geheimzinnig lichaam is, bezield door de H. Geest die door het concilie heeft gesproken. 
 
Een concilie is echter niet alleen het werk van de H. Geest. Van een concilie wordt gezegd Quod repraesentat Ecclesiam, dat het de kerk tegenwoordig stelt. De kerk nu duidt men niet alleen als het mystiek lichaam van Christus, maar ook als het volk van God. 
 
In deze voorstelling wordt de kerk onderscheiden van Christus en gedacht als een kerk van mensen(1). Mensen nu zijn zondaars en zo kunnen wij ook spreken van een kerk van zondaars. De Heer Jezus heeft hieromtrent zijn sprekende parabel verhaald over het onkruid onder de tarwe, dat Hij laat opgroeien tot op de laatste dag. Wanneer dan de kerk een kerk van zondaars is, garandeert ons niemand dat (pag 209) onder die zondaars geen kerkelijke gezagdragers zouden te vinden zijn Er is ons zelfs geen waarborg gegeven dat zij niet zouden zondigen in de uitoefening van hum ambt. 
 
En zo kunnen wij ons voorstellen dat een concilie, een concilie van het volk Gods, een concilie van mensen, een concilie van zondaars, tegenvalt. Niet dat het decreten zou afkondigen die tegen geloof en zeden zouden zijn, maar dat het als gebeurtenis geen effect of zelfs een averechts effect zou hebben onder het volk Gods. Zo heb ik, zowat een jaar voor de opening van het concilie, een professor aan de theologische faculteit te Innsbruck tijdens een voordracht horen waarschuwen voor een mogelijke mislukking van het komende concilie, want, zo verklaarde hij, een concilie kan mislukken en hij gaf als voorbeeld het vijfde concilie van Lateranen (1512-1516) dat een hervormingsconcilie wilde zijn, maar op dit gebied geen resultaten heeft opgeleverd. 
 
DE POSTCONCILIAIRE CRISIS 
 
En zo zijn wij dan gerechtigd elf jaar na de sluiting van het tweede Vaticaans concilie de vraag te stellen : Is deze kerkvergadering geslaagd of mislukt? Sommigen zullen hier zeer vlug, met een zekere impulsiviteit, antwoorden: hoe kunt ge daaraan twijfelen? Het concilie heeft een nieuwe geest in de kerk gebracht, een geest van openheid op de wereld; sinds het concilie zijn de leken mondig geworden en hebben wij allen onze zeg in de kerk zonder bang te moeten zijn voor veroordelingen. Met het concilie is het oecumenisme doorgebroken zodat er onder christenen niet meer gevochten wordt. Het concilie betekende de vernieuwing in de liturgie die nu in de volkstaal wordt gevierd zodat iedereen alles kan verstaan. Laten wij toch niet overhaastig oordelen en ernstig blijven. Het concilie was het begin van de “vernieuwing” maar iedereen zal toch moeten bekennen dat er nu een verwarring heerst die vroeger ondenkbaar was. Met het oecumenisme verbreidde zich een flink stuk indifferentisme en wij kunnen de vraag stellen of wij niet aan het afglijden zijn naar het protestantisme zonder dat wij het merken. En wat de liturgie betreft: indien het waar is dat de constitutie over de liturgie van Vaticanum II een heerlijk stuk is, dan durf ik beweren dat vóór het concilie de gelovigen toen zij de mis volgden in hun missaal, meer betrokken waren bij het offer van de Heer dan nu. Feit is dat het aantal mishoorders sinds het concilie een daling kende die nooit voorheen werd vastgesteld, zowel 's zondags als in de week. Dit laatste is ook belangrijk. (pag 210)
 
Ik wil hier nog op het volgende wijzen voor het concilie gingen in Duitsland, Nederland, Engeland en Amerika een respectabel aantal protestanten over naar het katholicisme. Sedert het concilie is dat gedaan. 
 
De leegstaande seminaries en het gebrek aan roepingen voor het klooster sinds het concilie kan toch ook door niemand geloochend worden Of ook niet dat het onrustig is geworden onder ons en er een pijnlijke polarisatie is ontstaan die niet zal vermeden worden door de kwalen toe te dekken. 
 
Er heerst in deze post-conciliaire tijd een diepgaande crisis in de kerk. Wie dat niet wil inzien, verdient het verwijt van de Heer Jezus: Zij hebben ogen en zij zien niet. Crisis in de leer. In de prae-conciliaire tijd hoorde men voortdurend: de kerk moet geen veroordelingen uitspreken, want er bestaat niet het minste gevaar voor ketterij. En hoe is nu de toestand? Er is bijna geen enkel geloofspunt dat niet door een of ander ketter geloochend wordt. En dat volgens sommigen het woord “Ketter” niet meer mag gebruikt worden, verandert niets aan deze waarheid. 
 
In de liturgie heerst een hopeloze anarchie. Er worden ongeldige missen opgedragen. En het ergste van al: bisschoppen laten gebeuren schijnbaar met een volkomen gemoedsrust. Het godsdienstonderwijs is van binnenuit totaal uitgehold, zodat een hele generatie voor de kerk is verloren gegaan. Op gebied van moraal zijn wij gezakt op het peil van de meest verwordene beschavingen. Dat men alle mogelijke aberraties wil goedpraten, is nog het meest bezwarend. 
 
Wanneer op dit alles gewezen wordt, antwoorden sommigen die de werkelijkheid niet willen zien: post hoc, sed non propter hoc. Dat alles heeft zich voorgedaan na het concilie, maar dat betekent nog niet dat het concilie er de oorzaak van is. 
 
Post hoc, ergo propter hoc. Het gebeurt na dit fenomeen, dus is dit fenomeen er oorzaak van, is ongetwijfeld een illogisme. Maar: post hoc, ergo non propter hoc, het gebeurt na dit fenomeen, dus is dit fenomeen er geen oorzaak van, is nog een groter illogisme. Bijgevolg moet men de mogelijkheid dat het concilie wel iets te maken heeft met al wat wij nu beleven op godsdienstig en moreel gebied, minstens openlaten. Wanneer nu veel fenomenen gelijktijdig volgen op eenzelfde fenomeen, dan bestaat er toch wel veel kans dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen dit fenomeen en de andere. 
 
Nu is het wel zo dat vóór het concilie niet alles rooskleurig was in de kerk. Er was afvalligheid, ongodsdienstigheid en zedeloosheid. Eigenlijk is het nooit helemaal goed gegaan in de kerk en zal het nooit helemaal goed gaan, tenzij na de wederkeer van de Heer. Dan eerst zal de kerk zonder vlek of rimpel zijn. Toch moet men kunnen (pag 211) bekennen dat er heerlijke dingen waren vóór het concilie die nu niet meer mogelijk zijn. Daar was bijvoorbeeld in ons land de schoolstrijd, een exalterende gebeurtenis wanneer zovelen zich inzetten voor het katholiek onderwijs. En het waren leken. In de jaren voor het concilie zagen wij ook het idee rijpen van de Europese eenheid onder het meeslepend impuls van de christelijke democratie die toen in alle landen van het Europa van de zes aan de macht was. De sociale leer van de kerk heeft misschien nooit zoveel invloed gehad als in het decennium vóór het concilie. De encycliek Mater et Magistra was er de bekroning van. Ook in Amerika kende toen het katholicisme een nooit geziene bloei met, voor de eerste maal in de geschiedenis, een katholieke president als gelukkige voltooiing. Ik wil dit alles niet aanhalen om een laudator temporis acti te zijn, iemand die alleen in het verleden iets goeds kan zien, maar om de toestand scherp te stellen. 
 
WAS DIT CONCILIE NODIG? 
 
Het baat tot niets de realiteit te verbloemen. Wanneer wij de feiten en de toestanden onder ogen willen zien, dan moeten wij onomwonden verklaren: het tweede concilie is, als menselijke gebeurtenis in de kerk, mislukt. Indien wij daar wat verder willen op ingaan, moeten wij een eerste vraag stellen: Was dit concilie nodig ? 
 
Toen ik theologie studeerde en nadacht over de kerkgeschiedenis en speciaal dan over de oecumenische concilies in de loop der eeuwen, heb ik wel eens bij mijzelf de bedenking gemaakt: het (eerste) Vaticaans concilie zal wel het laatste concilie geweest zijn. De kerk heeft een concilie niet meer nodig. Het gezag van de paus dat reeds helemaal gegeven is in de H. Schrift, is uitgegroeid tot een duidelijke conciliaire uitspraak: de onfeilbaarheid van de opvolger van Petrus. Daar komt bij dat de kerk uiterst goed georganiseerd is. Ik was ervan overtuigd trouwens dat op louter menselijk vlak gelijk welke vereniging er het best bij vaart met aan de top een man die de volle verantwoordelijkheid draagt. 
 
Sindsdien ben ik daarvan teruggekomen. Een concilie is iets van betekenis in de kerkgeschiedenis en vindt, evengoed als het gezag van de paus, zijn steunpunt in de H. Schrift. En menselijkerwijze bekeken is het nuttig dat van tijd tot tijd de bisschoppen van heel de wereld elkaar ontmoeten om zich te bezinnen op de problemen van kerk en wereld. Een Amerikaanse firma voor bedrijfsorganisatie kwam tot de conclusie dat de katholieke kerk de best georganiseerde vereniging is over heel de wereld, maar dat zij met een zekere regelmaat concilies moest houden. (pag.212) 
 
GEEN NAUWKEURIG OMSCHREVEN AGENDA 
 
Nu leed deze laatste kerkvergadering van in het begin aan een bepaald euvel dat wij bij geen enkel ander concilie aantreffen. 
 
Alle andere concilies werden samengeroepen om een nauwkeurig bepaald probleem te behandelen. Bij dit concilie bleef dat in het vage. Nochtans toen Johannes XXIII voor de eerste keer over het bijeenroepen van een concilie sprak, dan had hij wel een vast omschreven doel vóór ogen: het zou een herenigingsconcilie zijn met orthodoxen en protestanten. Dat was eigenlijk zeer handig vanwege Rome. De oecumenische beweging was toen in volle opgang bij de protestanten. Zij hadden een soort zwenking naar rechts gekend, als wij het zo mogen noemen, een terugkeer naar de orthodoxie, na al de narigheden van het vrijzinnig protestantisme. Zij zochten oprecht naar eenheid en hun theologische bezinning was diep en zuiver. Nagenoeg alle belangrijke protestantse confessies waren aangesloten bij de wereldraad der kerken die voortdurend won aan gezag. Zelfs de orthodoxe kerken stonden op het punt aan te sluiten. Rome alleen bleef afzijdig. Dat vond zijn oorsprong in het idee dat Rome over zichzelf had: de ware kerk van Christus te zijn. De katholieke kerk kon echter niet totaal afzijdig staan tegenover al die pogingen tot eenheid aan de andere kant. In die context moet men de oproep van Johannes XXIII zien voor een concilie. Het zou een eenheidsconcilie worden zoals er vroeger nog geweest waren. Men zou moeilijk kunnen weigeren er aan deel te nemen Wie zou er tegen zijn dat alle christenen samenkomen om de gebroken eenheid te herstellen, opdat in vervulling zou gaan het roerend gebed van de Heer Jezus voor eenheid onder zijn leerlingen? 
 
Zowel de orthodoxie als het protestantisme hebben beleefd maar kordaat geantwoord: Neen. De oorzaak van deze weigering lag in de vrees voor de machtspositie van Rome. Zowel de orthodoxie als het protestantisme meende dat Rome onder eenheid verstond: terugkeer zonder meer, en het was hun onmogelijk zoiets te aanvaarden. 
 
De reactie van Johannes de XXIII was dan: goed, dan zal het concilie iets zijn van de katholieke kerk alleen. Toen viel de uitdrukking: wij zullen ons huis mooi maken en dan zullen wij onze afgescheiden broeders uitnodigen er in te komen wonen. 
 
Een beeldrijke voorstelling die aanspreekt. maar comparaison n'est. pas raison. Een vergelijking kan soms onze verbeelding in de ban houden; maar zegt daarom nog niet waarom het gaat. 
 
Ons huis, de katholieke kerk dus, mooi maken, wat wil dat zeggen? Het kan toch niet betekenen die dogma's schrappen uit onze geloofsbelijdenis die aanstoot geven aan de protestanten, want geloofspunten (pag 213) zijn voor ons onaantastbaar. Of zou Johannes XXIII met deze beeldspraak bedoeld hebben dat de katholieken een intenser, echter en vromer christelijk leven moeten gaan leider. ~ Men ziet echter niet goed in hoe een concilie dat kan bewerken. Indien dàt de bedoeling zou geweest zijn van de laatste kerkvergadering, dan had men althans in de voorbereidende fase een andere weg moeten inslaan. 
 
VEELHEID VAN PROBLEMEN. 
 
DE TRADITIE GERAAKT UIT HET ZICHT 
 
Eigenlijk wist niemand in de jaren vóór het concilie, waarover Vaticanum II het zou hebben. Wij waren volop in de vaagheid over, de doelstellingen van de komende kerkvergadering. 
 
Dat had voor gevolg dat een veelheid van problemen opdoken en dat voor allen een oplossing werd verwacht van het concilie. 
 
Zo vertelde mij een professor aan een theologische faculteit, dat hij en zijn collega's een wijziging gingen aanvragen in het Filioque (Wij Westerlingen belijden in ons credo Qui ex Patre Filioque procedit. De Oosterlingen Qui ex Patre procedit) dit is wel een van de meest technische en subtiele geschilpunten in de theologie. Voor die professor zou het concilie dus een soort bijeenkomst zijn van vaktheologen die over hun ver doorgedreven specialisatie van gedachten zouden wisselen. 
 
In Canada gingen stemmen op om de H. Jozef in de canon en de andere liturgische gebeden te vernoemen naast en vóór de H. Joannes De Doper en de apostelen Petrus en Paulus (2). 
 
In Frankrijk stond de situatie van de priester-arbeider op de voorgrond. Velen waren van mening dat Pius XII de Fransen niet begrepen had. Zij zagen uit naar een oplossing vanwege het concilie (3). 
 
Dan waren er de liturgisten. Voor hen zou het concilie niets anders zijn dan een groot liturgisch congres. Zij waren trouwens het best voorbereid. Kenschetsend is op dat gebied een uitlating in 1962 van H. Küng, toen hij het schema voor de liturgie had ingekeken: Als wij dat er door krijgen, dan is het concilie gelukt. 
 
Ook de theologen lieten zich horen in de praeconciliaire periode. Volgens sommige was er een communicatiestoornis geweest tussen de H. Stoel en een bepaalde richting in de theologie. Het begrip (pag 214) nieuwe theologie drong sterk naar voren. Het werd echter al heel vlug een vlag die vele ladingen kon dekken en vergrootte nog de onduidelijkheid die over het concilie hing. 
 
Al met al begon men over het concilie te spreken. Ook de leken werden erdoor beroerd. Wat het zou worden, bleef nevelig. Wat wel iedereen verwachtte, waren veranderingen. De vele katholieken die in moeilijkheden waren geraakt over de huwelijksmoraal, vroegen zich af of het concilie daar niets zou aan wijzigen. Hier en daar hoorde men zelfs een stem opgaan, weliswaar nog stilletjes en bedeesd: Zou er geen wijziging gebracht worden in de celibaatswet van de priesters ? 
 
In dat klimaat hield kardinaal Alfrink een voordracht over het concilie te Straatsburg en hij zette de puntjes op de i. Van het concilie, zo sprak hij, moet men geen sensationele dingen verwachten bijvoorbeeld de afschaffing van het celibaat. 
 
In de kerk moet men eigenlijk nooit sensationele dingen verwachten omdat heel de openbaring gegeven is in Jezus. Die openbaring heeft zich ontwikkeld in de loop van de geschiedenis onder de leiding van de H. Geest die ons de weg wijst naar de waarheid volgens het woord van het Johannesevangelie. Dat is de Traditie. Traditie met een hoofdletter. Bij het behandelen van gelijk welke problemen zal de kerk zich steeds moeten refereren, naar haar verleden. Men begon dat te vergeten. Zoals men eveneens uit het oog verloor dat de katholieke kerk de rots is in de branding, een instelling met vaste, blijvende waarden. 
 
DE OPENBAARHEID 
 
Dat het opzet van het concilie niet duidelijker omschreven werd, was een negatief punt. De openbaarheid van de laatste kerkvergadering had eveneens minder gelukkige gevolgen. 
 
Toen einde '59 het concilie werd uitgeschreven, was de bekommernis te Rome dat het iets zou worden, iets dat alle katholieken, zelfs alle christenen, ja alle mensen zou treffen. Daarin is men glansrijk geslaagd. Als nu een boeddhistisch Japans intellectueel niets zou weten over het laatste concilie, dan zou dat een teken zijn van grove onwetendheid, een tekort aan cultuur. Op gebied van bekendheid is het concilie dus geslaagd. Maar ten koste van welke prijs? 
 
Een massa journalisten was naar Rome toegestroomd in oktober 1962 voor de opening van het concilie. Zij werden echter bij de vergaderingen niet toegelaten. Het concilie bleef geheim zoals alle voorgaande concilies. En wij begrijpen het: een concilie is geen parlement, maar een vergadering van bisschoppen die beraadslagen over de geloofsinhoud die hun gegeven is en waarover wij niet beschikken. En de (pag 215) decreten van een concilie zijn bindend voor alle gelovigen. Dan is het weinig passend te weten welke bisschop er eventueel zou tegengesproken hebben. Hier geldt het in nececcariis unitas (eenheid in het noodzakelijke) in de strikte zin van het woord. 
 
Doch wanneer journalisten geen nieuws ontvangen dan creëren zij nieuws, met al de gevolgen vandien. Deontologisch maken zij er zich dan vanaf met de opmerking: ge moet niet protesteren wanneer onze berichtgeving niet juist is, ge moet zelf maar beter informeren. De geheimhouding kon dan ook niet gehandhaafd blijven. Vanaf de tweede sessie was de pers aanwezig op alle bijeenkomsten van de concilievaders. Dat had als een eerste gevolg dat sommige bisschoppen voor de galerij gingen spreken, meer bedacht waren op de weerslag van hun woorden in bepaalde kringen buiten het concilie dan op het overkomen van hun tussenkomst bij hun broeders in het episcopaat. Wanneer een bisschop b.v. van een bepaalde stad met een tamelijk sterke Jodenbevolking die daar pas benoemd was en zich nooit had ingelaten met het Jodenvraagstuk, in de concilieaula een spreekbeurt houdt ten gunste van Israël, dan kan men zich van de indruk niet ontdoen dat hij niet een brandend pastoraal probleem aansnijdt, maar op een goed blaadje wil staan bij de Jodenkolonie van zijn residentiestad.
 
CONSERVATIEVEN EN PROGRESSIEVEN 
 
De grote belangstelling die de pers heeft getoond voor het conciliegebeuren, zit er zeker voor iets tussen dat er partijen zijn ontstaan onder de bisschoppen. Al vlug begon men in voordrachten en artikels over het concilie te spreken over conservatieve en progressieve bisschoppen. Er werd dan wel eens bijgevoegd: die namen zijn zeker niet juist, maar ik vind er geen andere; gemakkelijks halve zal ik ze dus gebruiken. 
 
Daarmee hadden wij de twee partijen en ze bestaan nu nog onder ons. Die partijvorming heeft veel kwaad gesticht en de miseries die eruit voortvloeiden zijn nog niet aan het einde. Conservatief werd vlug synoniem van achterlijk en als scheldwoord gebruikt. Hoeveel goed werd daardoor niet tegengehouden!
 
Dat is echter nog niet alles. Partijen konkelfoezen, partijen werken achter de schermen, maken saloncombines, intrigeren. Dat is helaas ook gebeurd, en al te veel op het concilie. Ik heb na de eerste sessie een bisschop een spreekbeurt horen geven over het concilie voor een groep priesters. Deze bisschop behoorde tot de zogezegde progressieve vleugel, ik heb voor hem veel achting en sympathie. Gedurende zijn voordracht sprak hij over een bepaalde actie van progressieve (pag 216) bisschoppen die sterk geleek op een intrige die niet helemaal zuiver was. De conferencier merkte dat zijn gehoor niet helemaal instemmend reageerde. Wat wilt ge, zo ging hij voort, wij konden niet anders, de anderen deden het ook ! 
 
Inderdaad, in de berichten die toen werden doorgegeven door persagentschappen, in de krantenverslagen van conciliereporters en ook in de boeken die toen verschenen over het concilie, was er sprake van een kleine doch machtige minderheid van conservatieve bisschoppen die een steunpunt zouden gevonden hebben in de Romeinse curie. Het is mogelijk dat dat enigszins waar is, maar sindsdien weten wij onder meer door het werk van R.M. Wiltgen «The Rhine flows into the Tiber» dat de geheime combines van de progressieven omvangrijker en frequenter waren. Zonder op deze achterkeukengeschiedenis verder in te gaan, willen wij er alleen even op wijzen dat het een gekend feit is dat tussen de eerste en tweede sessie van het concilie de bisschoppen van Duitsland, Frankrijk, Scandinavië, Benelux en Oostenrijk samen vergaderd hebben te Fulda om een gemeenschappelijke lijn te trekken op het concilie. Zij hebben dat met de beste bedoelingen gedaan, maar volgens de geest van een concilie is dat toch niet: het is partijvorming. 
 
DE THEOLOGEN 
 
Die partijvorming is aangewakkerd geworden door de periti of deskundigen. Door hun te grote invloed werd het zicht verduisterd op de ene katholieke kerk die steunt op de hiërarchie en gebouwd is op de rots van Petrus. Deskundigen zijn nodig op een concilie. De bisschoppen zijn wel de Ecclesia docens, de lerarende Kerk, ze hebben van de Heer de opdracht gekregen ons te onderrichten in het geloof. Zij mogen dat echter niet willekeurig doen. Daarom maken zij gebruik van deskundigen, van vaktheologen. Iedere bisschop had op het concilie zijn periti, zijn vaktheologen. Wanneer wij een concilie langs zijn menselijke kant beschouwen, komen de periti nogal sterk op de voorgrond. Zo wordt er wel eens vergeten dat niet zij de lerarende kerk zijn, maar de paus en de bisschoppen. Dat was zo b.v. op het concilie van Constanz (1415) waar de theologen een grote rol hebben gespeeld. Nog jaren na dit concilie zou de invloed van de theologen het gezag van de bisschoppen verdringen, gedeeltelijk ook wegens de wereldse geest van deze laatsten. De contrareformatie zou dat rechtzetten. Bij het voorgaande concilie zijn de theologen echt belangrijk geworden. Daarbij kwam dan een groot interesse voor het concilie en meteen ook een verlangen naar godsdienstige informatie. Wat toe te juichen is. Tussen de jaren 60 en 65 werden er veel godsdienstige conferenties gegeven. (pag 217) 
 
Maar mensen zijn mensen. Niet alleen meisjes van acht jaar zijn ijdel, maar ook theologen van 40, 50 en 60 jaar. Wie is degene die succes in volkomen gemoedsrust kan verwerken? Plaatst dat in de algemene context van zucht naar sensatie over het concilie, naar de verwachting van veranderingen op alle gebied, en dan kan men enigszins begrijpen hoe sommige, misschien wel vele theologen een bepaald publiek naar de mond begonnen te spreken. Tot nadeel zowel van het wetenschappelijk gehalte als van de orthodoxie van hun leer. 
 
Wij zouden het zo kunnen stellen: een aantal theologen verlieten de academie voor het forum; de nederige saaie wetenschappelijke arbeid voor het succes. 
 
Wij zouden hier namen kunnen noemen van theologen met een schitterend verstand, die blijk hadden gegeven van een diep en vast geloof, en die aan het veranderen gingen rond de jaren '63. Zij weerstonden niet aan de bijval die maar aanzwol. Zij werden vedetten. Terwijl de hiërarchie werd ontluisterd werden de theologen gemythologiseerd. Een massa theologisch niet geschoolde intellectuelen, vooral dan journalisten, begon te geloven dat de theologen bezitters zijn van een soort geheime leer die de mysteries van leven en dood, geloof en wetenschap vermag te ontsluieren. Zij vergaten dat Petrus de rots is van de waarheid waarop wij met heel ons gewicht kunnen steunen. 
 
HETZE TEGEN DE CURIE. RADENREPUBLIEK 
 
Een verder negatief punt in de geschiedenis van dit concilie is de hetze tegen de curie. Toen in de voorbereidingsfase men hoegenaamd niet wist waarover dit concilie zou gaan, werd door sommigen het idee gelanceerd dat het over het gezag van de bisschoppen zou zijn. Vaticanum II zou Vaticanum I aanvullen. Vaticanum I had de bevoegdheden van de paus omschreven, maar kon niet tot het einde worden voortgezet wegens de Frans-Duitse oorlog; anders had het zich nog beziggehouden met het gezag van de bisschoppen. Dit concilie bood nu de gelegenheid om een evenwicht te brengen in de macht van de paus en de bisschoppen. 
 
Voor deze gedachtegang valt wel wat te zeggen. Er is niet alleen Petrus, maar er zijn alle apostelen waarop, naar het woord van Paulus, de kerk gebouwd is. Maar wij moeten ons nu eens weer de context voorstellen waarin deze waarheid werd geplaatst: partijenvorming in de kerk, zucht naar sensatie, en dan ook de democratische trend van deze tijd. Men begon nogal oppervlakkig en zonder theologische deskundigheid over het concilie te spreken en te schrijven. Soms was de toon demagogisch. Veel misbruik werd gemaakt van het beeld, ontleend aan Das Kapital van Marx, dat de gezagspiramide in de kerk nu zou moeten omgekeerd worden. (pag 218) 
 
Aan de paus durfde men nog niet zoveel raken, maar de curie moest het ontgelden. Doch met die hetze werd ook het gezag van de paus aangetast. Reeds de heilige Paus Pius X had erop gewezen dat een goed katholiek de curie nooit uitspeelt tegen de H. Vader. 
 
Het «meer macht van de bisschoppen» werd vlug «meer macht aan de leken». Ook deze slogan kan men staven met theologische argumenten. Volgens de Schrift zijn de gelovigen een priesterlijk volk, niet in de allegorische maar in de echte zin van het woord. Het werd echter door velen verstaan in kerkpolitieke zin. Een handvol priesters en leken (voor een groot deel vrijgestelden uit onze katholieke organisaties) trok de macht aan zich. Sommige bisdommen en zelfs sommige kerkprovincies kregen in een handomdraai het uitzicht van een radenrepubliek. Geen enkele Romeinse congregatie is ooit haar bevoegdheden zo te buiten gegaan als sommige liturgische commissies. Geen enkele groep in de Romeinse curie heeft ooit zoveel kerkelijke politiek bedreven als sommige pastorale raden. Men begon te spreken over de «geest van het concilie». Deze uitdrukking kon van alles betekenen. Dikwijls bedoelde men er niets anders mee dan objectieven die alleen maar in de (wereldse) politiek thuishoren. De secularisatie drong binnen in de kerk. 
 
DOORTRAPPEN 
 
Een laatste euvel van het concilie zou ik willen weergeven met een beeld: doortrappen. Veel van wat op het concilie werd besloten, werd eenzijdig toegespitst, uit zijn verband gerukt, slecht begrepen. Ook wel overdreven, tot het karikaturale toe. 
 
Dat was zo voor de liturgie. Men beweert dat vóór het concilie de liturgie zich te veel beperkte tot rubricisme. Dat wil zeggen dat de liturgie vooral bestond in het stipt en nauwkeurig onderhouden van de voorgeschreven regels. Men wilde nu wat meer speling geven in de liturgie. Aan de priester zou wat meer vrijheid gelaten worden. Weldra echter werden die vrijheden genomen zonder dat ze toegelaten waren. Zo ontstond die ellendige praatliturgie van nu. Heel wat priesters schijnen ook niet meer te weten dat de Heer Jezus zijn sacrament heeft gegeven aan de kerk en dat zij er niet mogen over beschikken. Zij vergeten ook dat de constitutie voor de liturgie van het laatste concilie bepaald heeft dat niemand aan liturgische teksten iets mag veranderen, weglaten of toevoegen tenzij het opperste gezag in de Kerk. 
 
Dit laatste werd helemaal met de voeten getreden. Men beweert dat men in de liturgie aan «creativiteit» moet doen. Een term die vloekt (pag 219) in religiosis ac perinde in liturgicis, in het religieuze en bijgevolg in de liturgie. Wanneer de mens bidt dan voelt hij zich klein tegenover God en allesbehalve creatief. Men is in die liturgische «creativiteit» zo ver gegaan dat men niet meer weet of wil weten dat de essentie van de heilige mis het offer van gehoorzaamheid is dat de Heer Jezus aan zijn Vader brengt. 
 
In de opvatting van de lokale kerken is men ook heel wat verder gegaan dan het concilie bedoelde. Het concilie plaatste de bisschoppen op de voorgrond, en met de bisschoppen de lokale kerken. Theologisch is dit verantwoord in die zin dat in de H. Schrift de naam kerk gegeven wordt aan de plaatselijke christelijke gemeenschap. En dat een dogmatische reflectie hierop tot het besluit komt dat het idee kerk ten volle gerealiseerd wordt in een bisdom. Kerkrechtelijk moet hier een zekere autonomie van de lokale kerk aan beantwoorden. 
 
Maar bij dit alles mogen wij niet uit het oog verliezen dat Christus geen lokale maar een universele kerk heeft gesticht op de Rots die Petrus is. Canonisch volgt daaruit dat de paus de volle jurisdictie bezit over de hele kerk. 
 
Bisschoppen zijn te ver gegaan in een al te vrij commentaar op Humanae Vitae. Drijverijen om een grondwet van het kerkelijk recht te saboteren getuigen niet van een echte en vrome kerkgeest. 
 
Het weinig fraaie voorbeeld van kerkvorsten bracht sommigen helemaal op drift. Ze hadden gevestigde posities weten te bezetten in de raden die overal werden opgericht en meenden dat nu alles geoorloofd was en zij met Rome geen rekening meer moesten houden. Diocesane en interdiocesane liturgische commissies begonnen eigen canons te fabriceren, verantwoordelijken voor de catechese legden de richtlijnen van Rome naast zich neer. Theologen speelden hier een verderfelijke rol. Hun theorieën die zich op de grens van het modernisme bewogen of deze overschreden, werden voorzichtig of dikwijls in een duistere taal weergegeven. Catecheten die theologisch onvoldoende geschoold waren, drukten ze door en verspreidden een leer die ver afstaat van de vaste geloofswaarheden. Verontruste ouders werden vanuit de hoogte afgewezen. Zo werd een tijdje geleden in het Kortrijkse een lezing gehouden over de catechese voor jongeren door een diocesaan verantwoordelijke. Op een vraag van iemand hoe hij zijn handelwijze kon overeenbrengen met de directieven van de paus, was het antwoord: op dit gebied leven wij met Rome in een conflictsituatie zoals voor Humanae Vitae! 
 
Wij zouden hier nog talrijke voorbeelden kunnen aanhalen van «doortrapperij», maar het zou ons te ver voeren. (pag 220) 
 
Toch nog even een belangrijk punt, Kerk en Wereld. Het laatste concilie heeft onder meer stelling willen nemen tegenover de grote kwesties die heel het mensdom bezighouden. Zoals problemen van beschaving en cultuur, van oorlog en vrede, van huwelijk en gezin, van kapitaal en arbeid, van rassendiscriminatie en ontwikkelingslanden. De «doortrapperij» bestond nu hierin: dat men al deze dingen die ongetwijfeld belangrijk zijn, is gaan beschouwen als het hart en het centrum van de Blijde Boodschap, terwijl zij uiteindelijk toch maar aan de rand staan van het christendom dat essentieel eschatologisch gericht is en daardoor cultuurtranscendent. Wanneer de naamverandering van Bonden van het Heilig Hart in Kerk en Wereld een betekenis heeft, dan kan het alleen maar die zijn van een middelpuntvliedende kracht. En men ging steeds verder. Sommige priesters kenden alleen ontwikkelingshulp als enig thema in hun prediking, in hun liturgie en catechese. 
 
BESLUIT 
 
Ik zou willen eindigen want deze lezing is een lang verhaal geworden. Om te sluiten willen wij nog herhalen wat in het begin werd gesteld: dit concilie is mislukt. Het heeft ons in een averechtse richting gestuurd. «Nous faisons fausse route» - Wij bevinden ons op een verkeerd pad. - Zo drukte kardinaal Veuillot zaliger zich uit. Hij was nochtans onder de jongere bisschoppen op het concilie en behoorde tot de progressieve groep. 
 
Wanneer wij echter vooropstellen dat het concilie mislukt is, dan bedoelen wij op korte termijn. Wij hopen stellig dat het op lange termijn zal lukken. Tot de toestand van vóór het concilie keren wij niet meer terug. Dat weten wij even goed en beter dan de progressisten. Doch als er geen keer komt in de huidige toestand, dan loopt de kerk naar haar einde. Welnu wij weten dat zij zal blijven bestaan. Daarom zien wij toch de toekomst hoopvol tegemoet. Wij zullen gezuiverd en echter uit dit avontuur tevoorschijn treden. Mocht het Thomas More genootschap hier een instrument zijn in Gods handen! 
 
B. BOEYCKENS S.J.                (pag 221)
(1) Lezing gehouden op de provinciale dag van het Thomas More genootschap Oost-Vlaanderen. te Sint-Amandsberg op 20 maart '76. 
(2) Johannes XXIII heeft tijdens het concilie, op eigen gezag de H. Jozef ingelast in de canongebeden. 
(3) Ook deze kwestie werd geregeld door de Paus, buiten het concilie om. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht