• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze kort Conciliegeschiedenis : Het begin van de tweede sessie

3/5/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 82 – MEI 1978 

VERANDERING IN HET REGLEMENT.
 
De tweede sessie begon met de voorlezing van wijzigingen die waren aangebracht in het conciliereglement. De wet van geheimhouding werd opgeheven voor het vei-loop van de werkzaamheden in de concilieaula. Zij bleef van kracht voor de inhoud van de schemata en voor de commissies. 
 
Daarmee werd een einde gesteld aan een onhoudbare toestand. Ondanks de verplichting van geheimhouding vertelden vele bisschoppen heel wat over de besprekingen in de St-Pietersbasiliek. Zij stelden dan hun geweten gerust met de bedenking : al wat ik hier heb medegedeeld is al verschenen in een of ander Italiaanse of niet-Italiaanse krant. Het nieuws werd dan verder verteld of ook verder gepubliceerd, vaak overdreven of onnauwkeurig weergegeven. Wanneer het conciliesecretariaat daar klachten over uitte dan werd door de journalisten alle schuld geladen op de geheimhouding. Er waren te Rome te veel correspondenten van kranten en nieuwsagentschappen om het concilie achter gesloten deuren te kunnen houden. Men had dat moeten weten toen men zich had ingespannen om zoveel mogelijk persmensen naar Rome te krijgen. De schijnwerpers van de cornrnunica- (pag 137)tiemedia stonden op dit concilie gericht. Dit zou zijn invloed hebben op de debatten, de sfeer en op het overkomen van het concilienieuws bij het kerkvolk. 
 
Dit was reeds te merken aan de commentaar op de drie nieuwe kardinalen die de paus door een motu proprio van de 12de september tot leden van het praesidium had benoemd. Het was de Poolse aartsbisschop van Gniezno en Warschau S. Wynszynski, de, Amerikaanse aartsbisschop van Chicago, A. Meyer en de Italiaan G. Siri, aartsbisschop van Genua, terwijl de Spaanse kardinaal Pia y Deniel Enrique ontslag had gevraagd en gekregen wegens zijn hoge ouderdom. Onmiddellijk werden zij geklasseerd : Pia y Deniel Enrique, Siri en Wyszynski als conservatieven, Meyer als progressief; een conservatief die verdwijnt, twee die in de plaats komen, maar daarnaast een progressist die wordt bijgevoegd. Het evenwicht werd gerespecteerd. 
 
Van veel groter belang was echter de benoeming door dezelfde pauselijke brief van 12de september van vier moderatoren. Het waren de Armeniër G. Agagianian, prefect van de heilige congregatie van de voortplanting van het geloof, de Italiaan G. Lercaro, aartsbisschop van Bologna, de Duitser J. Döpfner, aartsbisschop van München-Freising en de Belg L. Suenens, aartsbisschop van Mechelen-Brussel. Van nu af zouden zij de debatten leiden en niet meer de leden van het directorium. 
 
Vanaf het begin van de tweede sessie tot het einde van het concil'e zouden de moderatoren een belangrijke rol vervullen. Zij waren moderatores in de echt Latijnse zin van het woord, dat wil zeggen dat zij niet op de eerste plaats een matigende en zeker niet een inhiberende functie hadden te vervullen, maar dat zij de koers zouden aangeven die het concilie zou moeten varen, zoals een stuurman zijn schip bestuurt en een piloot zijn vliegtuig. Zij waren bovendien cardinales delegati van de paus, legaten van de H. Stoel zoals een oude concilietraditie dat wil. 
 
Onmiddellijk bij de bekendmaking kleefde er reeds een etiket op deze vier namen. Zowel kardinaal Suenens als kardinaal Döpfner hadden zich reeds opgeworpen tot voormannen van de progressieven. Kardinaal Lercaro, werd, hoewel Italiaan, sedert zijn ophefmakende rede voering over de arme kerk ook als progressief aangezien. Alleen kardinaal Agagianian werd als conservatief beschouwd. Maar zo voegde men er 't algemeen bij, hij was gematigd en niet agressief. 
 
Feit was dat van de vier moderatoren er maar één tot de curie behoorde (Agagianian). Het werd uitgelegd als een betekenisvolle geste (pag 138) van Paulus VI die ernst wilde maken met het concilie dat niet een aangelegenheid mocht zijn van de curie, maar van de bisschoppen. Volgens sommigen trouwens was de benoeming van kardinaal Agagianian achteraf gebeurd om een zekere voldoening te geven aan de curiekardinalen. (1) 
 
De concilievaders, die niet van humor gespeend waren, hadden de moderatoren al vlug de vier evangelisten genoemd. Kardinaal Döpfner was Mattheüs, de man van de wet, Suenens was Marcus, de vrlend van Petrus (2). Kardinaal Lercaro was Lucas, de evangelist van de armen. Kardinaal Agagianian Johannes, die in het oosten hoog vereerd wordt. 
 
DE LEKENTOEHOORDERS. 
 
Een concilie is primair een zaak van bisschoppen. Zij zijn de opvolgers van de apostelen en als gezagvoerders van hun diocees, de rechtmatige vertegenwoordigers van hun gelovigen. Maar een concilie is ook een zaak van de hele christelijke gemeenschap. Vanaf de bekering van Constantijn tot in de 16e eeuw werd de keizer aangezien als hoofd van deze gemeenschap. Hij heeft dan dikwijls een voorname rol gespeeld in de geschiedenis van een concilie. Toen op het einde van de middeleeuwen sommige vorsten machtig waren geworden, zonden ook zij hun vertegenwoordigers naar het concilie. Dat was in die tijd de aanwezigheid van de leken. 
 
Het eerste Vaticaans concilie heeft plaats gehad zonder leken. De res publica christiana bestond niet meer. Kerk en Staat waren gescheiden. Bij het tweede Vaticaans concilie waren er reeds in de voorbereidingsfase stemmen opgegaan voor lekentoehoorders. Ook dit zou verwezenlijkt worden door Paulus Vl. 
 
De vraag was door velen gesteld geworden welke leken op het concilie zouden worden uitgenodigd. De knoop werd doorgehakt door een (pag 139)Pauselijke breve van 12 september. Het waren de leiders van de internationale katholieke verenigingen. 
 
Sugranges de Franch R. (Spanje). voorzitter van de conferentie van internationale katholieke organisaties. 
 
De Habicht M. (Polen), permanent secretaris van de conferentie van internationale katholieke organisaties. 
 
Rollet H. (Frankrijk), voorzitter van de internationale federatie van katholieke mannen. 
 
Larnaud J. (Frankrijk), algemeen secretaris van het coördinatiecentrum van internationale katholieke organisaties bij de Unesco. 
 
Norris J. (Verenigde Staten), voorzitter van de internationale katholieke commissie voor de immigratie te Genève. 
 
Vasquez J. (Argentinië). voorzitter van de internationale federatie van de katholieke mannelijke jeugd. 
 
Golrio S. (Italië), voorzitter van de bestuursraad van het permanente comité van de internationale congressen voor lekenapostolaat. 
 
Manzini R. (Italië), voorzitter van de internationale unie van de katholieke pers. 
 
Vanistendael A. (België). algemeen secretaris van het internationaal christelijk vakverbond. 
 
De 7de oktober werd er nog aan toegevoegd: J. Guitton, lid van de Franse academie, die een paar boeken had geschreven met theologische inslag en reeds gedurende de eerste zitting om persoonlijke redenen door paus Johannes XXIII tot de algemene congregatie als toehoorder was toegelaten. Ook nog V. Veronese (Italië), organisator en voorzitter van twee wereldcongressen voor het wereldapostolaat. 
 
Aanstonds werd er kritiek geuit op deze benoemingen. Vooreerst dat er geen vrouwen bij waren (3). Verder dat de religieuzen niet-priesters, broeders zowel als zusters, afwezig waren op het concilie. Later zal men nog komen aandraven met de klacht dat men gewone priesters vergeten is. Het doet wel wat kinderachtig aan. Eigenlijk vertegenwoordigt de hiërarchie, paus en bisschoppen, alle gelovigen.(pag140) 
 
HET SCHEMA OVER DE KERK. 
 
Het schema over de Kerk dat de theologische voorbereidingscommissie het concilie had aangeboden, was door de vaders verworpen geworden als basis tot bespreking (4). De theologische commissie had tussen de twee sessies een schema voorbereid dat reeds naar de bisschoppen was gestuurd. Heel wat concilieleden hadden «emendationes», verbeteringen, gezonden. Bij de behandeling van het schema over de Kerk in 't algemeen, waarbij het ging over de vraag of dit stuk zou kunnen dienen als grondslag voor verdere discussie, zouden de bisschoppen minder verdeeld zijn dan tijdens de eerste sessie. 
 
Het schema was vooral het werk van Mgr. G. Philips uit Leuven. Ook de theologen K. Rahner, J. Ratzinger en J. Daniélou hadden eraan gewerkt. 
 
Het beste van de nieuwe ecclesiologie was in het ontwerp verwerkt. Het was minder juridisch, meer bijbels en had een meer pastoraal uitzicht gekregen. 
 
Doch de voorstanders van de klassieke theologie hadden in de commissie de opstellers voortdurend op de vingers gekeken en zij hadden nauwkeurige omschrijvingen gevraagd. Dit had ook zijn invloed gehad op het ontwerp en zo was het mogelijk geworden dat het bijna door iedereen kon aanvaard worden. 
 
Kardinaal Ottaviani, voorzitter van de theologische commissie, hield een korte inleiding op de besprekingen. Hij wees erop dat de geloofsschat trouw bewaard moet blijven maar dat hij aangepast moet worden voorgesteld. Daarom bestaat er in het schema een dubbele bezorgdheid, een doctrinaire en een pastorale, die niet van elkander mogen gescheiden worden. Volgens hem voldeed het schema aan beide eisen. 
 
Kardinaal Frings van Keulen opende het debat met een kort woord : «hoc schema valde placet». Dit schema is zeer goed. Kardinaal Siri van Genua was ook tevreden over het project. Het voldeed dus aan conservatieven en progressieven, en het werd aanvaard als discussiebasis met 2231 stemmen voor en slechts 43 tegen. 
 
En toch werden er veel aanmerkingen gehoord op dit werkstuk en langs beide kanten. 
 
In een persconferentie gaf K. Rahner als zijn idee te kennen dat het schema tekort schoot niet zozeer in wat het zegt, maar wel in wat het niet zegt. Ondermeer wordt de kerk er te weinig uitgebeeld als gemeenschap rond het altaar waar het centraal Mysterie van de Kerk wordt gevierd en het Woord Gods wordt verkondigd. 
 
Zeer persoonlijk werd Rahner wanneer hij vond dat de Kerk niet gesitueerd werd in de algemene heilsgeschiedenis. De spanningen tussen de heilsnoodzakelijkheid van de Kerk en het feit dat er zoveel andere grote en wijdverbreide godsdiensten bestaan, moet breedvoeriger worden uitgewerkt en er dient op gewezen te worden dat de Kerk hoe langer hoe meer zich in een diasporatoestand gaat bevinden. 
 
Omdat wij deze conciliegeschiedenis als een « ldeengeschichte» opvatten, willen wij bij de laatste opvatting van Rahner even stilstaan. Een concilie is veel meer dan de Constituties, Decreten of Verklaringen die het uitvaardigt, het is een soort microcosmos van heel het katholiek gebeuren. Alles wat er in de kerk leefde, kwam op het tweede Vaticaans concilie naar voren en er werden ideeën gelanceerd die achteraf hun weg zouden vinden en geschiedenis zouden maken. 
 
Wanneer later cultuurhistorici de signatuur zullen pogen te omschrijven van de postconciliaire periode, dan zullen zij ongetwijfeld van verwarring spreken. Het tragische bestaat er nu in dat die verwarring gedeeltelijk ontstaan is uit heldere ideeën die op het concilie zijn doorgebroken. 
 
Wij wezen reeds op de grote invloed van K. Rahner (5). De problematiek die hij hier aanraakt over de absoluutheid van het katholicisme en het bestaan van andere grote godsdiensten, is reëel en verdiende uitgediept te worden op het concilie. Wellicht mocht er wel eens gewezen worden op een zekere diasporatoestand van het katholicisme. Doch Rahner kwam er voortdurend op terug en heeft er het pastorale impact niet van aangevoeld. Vooralsnog groeide deze idee op als het ware midden in de tuin van het traditioneel katholiek gedachtengoed, tussen de welige bloei van het oude gewas. 1963 was nog een jaar van geloofszekerheid en robuust vertrouwen in de heilsnoodzakelijkheid van de Kerk. Toch werd de sfeer op het concilie hoe langer hoe meer antitriomfalistisch en gewone vrome gelovigen hebben zich verwonderd over de bede tot vergiffenis van de paus. Na het concilie heeft men op alle mogelijke manieren de minderhelds- (pag 142)positie van de Kerk in de wereld in de verf gezet, sociologen vooral deden daar hun best voor. Men begon te geloven dat het zo moest zijn. Het missionair elan van de Kerk werd gebroken, een minderwaardigheidscomplex maakte zich meester van de katholieken. Uitspraken als die van Rahner tijdens het concilie over de diasporasituatie van de Kerk hebben deze evolutie ingezet. 
 
Niet alleen Rahner en andere periti hadden reserves tegenover het schema, ook heel wat bisschoppen en van verschillende strekkingen, wezen op tekorten tijdens de besprekingen in de concilieaula. 
 
Kardinaal Siva Henriquez van Santiago de Chili sprak in naam van 44 bisschoppen van Latijns Amerika. Hij vond dat het schema het beeld van «Volk Gods» nauwkeuriger moest weergeven en raadde aan het hoofdstuk dat hierover handelde te plaatsen vóór dat waarin het ging over de hiërachische structuur van de Kerk, omdat alle leden van de Kerk fundamenteel gelijkwaardig zijn. 
 
Kardinaal Rugambwa van Tanganyka (nu Tanzanië) voerde het woord in naam van vele bisschoppen van Afrika en Madagascar. Hij wenste dat de aard van de roeping van het Volk Gods zou verduidelijkt worden zodat de zending van de Kerk in de wereld beter kon worden begrepen. 
 
De Franse Bisschop Garrone van Toulouse verlangde dat de verhouding van de Schrift tot de Openbaring waarover een afzonderlijk schema was voorzien ( 6) in de Constitutie over de Kerk zou verwerkt worden. 
 
Mgr. Djajaspoetra vroeg in naam van 31 Indonesische bisschoppen een woord over de liturgie als eredienst van de Kerk. 
 
Met deze en nog andere opmerkingen zou de theologische commissie moeten rekening houden bij het definitief opstellen van de Constitutie over de Kerk. Men verwachtte dat het concilie een waardige bijdrage zou leveren voor de ontwikkeling van de ecclesiologie in de kerk van de twintigste eeuw. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
 
 
(1) cf. R. Laurentin, «L'enjeu du Concile. Bilan de la deuxième Session.» p. 22.  
(2) Vanaf de derde sessie werd deze vergelijking overgoten met een vleugje ironie. Men zegde van de aartsbisschop van Mechelen dat hij tot moderator was benoemd quia erat amicus Petri, omdat hij de vriend van Petrus was. Wanneer vanaf de derde sessie een verkoeling intrad tussen Paulus VI en kardinaal Suenens, legde men de nadruk op erat. «Erat» amicus Petri. Hij «was» de vriend van Petrus. 
3) In de voorbereidingsperiode van het concilie gaf ik voor ziekenverpleegsters een lezing over het concilie. Ik vertelde toen dat er hier en daar stemmen waren opgegaan om vrouwen op het concilie uit te nodigen. Deze mededeling werd op algemeen gelach onthaald. Een mentaliteit kan vlug omslaan! 
(4) cf. Positief, nr .75, october 1977, p. 236-242. -141 - 
(5) cf. Positief, nr. 77, december 1977, pag. 279-281. 
(6) Hetgeen de voorbereidende commissie hierover had samengesteld was op last van de paus naar een bijzondere commissie verzonden. cf. Positief, nr. 74, september 1977, p. 220-221. 

Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht