• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Het debat over de bronnen van de Openbaring

3/5/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 74 – SEPTEMBER 1977 

De eerste dag. 
 
In de dithyrambische geschriften die voor en over het concilie verschenen, heeft men erop gewezen dat er een grote eenheid bestond onder de katholieken en dat er niet het minste gevaar te bespeuren viel voor schisma en ketterij. Het komend concilie zou dan ook pastoraal zijn en niet dogmatisch, de bisschoppen zouden in alle sereniteit kunnen van gedachten wisselen over de grote problemen van kerk en wereld. 
 
Maar in de preconciliaire tijd had men reeds geschreven over «progressieven» en «conservatieven ... Bij de behandeling van het schema over de liturgie gingen de meningen twee verschillende kanten uit; het ontwerp over de bronnen van de openbaring werd vanuit moeilijk plooibare standpunten benaderd. Het schema over de bronnen van de openbaring was bij het begin van het concilie met de andere voorgestelde schema's, behalve dan dat van de liturgie, het mikpunt geweest van de aanvallen van bisschop Bekkers van 's Hertogenbosch en zijn theologische raadgever E. Schillebeeckx. 
 
Die actie had bereikt dat vóór alle andere schema's de liturgie het eerst werd behandeld. 
 
Intussen hadden de Nederlandse bisschoppen en hun theologisch adviseur ruim de tijd gehad om met conferenties het wereldepiscopaat te bewerken. Er ontstonden kleine nevenconcilies waarin het gonsde van bedrijvigheid. Schillebeeckx, Küng, K. Rahner, Congar en anderen wezen op de zwakke plekken van het schema en wilden het doen verwerpen als ontwerp voor discussie. Een tegenschema van de hand van K. Rahner, naar men beweerde, werd in omloop gebracht. De grote meerderheid van de Eurobisschoppen stonden erachter en alles wees erop dat het ook nog andere aanhangers zou vinden. 
 
Het debat over de bronnen van de openbaring werd geopend op woensdag 14 november met enige waarschuwingen van kardinaal Ottaviani over het tegenschema dat circuleerde onder de concilievaders. Hij vond dat deze manier van handelen weinig eerbied vertoonde voor de rechten van de H. Vader die alleen schema's mocht aanbieden. Verder gaf hij een korte en algemene verdediging van het officiële schema. Wat voorgesteld werd was geen encycliek, geen homilie of herderlijk schrijven, maar een doctrineel stuk dat in een heldere taal de constante leer wilde weergeven. 
 
Het schema werd onmiddellijk bestreden door dezelfden die erin geslaagd waren de preconciliaire commissies definitief te verwerpen : kardinaal Liénart van Rijsel en kardinaal Frings van Keulen. Zij werden aanstonds bijgestaan door een paar bisschoppen die reeds tijdens de bespreking over de liturgie zich hadden laten kennen als voorvechters van vernieuwing en die de voormannen zouden worden van de «progressieven». 
 
Dat was vooreerst kardinaal Alfrink, die als hoofd van de Nederlandse bisschoppenconferentie, al langer werd aangezien als een voorstander van veranderingen. Verder ook de Canadese kardinaal Léger. Ofschoon hij zijn loopbaan begonnen was als sulpiciaan en een Romeinse leerschool had doorlopen als rector van het Canadees college van Rome, elementen die hem eerder als «conservatief» zouden bestempelen, had hij bij het begin van het concilie gevoeld vanwaar de wind kwam en had hij zich resoluut aan de kant gesteld van de progressieven. Ook kardinaal König stond aan hun zijde. Als voorzitter van de Oostenrijkse bisschoppenconferentie had hij zich van in het begin aangesloten bij zijn Duitssprekende collega's. Maximos IV Saigh, de Melchietische patriarch van Antiochië, die reeds een opgemerkte rede had gehouden tijdens het debat over de liturgie, schaarde zich ook hier bij de bisschoppen die het schema over de bronnen van de openbaring van de hand wezen.
 
Twee nieuwe figuren, die later sterk op de voorgrond zouden treden, kwamen die eerste dag van de discussie over de bronnen van de openbaring, de rijen van de progressieven vervoegen. Kardinaal Bea en kardinaal Suenens. Kardinaal Bea was als jezuïet rector geweest van het bijbelinstituut te Rome. Ik heb hem reeds in de jaren '40 horen vernoemen door een bijbelgeleerde als de inspirator van een paar ongelukkige decreten van de Bijbelcommissie die wegens hun strak dogmatische strekking, het wetenschappelijk onderzoek zouden tegengehouden hebben. Nu was hij door de paus tot voorzitter benoemd van het secretariaat van de eenheid onder de christenen, en tot kardinaal verheven. Hij kwam naar voren om resoluut het schema af te wijzen. Kardinaal Suenens ging niet in op de theologische problemen die door het schema werden aangeraakt maar was tegen het project omdat het voorbijging aan de hedendaagse problemen. Hij maakte zich erover bezorgd dat het tweede Vaticaans concilie in duur de 18 jaar van Trente zou overtreffen met al dat discussiëren en verlangde een andere procedure opdat de vergadering vlotter zou verlopen. (pag 211)
 
De tussenkomst van de Belgische kardinaal had indruk gemaakt en betekende misschien wel een keerpunt in het debat in die zin dat het aanslepen van de besprekingen de bekommernis ging worden van nog andere bisschoppen. Door zich aan de kant van de «progressieven» te scharen stelde kardinaal Suenens een voorbeeld voor de grote meerderheid van de concilievaders die eerder praktisch dan theologisch waren aangelegd. 
 
Een paar bisschoppen die vooraanstaande figuren zouden worden van de «conservatieve" richting namen diezelfde dag eveneens het woord. Zo verdedigde kardinaal Ruffini, aartsbisschop van Palermo, met vuur de preconciliaire commissie die alles had voorbereid, en met gloed wees hij de beschuldiging af van eenzijdigheid. «Wij staan voor een buitengewoon belangrijke kwestie, kondigde hij aan. Dit schema raakt het hart en de kern van het concilie en daarom mogen wij het niet in zijn geheel verwerpen." 
 
Zijn zienswijze werd bijgetreden, zij het dan op een meer verzoenende toon, door de gezaghebbende aartsbisschop van Genua, kardinaal Siri. De naam van deze prelaat werd, na de dood van Pius XII, dikwijls vernoemd als zijn mogelijke opvolger. Nu was hij voorzitter van de Italiaanse bisschoppenconferentie, die hij volledig beheerste, zodat zij als één man optrad. Alleen de aartsbisschop van Milaan, kardinaal Montini, waagde het er zich van te distantiëren. 
 
Het meningsverschil tussen de twee groepen was dus diep en ernstig. Waarover ging het? 
 
Eén of twee bronnen van de Openbaring? 
 
Het schema handelde over de tweevoudige bron van de openbaring «De duplici fonte Revelationis ». De opstellers van het stuk waren ervan overtuigd dat zij alleen maar de evidente Rooms Katholieke leer hadden weergegeven. Immers zowel op de kerkvergadering van Trente als bij het eerste Vaticaans concilie werden er twee bronnen van de openbaring, nl. Schrift en Traditie, vernoemd en naast elkaar gesteld. Het Tridentinum leert dat de waarheid en de leer van Christus «vervat is in de geschreven boeken en de ongeschreven overleveringen, die uit Christus' eigen mond door de apostelen zijn ontvangen of van de tijd van de apostelen af door de ingeving van de H. Geest als van hand tot hand overgeleverd, tot ons gekomen zijn" (1). (pag 212)
 
Deze verklaring van het concilie van Trente werd in die zin verstaan dat tegenover de Schrift de traditie aanvullend was en completerend. Dit supplerend karakter van de traditie werd ten opzichte van de hervorming steeds meer benadrukt, om het reformatorisch argument te ontzenuwen dat allerlei waarheden niet op de Schrift konden worden gefundeerd. Deze contrareformatorische positie kreeg daardoor een enigszins kwantitatief karakter door de verwijzing naar een (zij het beperkt) aantal «waarheden" die niet uit de Schrift, maar uit de traditie konden worden geput. 
 
Deze opvatting was tot in de catechese doorgedrongen. De gelovigen die nog echt godsdienstonderwijs hebben ontvangen, weten dat sommige geloofswaarheden niet door de Schrift maar door de mondelinge overlevering tot ons zijn gekomen. 
 
Hier staat de katholieke denkwijze diametraal tegenover de Hervorming. Het reformatorisch Sola Scriptura (alleen de Schrift) tegen het Roomse Schrift en traditie. 
 
In het oecumenisch klimaat echter van na de tweede wereldoorlog hadden de protestanten weer oog gekregen voor de waarde van de traditie en waren katholieke theologen opgekomen voor de sufficiëntie van de Schrift met daarnaast een interpretatieve traditie. 
 
Zo had de Duitse theoloog Geiselmann erop gewezen dat oorspronkelijk in het decreet van Trente er niet stond dat de waarheid en de leer van Christus «vervat is in de geschreven boeken en de ongeschreven overleveringen» maar «gedeeltelijk in de geschreven boeken en gedeeltelijk in de ongeschreven overleveringen» (2). 
 
En met deze veranderde formulering wordt de kwestie van de wijze waarop Schrift en traditie verbonden zijn, opengelaten. Geiselmann is van mening dat men al spoedig na Trente de betekenis van deze wijziging niet meer heeft verstaan. Onder invloed van de Spaanse Dominicaner theoloog Melchior Cano (1509-1560) gaat men in de contrareformatorische theologie uit van het «gedeeltelijk ... gedeeltelijk ... " of van formuleringen die daarmee zakelijk overeenkomen (2). 
 
Niet iedereen was het over deze interpretatie van Trente eens met Geiselmann. Volgens Lennerz b.v. ging het hier alleen maar over een (pag 213) stilistische verandering. Het was voor iedereen duidelijk dat het concilie het reformatorische «Sela Scriptura» «De Schrift alleen» wilde afwijzen» zodat men zonder moeite genoegen nam met de (stilistische) verandering van «partim... partim ... » «gedeeltelijk... gedeeltelijk ... » in «et» «en», waarin de afweer tegen de reformatie was gegarandeerd. (4) 
 
Het is niet eenvoudig om in deze discussie over het decreet van Trente tot een stellige keuze te geraken. Voor beide standpunten schijnen allerlei bewijzen aangevoerd te worden die niet zonder betekenis zijn. Belangrijk voor ons onderwerp echter is het feit dat deze interpretatiekwestie een grote rol is gaan spelen bij sommige theologen en via die theologen, het tweede concilie bij de overwegingen over het schema van de bronnen der openbaring niet onberoerd heeft gelaten. Volgens deze theologen heeft Trente wel niet gedefiniëerd dat alle heilswaarde in de Schrift is vervat maar dan toch over dit punt geen uitspraak gedaan. 
 
Tegenover de Reformatie nam het Tridentinum genoegen met de hoge waardering te onderstrepen ten opzichte van de traditie, doch het onderzoek aangaande de relatie tussen Schrift en traditie werd geheel opengelaten. Bijgevolg moet de opinie die in de traditie niet een nevenbron ziet van de Schrift, doch haar een interpretatieve functie toeschrijft, niet in strijd worden geacht met het decreet van het concilie van Trente. 
 
Deze exegese van Trente werd voor K. Rahner de gelegenheid om nieuwe dogmatische inzichten uiteen te zetten over de verhouding Schrifttraditie. Rahner acht het absurd aan te nemen dat er elementen zouden zijn die zo zeer verschillend zijn van de schriftinhoud dat men ze uit een andere bron moet afleiden. Het is niet denkbaar volgens hem en onaannemelijk vanuit het karakter van de Openbaring en de eenheid van het geloof van twee materieel gescheiden openbaringsbronnen te spreken. Hij hoopt dan ook dat het Tweede Vaticaans concilie de vraag naar de relatie tussen Schrift en traditie zou openlaten (2). 
 
Rahner was de peritus van aartsbisschop König van Wenen en zeer actief te Rome tijdens het concilie, waar hij een grote invloed kreeg en zijn theorie ingang wilde doen vinden. Want die zienswijze was de facto totaal nieuw in de theologische betekenis van het woord, dat wil (pag 214) zeggen brekend met het verleden en daarom ongehoord. Toch was de visie van Rahner reeds min of meer bij heel wat concilievaders doorgedrongen. Zij leverden kritiek op het schema van de bronnen der openbaring omdat het alleen de opvatting van één theologische school zou weergeven en het onderzoek en de mening van anderen niet honoreerde. 
 
Het was niet moeilijk voor kardinaal Ottaviani om hierop te antwoorden. De leden van de voorbereidende commissie kwamen uit verschillende landen en uit verschillende universiteiten. Het is niet waar dat slechts één mening of één denkrichting was vertegenwoordigd. Doch de kardinaal scheen er niet in te lukken de meerderheid te overtuigen. Er was stemming tegen hem en tegen zijn schema. 
 
Nog andere Bezwaren. 
Dat houdt verband met nog andere bezwaren. Zo vond men dat het schema te weinig steunde op een historisch georiënteerde theologie en schadelijk was voor de vrijheid van het wetenschappelijk onderzoek. Om deze kritiek te verstaan moet men iets afweten van de gebeurtenissen in de wereld van de theologen sedert het verschijnen van de encycliek Divino afflante Spiritu (Onder ingeving van de H. Geest) (1943) die het licht op groen had gezet voor het wetenschappelijk onderzoek. Sindsdien kende de theologie in de katholieke kerk een hoge vlucht, waar sommigen dan weer een gevaar in zagen voor het geloof. Te Rome stond vooral de Lateraanse universiteit achterdochtig tegenover de exegetische werken die in Duitsland verschenen en ook tegenover het onderwijs dat verstrekt werd aan het bijbelinstituut van de jezuïeten. 
 
Vlak voor het concilie groeide dat wantrouwen uit tot heftige tegenstellingen toen Mgr. A. Romeo, professor aan de pauselijke Lateraanse universiteit en studieadjutor van de Congregatie der Studiën, een artikel liet verschijnen dat daarna in boekvorm werd verspreid, in het tijdschrift Divinitas (van de pauselijke Romeinse theologische academie waarvan Romeo lid is) met als titel: “L'lnciclica Divino afflante Spiritu e Ie opiniones novae. De encycliek Divino afflante Spiritu en de nieuwe meningen”. Aanleiding was geweest een bijdrage van Pater Schoekel S.J., van het bijbelinstituut, in «La civilta catholica» over de wetenschappelijke ontwikkeling van de nieuwere katholieke exegese, die volgens Romeo tekortkwam aan rechtgelovigheid. Het artikel van Schoekel was voor Romeo een aanknopingspunt om de staf te breken over nog andere professoren van het bijbelinstituut en katholieke exegeten uit andere landen in discrediet te brengen. Onder meer de Leuvense bijbelkundige J. Levie S.J., die in zijn boek «La (pag 215) – “Bible, parole humaine et message de Dieu” (De bijbel, menselijk woord en boodschap van God) het menselijk en het goddelijk aspect van de H. Schrift behandelt. Het verkeerde in het boek van pater Levie bestaat volgens Romeo hierin dat de onvergankelijke economie van het eeuwige leven teruggebracht wordt tot een historisch moment, één onder zovelen. 
 
De toon van dit artikel was verre van academisch, vooral dan waar Romeo de invloed betreurt van de Duitse wetenschap te Rome: «ach, dit ons gastvrije, zonnig Rome laat nevels uit het noorden binnendringen, waarvoor de waarheid ook weer niet de waarheid is ... 
 
K. Rahner heeft hierop geantwoord in een artikel in Stimmem der Zeit, juli 1961, «Klerikale Tratsch (Klerikaal geklets) waarin hij, enigszins vanuit de hoogte, op Romeo repliceert dat men een goed katholiek kan zijn op duizenden kilometer afstand van Rome. Na dit voorwoord volgt dan een snedige bijdrage over de verhouding tussen de exegese en het dogma. Aan de dogmatici vraagt Rahner de arbeid van de exegeten te honoreren en niet in hun plaats te willen verrichten. De exegeten zegt hij alle vrijheid toe maar zij mogen niet vergeten dat zij katholieke theologen zijn en dat de katholieke exegese een geloofswetenschap is (eine Glaubenswissenschaft), niet alleen maar filologie en godsdienstwetenschap en dat zij in een positieve verhouding moet staan tot het geloof van de kerk en tot het kerkelijk leerambt. Trouwens zowel dogmatici als exegeten moeten weten dat zij niet de heren maar de dienaren zijn van het leerambt dat Christus aan Petrus en de apostelen en niet aan de professoren heeft toevertrouwd. 
 
De studie van Rahner was een verhelderende bijdrage in de zo moeilijke problematiek van leergezag en exegese. Wellicht kan die kwestie nog niet helemaal beschouwd worden als concilierijp en moet de kerk nog een tijd van ontwikkeling doormaken, dat betekent van leiding van de H. Geest om een juist inzicht te verkrijgen in de verhouding leerambt-exegese. 
 
Het zal dan ook zeer moeilijk geweest zijn voor de concilievaders hieromtrent een oordeel te verkrijgen. Des te meer dat de meningsverschillen de vorm van een scherpe polemiek hadden aangenomen. 
 
Zo had Mgr. F. Spadafora, oud-leerling van Mgr. Romeo, vlak voor de aanvang van het concilie, een brochure uitgegeven «Alleen bestemd voor de vaders van het oecumenisch concilie en strikt voor hen gereserveerd" getiteld : «Razionalismo. exegesi cattolica e Maqlstero» (Rationalisme, katholieke exegese en leerambt). Het schrift richt zich tegen de «Formqeschichte», een exegetische methode die rekening houdt met het literair genre van de H. Schrift, van protestantse bijbelg(pag216)geleerden afkomstig en die ook door katholieke exegeten wordt aangewend. 
 
Doch ook de tegenpartij bleef niet stil. Bijna iedere dag werd er een of andere conferentie gegeven door een theoloog van de nieuwe richting. 
 
Naast de serene Rahner, wiens gezag zeer groot was, was er de agressieve en politiek aangelegde Küng, om de bisschoppen te «recycleren». In het ontwerp van de theologische voorbereidingscommissie ontdekten zij dezelfde geest als in de brochure van de groep Romeo-Spadafora en zij trachtten de bisschoppen daarvan te overtuigen, waarin zij grotendeels slaagden. 
 
Het werkplan over de bronnen der openbaring werd bovendien nog aangewreven dat het niet pastoraal was en het concilie wilde naar de opvatting van Johannes XXIII vooral pastoraal zijn. Het schema was inderdaad opgesteld in een strikt scholastische terminologie waar de gewone mens weinig in thuis is. Kardinaal Ottaviani beet van zich af met te verklaren dat het fundament voor alle pastorale theologie verschaft wordt door een veilige geloofsleer.
 
Eigenlijk gaat het hier om een dubbel bezwaar tegen het schema. Enerzijds dat het niet pastoraal is en dat is het verwijt dat de meesten wel begrijpen, maar anderzijds is er iets dat dieper ligt, een bedenking die komt vanwege vaktheologen en filosofen. 
 
Het moderne filosofisch denken dat ook op de theologie niet zonder invloed was gebleven, steunt eerder op inhouden van het bewustzijn (fenomenologie en existentiële filosofie) dan op abstracte, universele en onveranderlijke waarheden. Zonder daarom noodzakelijk in relativisme te vervallen wordt de werkelijkheid (als waarheid) gezien als een nooit volledig te ontraadselen achtergrond van al onze menselijke duidingen. 
 
Daarbij aansluitend is de grondopvatting van de nieuwe richtingen in de theologie dat geen enkele formule ook niet een dogmaverklaring, een christelijk mysterie helemaal kan uitputten. (5) 
 
Die wijze van denken was maar weinig doorgedrongen in sommige Romeinse kringen en had niet de minste invloed gehad op het schema. Het werd dan ook een bewogen discussie en een ongewone spanning. De enen begrepen niet hoe men zich tegen de vaste, traditionele leer (pag- 217) kon stellen, de anderen zagen eindelijk de kans schoon om hun zienswijze in theologie door te drukken. 
 
De bisschoppen echter die duidelijk wisten waarom het ging waren maar een kleine minderheid. De grote meerderheid was van de tussensoort en maar weinig op de hoogte van deze theologische problemen. Zij bleven daarom aanvankelijk onbeslist. Gaandeweg zouden zij zich grotendeels bij de «progressieven" voegen, gedeeltelijk omdat zij overtuigd waren dat zij het bij het rechte eind hadden, gedeeltelijk ook omdat progressief zijn nu eenmaal in de mode was op alle gebied. Wij zagen reeds hoe de eerste dag van het debat verlopen was. De volgende dagen zouden de fronten zich nog scherper aftekenen en aan beide kanten persoonlijkheden naar voren treden die in de verdere loop van het concilie nog dikwijls het spreekgestoelte zouden beklimmen. Onder meer de Ierse dominicaan kardinaal Browne die het eens was met Ottaviani en onderstreepte dat de leer over de twee bronnen behoorde tot de leerschat van de Kerk en dat Sint Thomas van Aquino, het concilie van Trente, het eerste Vaticaans concilie, de encyclieken van Leo XIII en Pius XII op dit gebied overeenstemmen. Maar Mgr. Schmitt van Metz verwees hier naar het «partim... partim ... " dat oorspronkelijk stond in het schema van Trente en achteraf veranderd werd in “et”. Hij stelde het probleem als volgt voor: de gehele openbaring bestaat in de persoon van Christus, want Hij is de bewerker ervan, het Woord van God, Zijn hele leven, dood en verrijzenis openbaren Hem aan ons. 
 
Een enigszins verrassende steun voor de tegenstanders van het project kwam van Kardinaal Silva Henriquez van Santiago de Chili. Tot hiertoe immers hadden Spaanse en Latijns-Amerikaanse bisschoppen zich uitgesproken voor het schema zodat men dacht dat heel de Hispanitas als één blok reageerde zoals de Italianen. Hield de houding van de Chileense bisschop verband met het feit dat Chili op dat tijdstip het enige land was in Latijns-Amerika met een democratisch regime, onder leiding van de christen-democraat Frey, een oud-student van de Leuvense Universiteit ? Kardinaal Silva Henriquez verlangde een stuk dat meer pastoraal zou zijn. Daarom stelde hij voor dat het ontwerp zou worden herschreven en dat men zuiver exegetische kwesties eruit zou laten. Kardinaal Silva Henriquez zou in de loop van het concilie nog dikwijls optreden. 
 
In dezelfde zin sprak de Indiase kardinaal Gracias, die speciaal uit Indië was teruggekeerd (waarheen hij was gegaan toen zijn land in oorlog was geraakt met China) om aan dit belangrijke debat deel te nemen. 
 
Een grote aanwinst voor de progressieve strekking was de tussen(pag 218)komst van Mgr. Johannes Zoa, aartsbisschop van Yaoundé (Kameroen) en voorzitter van het secretariaat van het Afrikaanse episcopaat dat bij het begin van het concilie was opgericht. De Afrikaanse bisschoppen waren afzonderlijk samengekomen om hun houding tegenover het schema te bepalen. Zij waren verdeeld in een Franssprekende en Engels sprekende groep, waarvan de Frans sprekenden het hoge woord voerden en de vergadering beheersten. Hoewel zij in het begin enige afstand hadden genomen van de bisschoppen van het land dat ze gekoloniseerd had, bleken dan de culturele banden met Frankrijk toch sterk te zijn. 
 
Hoewel nog veel mannen van gezag die later in de loop van het concilie zich nog dikwijls zullen laten horen, zoals kardinaal Santos van Manilla (Filippijnen) en de Spaanse generaal van de dominicanen pater Fernandez, het werkstuk verdedigden, werd het duidelijk dat een machtige stroming er tegen was. De Italiaanse bisschop Battaglia die de argumenten tegen de twee bronnenleer drogredenen en waandenkbeelden noemde, erkende dat het schema toch verworpen zou worden, en stelde zich voor als een nieuwe Daniël in de leeuwenkuil. 
 
Een ophefmakende rede was die van de dynamische en jong uitziende kardinaal Döpfner uit München. 
Op 35 jarige leeftijd was hij al bisschop benoemd van Würzburg, na enkele jaren tot aartsbisschop van Berlijn, om tenslotte als kardinaal in München te belanden. Hij zou ook één van de regelmatig terugkerende sprekers worden op het concilie. Nu was hij klaarblijkelijk vast besloten de zaak in een beslissend stadium te brengen. Hij onthulde dat een voorstel van het secretariaat voor de hereniging om met de theologische commissie tot samenwerking te komen, was afgewezen. Hij verdedigde het tegenschema dat, naar zijn zeggen, door theologen van verschillende richtingen was opgesteld. 
 
De redevoering die echter alles ging overstemmen was die van Mgr. E. De Smedt van Brugge. Een paar dagen na zijn landgenoot L. Suenens optredend, scheen hij voor deze niet te willen onderdoen. Hij sprak in naam van het secretariaat van de eenheid waarvan hij lid was. Hoe hij daar is ingekomen weet men niet goed, want hij bestuurt een homogeen katholiek bisdom en had zich tot hiertoe nooit met oecumenische vraagstukken beziggehouden. Doch hij behoorde tot dat soort persoonlijkheden die in gelijk welke groep als het ware vanzelf naar voren treden. Hij stak af bij de andere bisschoppen door zijn vloeiend Latijn en zijn welsprekendheid die zijn toehoorders ertoe dwong naar hem te luisteren. 
 
Volgens de bisschop van Brugge vertoonde het schema ernstige fouten (pag219)vanuit oecumenisch standpunt en voldeed het niet aan de verwachting van Johannes XXIII om eindelijk een belangrijke en betekenisvolle stap te zetten in de richting van de broederlijke eenheid. 
 
Hoewel het door het reglement verboden was te applaudisseren, werd er luid en langdurig in de handen geklapt toen de bisschop was uitgesproken. De gekende journalist Henri Fesquet schreef in Le Monde van 21 november 1962: «Dit was één van de grote momenten van het concllie ». 
 
Tussenkomst van de Paus. 
 
Al met al bleef men maar dezelfde argumenten herhalen aan de twee kanten en geraakte men niet vooruit. Eigenlijk scheen het concilie toch niet zo goed voorbereid te zijn geweest of was het te vroeg getart. Er werd wel eens verteld dat Johannes XXIII de aanvang van het concilie heeft verhaast omdat hij zich voelde verzwakken en vreesde dat hij zelf het begin van zijn levenswerk niet meer zou meemaken. 
 
Het praesidium nam toen zijn toevlucht tot een methode die wel meer gebruikt wordt in de parlementen van de democratische landen: stemmen over het al dan niet voortzetten van het debat. Degenen die voor het beëindigen van het debat waren, moesten placet [ja) stemmen. Zij die een voortzetting van de discussie voorstonden non placet (neen). Dat gaf 1368 «placet», 822 «non placet" en 19 ongeldige stemmen. Een goed afgetekende meerderheid dus om met het ontwerp niet verder te werken, maar niet een 2/3 meerderheid die daarvoor vereist is. Indien men de vraag anders had gesteld, was een 2/13 meerderheid nodig geweest om de bespreking over het schema voort te zetten. Sommigen hebben hier een juridische kunstgreep in gezien van de minderheid (de voorstanders van het schema) die veel hefbomen in handen had. Kardinaal Ruffini heeft deze handelswijze gerechtvaardigd met te stellen dat de voorstanders van het schema in het vreedzaam bezit waren van een bepaald recht omdat zij een bestaande tekst verdedigden en dat zij daarom moesten begunstigd worden. 
 
Dat was een overwinning voor de «conservatieven». Zij duurde echter niet lang. De volgende dag werd er een speciale mededeling gedaan vanwege de paus, die niet bij de vergaderingen aanwezig was maar heel het gebeuren volgde op een televisiescherm: het schema wordt ingetrokken en moet herzien worden door een speciale commissie, waarin de kardinalen Ottaviani en Bea beiden voorzitter zullen zijn, met de kardinalen Frings, Liénart, Meyer (uit de U.S.A.), Browne, Ruffini en Lefèbvre van Bourges (niet verwarren met Mgr. M. Lefèbvre. (pag220)generaal-overste van de spiritijnen) als leden. Zij worden bijgestaan door de bisschoppen van de theologische commissie en die van het secretariaat voor de christelijke eenheid, alsmede door een aantal «periti», deskundigen. 
 
Het nieuwe decreet dat opgesteld zou worden overeenkomstig de doelstellingen van het concilie, moest kort, irenisch van toon en pastoraal zijn. 
 
Dit bericht werd aangehoord in een ingetogen stilte. De protestantse waarnemer R. Schutz van Taizé verklaarde dat men het pneumatisch karakter van het concilie ervaarde, met andere woorden, de werking van de H. Geest. 
 
B. Boeyckens S.J. 
Pag  221 –
 
(1) -Contineri in libris scriptis et sine scripto traditionibus, quae ab ipsius Christi ore ab apostolis acceptae, aut ab ipsis Apostolis Spiritu Sancto dictante quasi per manus traditae ad nos usque pervenerunt- (Denz., 783). 
 
(2) In het Latijn : «partim ... partirn» 
 
(3) J.R. Geiselmann : «Das Konzil von Trient über das Verhältnis der H. Schrift und der nicht geschriebenen Traditionen» in M. Schmaus «Die mundliche Uberlteferinq», 1957. 
 
(4) H. Lennerz, «Scriptura sola ?» in Gregorianum, 40, 1959, p. 38-53. (2) K. Rahner, «Schrift und Tradition», in Das Vatik. Konzll», 1963 p. 287.
 
(5) Wij verwijzen hier naar ons artikel : «Wat is nieuwe theologie?" in Positief, nr. 29. februari 1973, p. 5-12. 

Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht