• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis 10

3/5/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 76 – NOVEMBER 1977 

​In onze vorige bijdrage hebben wij getracht zo objectief mogelijk het verloop van de eerste sessie van het laatste concilie weer te geven. Wij volgden als het ware de gebeurtenissen op de voet, gaven de achtergronden aan van sommige debatten en deden ons best om de lezer te doen delen in de dynamiek van de kerkvergadering. 
 
In dit artikel zouden wij op deze eerste sessie willen terugkomen met een paar ondertitels die moeten dienen om enige aspecten van het concilie te belichten die wij synthetisch willen behandelen. 
 
JOHANNES XXIII 
 
Alzo menen wij dat wij even moeten blijven verwijlen bij degene die aan het begin staat van alles: paus Johannes XXIII. 
 
Men heeft beweerd dat het tweede vaticaans concilie een concilie van paus Johannes XXIII is. Men kan dit eenzijdig of overdreven noemen. maar dan is dit een eenzijdigheid en een overdrijving die onvermijdelijk is en zonder dewelke geen oordeel tot stand komt. 
 
Wanneer men nu althans de geschiedenis van dit concilie schrijft, mag men aan de persoonlijkheid van Johannes XXIII niet voorbijgaan. 
 
Het ligt buiten onze bedoeling de aard, het karakter en de eigenheid van deze concilie-paus volledig weer te geven. Daartoe achten wij ons onbekwaam en bestaat er nog te weinig historisch perspectief. 
 
Maar wij moeten hier wel de vraag stellen naar de houding van deze paus tegenover al hetgeen zich in en om het concilie heeft afgespeeld.
 
Stond Johannes aan de kant van de conservatieven of van de progressieven ? Heeft Hij het concilie in de ene of andere richting beinvloed ? 
 
Toen Angelo Giuseppe Roncalli paus werd, onthulde de Franse jezuïet die de kerkelijke actualiteit schreef in het maandblad Etudes, over hem een paar tekenende bijzonderheden. Hij vertelt hoe Roncalli, toen pauselijk gezant te Parijs, ieder jaar op het feest van de heilige lgnatius kwam dineren met de paters van de Etudes. Na een verzorgd maal en een heerlijke sigaar, werd de nuntius iets of wat loslippig en sprak hij over dingen waar diplomaten meestal over zwijgen. En pater Rouquette besluit: «Nous Ie considérions comme un intégrlste» «Wij aanzagen hem als een integrist». Bij de dood van Johannes XXIII heeft men aan pater Rouquette gevraagd of zijn gevoelen niet veranderd was, waarop hij ontkennend heeft qeantwoord. 
 
Dat klopt enigszins met wat men kan vernemen uit het dagboek van paus Johannes XXIII, een vrome ziel die leeft van de traditionele godsvrucht en geen weet schijnt te hebben van de aanbreng van de «Nieuwe Theologie». De bindingen van Johannes XXIII met de Lateraanse universiteit, komen deze trek van integrisme nog bevestigen. 
 
Doch Roncalli beschikte over een hoedanigheid die bij hooggeplaatste personen zelden voortkomt: hij was in staat afstand te nemen van zich zelven. Wij menen er niet veel naast te zijn wanneer wij deze eigenschap als de grondslag beschouwen van zijn fabelachtige goedheid. 
 
Paus Johannes moet ongetwijfeld een ontgoocheling opgelopen hebben toen de orthodoxen en de protestanten niet wilden meedoen aan zijn herenigingsconcilie. Doch de karaktertrek die hem zo beminnelijk maakte, gaf hem ook een onverwoestbaar optimisme waardoor hij nooit de handen liet zakken. 
 
In het bestuur van Johannes XXIII trouwens viel weinig systeem te bespeuren, het was een empirisme van de ene dag naar de andere, dat steunde op een uitzonderlijke gave van improvisatie. Soms was de reactie van de paus zo vlug dat zijn woord of zijn daad moeilijk anders dan als een blunder kon overkomen. B.v. toen de paus in het openbaar aankondigde dat hij zelf te Rome het huwelijk zou inzegenen van de Belgische prins Albert met de Italiaanse prinses Paola di Calabria, tot grote woede van de Belgische minister Th. Lefèvre, die verklaarde dat het huwelijk van een Belgische prins een staatszaak was en in Brussel moest plaatshebben, wat toen ook gebeurd is. 
 
Of toen later Johannes XXIII bekend maakte dat koningin Fabiola van België een kindje verwachtte. Of toen de paus de Duitse edelman Franz von Papen, die hij gekend had in Ankara, terug tot geheim kamerheer maakte. Het wekte de wrevel op van de Duitse katholieken, want von Papen had Hitler in het zadel geholpen. 
 
Wanneer dan de niet-katholieken een herenigingsconcilie afwezen, was een wisseloplossing vlug gevonden: het concilie zou een zaak worden van de katholieken alleen (1). 
 
Toen viel ook het woord aggiornamento. Het concilie moest vernieuwing brengen, maar de paus zegde niet welke vernieuwing. Een machtige stroming voor veranderingen op alle gebied liet zich sterk voelen. De paus scheen deze strekking te steunen en werd als behorende tot de progressieven aangezien. 
 
Dat gaf hij reeds duidelijk te kennen in zijn openingsrede: de eeuwige waarden moesten in nieuwe vormen worden voorgesteld. De progressieven zullen trouwens dikwijls naar deze toespraak verwijzen. 
 
Ook in het debat over de liturgie liet de paus verstaan dat hij meevoelde met hen die aanpassing verlangden en pluriformiteit. Dat besloot men althans uit de zichtbare voldoening waarmee de paus een homilie hield in de heilige mis opgedragen door kardinaal Montini, aartsbisschop van Milaan, in Ambrosiaanse ritus, de 4e november op het feest van de heilige Carolus Borromaeus. 
 
Die voorkeur voor de progressieven werd nog duidelijker toen Johannes XXIII de overwinning van de conservatieven in de bespreking over de bronnen van de openbaring niet homologeerde en het schema terug naar de commissie verwees. 
 
Dat al deze stellingnamen van de paus niet waren ingegeven door persoonlijke voorkeur maar dat hij het concilie zijn gang wilde laten gaan, werd duidelijk op het einde van de eerste sessie toen hij een nieuwe coördinerende commissie in het leven riep met evenveel conservatieven als progressieven : Confalionieri, Spellmann en Urbani enerzijds, Doepfner, Liénart en Suenens anderzijds. Zo werd Johannes XXIII de grote man van het concilie. Gemeten naar de standaard van de moderne «public relations» was dit concilie een geweldig succes geworden. Geen enkele andere religieuze gebeurtenis kreeg meer en langduriger publiciteit dan deze kerkvergadering. En die bijval ging ook naar de paus. De wereld luisterde geboeid naar zijn van humor tintelende woorden en ook door niet-katholieken en zelfs door niet-christenen werd hij bijna als een heilige vereerd. 
 
Het verwekte dan ook algemene instemming wanneer het Amerikaanse weekblad Time in zijn nummer van 4 januari 1963 Johannes XXIII uitriep tot man van het jaar 1962. De gewoonte van Time om een man van het jaar aan te wijzen, liep terug tot 1927. Paus Johannes XXIII was de eerste kerkelijke persoonlijkheid die deze eer te beurt viel. 
 
Maar in het uitvoerig artikel van Time over de paus werd massieve kritiek geuit op de curie en op de omgeving van de man van het jaar. Er werd verteld dat Antonio Piolanti, consultor van het Heilige Officie en rector van de Lateraanse universiteit, in de concilieaula zou gewaarschuwd hebben tegen rationalistische theologen die er rondliepen om onschuldige en onwetende bisschoppen tot dwalingen te brengen en dat hij zelfs gedurende een van zijn colleges zou uitgeroepen hebben : • Remember, the Pope can be deposed if he falls into heresy- -Denk er aan, de paus kan afgezet worden, wanneer hij in ketterij vervalt». Dat brengt er ons toe iets te zeggen over de rol van de pers tijdens de eerste sessie. 
 
De Pers 
 
"Uw verantwoordelijkheid is groot, waarde heren, zo sprak Johannes XXIII tot de journalisten van het concilie op de dag van de opening. En hij ging voort : "U staat in dienst van de waarheid, en in de mate waarin u haar trouw zijt, beantwoordt U aan de verwachtingen van de mensen. En met opzet zeggen wij: van de mensen, in het algemeen ; want al was er ooit een tijd dat de pers een kleine elite bereikte, het is duidelijk dat zij in onze dagen aan de gedachten, de gevoelens en de hartstochten van een groot deel van de mensheid richting geeft ; de verandering van de waarheid door de organen die met de voorlichting zijn belast, kan dus onberekenbare gevolgen hebben. 
 
Zeker, de bekoring is groot om toe te geven aan de smaak van een bepaald cliënteel, om meer bekommerd te zijn om snelheid dan om juistheid, om zich meer te interesseren voor het «sensationele» zoals men zegt, dan voor wat objectief waar is. Men stelt dan een zuiver uiterlijke bijzonderheid overdreven op de voorgrond, en men verdoezelt de diepere waarheid in de voorstelling van de gebeurtenis, in de analyse van een situatie, een opinie, een geloof. Ook dit is een manier, U begrijpt het, om de waarheid te verduisteren. En is dit reeds ernstig op elk gebied, hoeveel te ernstiger is het nog als het gaat om het meest intieme, het meest heilige ter wereld : het gebied van de godsdienst, van de betrekkingen van de ziel met God! 
 
Een algemeen concilie brengt natuurlijk uiterlijke en secundaire aspecten met zich mee, die de nieuwsgierigheid van een gehaast publiek voedsel kunnen geven. Ook kan het, op langere termijn, een gunstige invloed uitoefenen op de betrekkingen tussen de mensen op sociaal en zelfs op politiek gebied. Maar op de eerste plaats gaat het om een godsdienstig feit. En wij hopen van ganser harte dat U ertoe kunt bijdragen om dit feit duidelijk naar voren te brengen. Wat een tact, wat een reserve, wat een bekommernis om begrip en exactheid mag men hier dus verwachten van een verslaggever die er op uit is zijn edel beroep eer aan te doen. 
 
Wij vragen u allen, te trachten om de allereerst godsdienstige en geestelijke aard van deze plechtige Concilievergaderingen te begrijpen en te doen begrijpen. » 
 
Deze woorden waardoor de paus de journalisten naar hun geweten en hun verheven zending verwees, werden uitgesproken, en de paus heeft dit onderstreept, in de Sixtijnse kapel onder het schilderij over het laatste oordeel van Mlchelanqelo, 
 
Desondanks bleef de malaise onder de journalisten waarop wij in een van onze voorgaande bijdragen gewezen hebben voortduren. Katholieke journalisten waren ontevreden dat zij de concilievergaderingen niet mochten bijwonen en de niet-katholieke waarnemers wel. 
 
De waarnemers ontvingen bovendien iedere maandag van het secretariaat voor de eenheid van de christenen een programma van de vergaderingen. De journalisten kregen dat niet. 
 
De waarnemers echter mochten wel verslag uitbrengen aan hun kerkelijke overheden, maar waren verder verplicht te zwijgen. Dat deden zij. Bij de persmensen ligt het totaal anders: wat vandaag een journalist weet, weet morgen de hele wereld. 
 
Het concilie nu spreekt over religieuze zaken die niet zonder schroom mogen benaderd worden. Vanwege het conciliesecretariaat was er dan ook een zekere angst ten opzichte van de journalisten. Zij werden kort aan de lijn gehouden en er werden hun slechts schaarse mededelingen doorgegeven door een persbureau dat het conciliesecretariaat had ingericht. 
 
Doch heel de wereld keek uit naar het concilie en verwachtte nieuws. De dagbladcorrespondenten vulden het weinige dat hun werd aangeboden aan door combinatie van gesprekken met deze en gene, door vermoedens al of niet gegrond, door handigheden waardoor zij toch nu en dan door een spleet van de muur rond het concilie konden doordringen. 
 
Dat had voor gevolg dat sommige totaal ondergeschikte voorvallen te veel in het licht werden gesteld, dat het verschil tussen een concilie waarin men tot een echte eenheid wil komen en een parlement waarin men de tegenpartij tracht te overstemmen, niet meer gezien werd. 
 
Voeg daarbij dat, zoals voor alle andere krantenartikelen, de redactie ter plaatse voor de titels van de verslagen over het concilie zorgde en dat die dikwijls langs de sensationele kant waren en daardoor een verkeerd beeld gaven. Zo verscheen de Franse krant «Francesoir» de dag nadat door toedoen van kardinaal Liénart de praeconciliare commissies waren afgewezen (1), met grote letters op de titelpagina : « Les évêques français en révolte au concile » «De Franse bisschoppen in opstand tegen het concilie». 
 
En wanneer Mgr. Calewaert, bisschop van Gent, het evenwichtige voorstel had gedaan, om het Latijn te bewaren voor de voornaamste delen van de mis en voor al het overige de volkstaal aan te wenden, wist de Vlaamse krant « De Standaard» niets anders mede te delen dan dat de bisschop van Gent voor het behoud van het Latijn was en tegen het invoeren van de volkstaal in de liturgie. 
 
Van het eigenlijke van wat op het concilie plaats greep, was de massa priesters en leken die er zich voor interesseerden, onwetend. Grosso modo stelden zij zich het conciliegebeuren aldus voor: op het concilie zijn er twee partijen, de progressieven en de conservatieven, de eersten zijn de goeden, de anderen de slechten. Tot deze laatsten behoorde de curie, die het vooral moest ontgelden. Kardinaal Ottaviani werd een boeman. Wat is het verschil tussen de progressieven en de conservatieven? Dat kon men moeilijk zeggen. De eersten wilden «vernieuwing», de anderen zijn daar tegen. Welke vernieuwing? Dat was weer onmogelijk om aan te duiden tenzij door een paar vaagheden of een paar details. Ondermeer dat de liturgie gedeeltelijk in de volkstaal zou gevierd worden. Sommigen dachten ook aan een zekere toenadering tot de protestanten. Dat had wel een «fundamentum in re». Voor die verwachting was wel een reële grondslag: de aanwezigheid van de niet-katholiek observators in de concilieaula. (2)
 
De Observators 
 
Vlak na de eerste sessie van het concilie heb ik een bisschop horen beweren dat de niet-katholieke observatoren wel niet het woord mochten voeren in de concilieaula. maar iedere spreekbeurt rekening hield met hun aanwezigheid. 
 
De Franse protestantse waarnemer H. Roux drukt dit nog sterker uit wanneer hij schrijft dat op de eerste sessie van het concilie de vaders bekommerd waren om hun oecumenische verantwoordelijkheid. 
 
Ongetwijfeld is dat een van de eigenlijke kenmerken geweest van Vaticanum ll. De schema's over de bronnen van de Openbaring en van de Kerk werden afgewezen omdat de voorbereidende commissie die ze had opgesteld, aan de protestantse visie was voorbijgegaan. 
 
Dat betekende niet alleen een nieuwe richting in de theologie maar zou uiteindelijk zijn invloed uitoefenen op alle uitdrukkingsvormen van het religieuze erfgoed van de Kerk. Hier zat de mogelijkheid in dat het zowel een verdieping kon betekenen van het geestelijk leven als een verlies van eigen identiteit. 
 
Wat de niet-katholieke waarnemers zelf dachten over het concilie, hun ontvangst en de nieuwe oecumenische perspectieven, werd weergegeven door prof. Cullman, hoogleraar te Basel en te Parijs en «gast van het concilie» in een persconferentie die gehouden werd in het persbureau van het concilie en die in extenso werd gepubliceerd door de Osservatore Romano in haar nummer van 25 november 1962. 
 
Hij drukte zijn grote tevredenheid uit over de ontvangst door het secretariaat voor de eenheid. Kardinaal Bea, Mgr. Willebrands en al hun medewerkers doen werkelijk alle denkbare moeite, zo drukte hij zich uit, om het ons mogelijk te maken alle werkzaamheden van het concilie te volgen, onze meningen kenbaar te maken en ons in contact te brengen met concilievaders en Romeinse persoonlijkheden. Bij de zo vruchtbare gesprekken, zo ging hij verder, die ik hier op het concilie met mijn katholieke broeders gevoerd heb, is het mij duidelijk geworden dat het katholicisme zich volkomen akkoord kan verklaren met het merendeel der positieve waarheden die wij geloven en prediken op de grondslag van de Bijbel. Dat is verheugend. Maar de grote moeilijkheid die, ondanks deze overeenstemming blijft bestaan, mogen wij niet verdoezelen. Wij blijven gescheiden door wat het katholicisme meer heeft en wat wij beschouwen als een teveel, terwijl de katholieken van mening zijn dat hetgeen wij minder hebben, ons ontbreekt. Naar mijn mening zal het oecumenisch gesprek vooruitgang boeken wanneer onze katholieke broeders het mindere bij ons niet zonder meer als een gebrek beschouwen, maar als een bewuste concentratie op datgene, wat volgens onze overtuiging het enige centrum van ons geloof aan Christus moet blijven. Anderzijds moeten wij protestanten ons afvragen of op bepaalde punten bij ons in plaats van een concentratie naar de maatstaven van de Bijbel gemeten, niet een versmalling is ingetreden en of onze kerken niet ten onrechte bepaalde bijbelse elementen hebben laten vallen.» 
 
Wanneer de observators na de eerste sessie terug thuis waren gekomen hebben velen onder hen indrukken en bedenkingen neergeschreven in tijdschriftenartikelen. Over het algemeen drukten zij hun verwondering er over uit dat de katholieke theologie niet zo een monolithisch blok vormt als zij dachten. De verschillende strekkingen en zelfs tegenstellingen werden echter door hen positief beoordeeld, als een teken van levenskracht in de kerk. 
 
Bij sommigen ontwaarde men een toenadering tot het katholicisme. Bisschop Moorman van de Anglicaanse kerk schreef in «Church Time» van 14.12.62 dat na het debat over de bronnen van de openbaring, het protestantisme zijn eenzijdig Sola Scriptura princiep waarvan de exegetische wetenschap de onhoudbaarheid heeft bewezen, zonder meer moet opgeven. 
 
In het Franse «Béforme» van 22.12.62 schreef de Franse protestant G. Richard-Mollard dat de goede paus Johannes XXIII de niet-katholieke christenen met het pauselijk primaatschap had weten te verzoenen. 
 
In het populaire Duitse protestantse weekblad «Christ und Welt» dat een grote oplage heeft, verscheen 14.12.62 een artikel van J. Schilling met als titel «Entmytholoqislerunq der Kurie». Hierin deed het mee met die katholieken die door simplificerende en vertekende persberichten een hetze begonnen waren tegen de curie. 
 
Het is een minder fraai aspect van het concilie dat nog rampzalige gevolgen zal hebben. 
 
Het Communisme 
 
Alle concilies waren tot hiertoe samengeroepen geweest om dwalingen te bestrijden. Vanaf het begin echter had paus Johannes te kennen gegeven hoe hij met dit concilie een andere weg op wilde en dat niemand of niets verketterd zou worden maar dat men de christelijke boodschap positief zou benaderen en in een aan deze tijd aangepaste vorm zou verkondigen. Dat was een heel nieuwe aanpak waaraan sommige commissieleden van de voorbereidende commissie zich maar moeilijk hadden kunnen aan wennen. Zo waren er verscheidene vaders die nog eens een herhaalde en kordate veroordeling verlangden van het goddeloze communisme. Anderen waren daar radicaal tegen. Dat werd een scheidingslijn tussen de bisschoppen die afhing van bepaalde politieke sympathieën die men gewoonlijk met de irrationele begrippen van rechts en links aanduidt en die bij de vaders ongeveer parallel liep met hun theologische gerichtheid voor of tegen de nieuwe theologie. 
 
Wij zagen reeds hoe sommige concilievaders verlangden dat de boodschap van het concilie tot alle mensen een duidelijke afwijzing van het communisme zou bevatten, maar dat op hun wensen niet werd ingegaan  (3)
 
Er werd gefluisterd dat het zwijgen over het communisme de prijs was geweest die het concilie had moeten betalen opdat de Sovjetregering zou toelaten dat orthodoxe waarnemers uit Rusland het concilie mochten bijwonen. Er werd ook verteld dat men er zeker kon van zijn dat met de Russische orthodoxen een of ander spion tot de kringen van het concilie zou doordringen. Maar Johannes XXIII repliceerde: Wij hebben niets te verbergen. 
 
De bisschoppen van achter het ijzeren gordijn zagen niet graag dat het concilie zich tegen het communisme zou afzetten, om de positie van hun gelovigen niet erger te maken. Anderzijds vond men onder hen de meest uitgesproken anti-communisten en waarschuwden zij er voor dat een wijze van overeenkomen met de communisten altijd ten nadele van de godsdienst uitvalt. Uitgesproken anti-communist waren de Oekraïense bisschoppen die erg verstoord waren over de aanwezigheid van de Russische waarnemers en een pijnlijk incident veroorzaakten (4). 
 
Het commentaar in de Sovjetpers en de Sovjetcommunicatiemedia was betrekkelijk gematigd, hoewel fundamenteel nog vijandig. Johannes XXIII werd geprezen, maar de kerk aangevallen. «De katholieke kerk is aan haar verval toe, schreef de Komsomolskaja Pravda, en niets kan haar nog tot leven wekken». 
 
Op het concilie bleef een verdoken strijd voortduren tussen anticommunisten en voorstanders van een opening naar links. In een extra-editie 9 dec. 1962, publiceerde L'Osservatore Romano de bijdrage van de Fransciscanerpater Ermenegildo Lio, van het H. Officie, waarin deze schreef dat het tijd werd voor het concilie om tot veroordelingen over te gaan. Maar ter gelegenheid van het nieuwe jaar werden er telegrammen van gelukwensen uitgewisseld tussen de Russische premier Kroetsjew en paus Johannes XXIII. Volgens sommigen behoorde een bezoek van Kroestjew aan de paus en diplomatieke betrekkingen tussen Rusland en het Vaticaan tot de mogelijkheden van de onmiddellijke toekomst. - 
 
Hoe verder? 
 
In sommige van de vele publicaties over kerkelijke aangelegenheden na de eerste sessie, wees men erop dat in de negen maanden tussen 8 december 1962 en 8 september 1963 het lot van het concilie zou beslist worden. Misschien is dat wel zo geweest. Toch kon na het afsluiten van de eerste zittijd nog niemand voorzien welke kant de bisschoppen zouden uitgaan, welke spanningen er zich nog zouden voordoen en wat soort omwenteling tenslotte over de Kerk zou neerkomen. 
 
De verwachtingen die bij de aanvang al hoog gespannen waren, beloofden gouden bergen van vernieuwing. Althans aan de kant van de «progressieven», die nagenoeg de hele opinie van kerkelijken, buiten-kerkelijken, christenen en niet-christenen, kortom van al degenen die zich interesseerden aan het concilie, en dat waren er velen, voor zich hadden weten te winnen. Het gewone kerkvolk, priesters en leken, dat leefde van een vast geloof, zonder vragen of geestelijke strijd, werd in die trend meegesleurd. 
 
Iemand die niet aan kerkelijke politiek wilde doen, maar alleen begaan was met het heil van de Kerk en zonder onbekookt enthousiasme alles gevolgd had, bewoog zich tussen hoop en vrees. 
 
Wanneer wij aan de doordringende, genuanceerde en theologisch gedragen uiteenzetting van 0. Cullmann denken, kan men het alleen maar betreuren dat dit concilie geen herenigingsconcilie is geworden. De protestanten hadden het afgewezen omdat zij een soort Romeins imperialisme vreesden. Na de eerste sessie stelden zij vast dat er daar geen sprake van was. Zou nu een herverenigingsconcilie nog tot de mogelijkheden behoren? 
 
Dat was echter een illusie die geen rekening hield met de onomkeerbare en complexe realiteit die deze eerste sessie reeds had veroorzaakt. De aandacht en de belangstelling van de concilievaders ging eerder naar binnenkerkelijke vernieuwingen dan naar een eigenlijk oecumenisme. In het plan Suenens waarvan men mocht voorzien dat het de leidraad ging worden van de volgende sessie, stond het oecumenisme niet centraal. Want hoewel kardinaal Suenens in de tussenkomst op het concilie waar hij zijn plan naar voren bracht, gesproken had over een driedubbele dialoog, met de gelovigen, met de oecumenische groepen en met de wereld, waren het vooral de wereldproblemen die in zijn opzet werden vermeld. Hoe belangrijk deze problemen ook zijn, ze zijn periferisch ten opzichte van de centrale vragen die de Hervorming ons stelt. Daarbij komt dat zij anders benaderd worden door protestanten en katholieken. Door de katholieken vanuit de natuurwet, door de protestanten vanuit de bijbel.
 
Men kon wel verhopen dat die binnenkerkelijke veranderingen toenadering tot de afgescheiden broeders zouden brengen, maar zeker was het niet. Het was zelfs niet uitgesloten dat het tegenovergestelde zich zou voordoen. Daarbij was het volume van de voorstellen nog steeds van zulk een onoverzichtelijke omvang dat men niet inzag hoe alles ten gronde zou kunnen behandeld worden. Qui trop embrasse, mal étreint. Men mag nooit te veel hooi op zijn vork nemen. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
 
(1 J Zie onze eerste bijdrage van «Onze korte conctlleqeschledenis » in Positief, nr 65, october 1976, p. 267-173. 
 
(2) Cfr. Positief, nr 41, april 1977, p. 116. 
 
(3) cf. Positief, nr. 71, april 1976, p. 120. 
 
(4) cf. Positief, nr. 70, maart 1976, p. 90. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht