• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Het Schema over het Oecumenisme

3/5/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 86 – NOVEMBER 1978 

Na de gespannen debatten over de curie en de bisschoppen werd het rustiger wanneer de concilievaders op de 8ste november het schema aanvatten over het oecumenisme. Het was nochtans een belangrijk schema. Het eerste opzet immers van het concilie was de hereniging onder de christenen. Door een uiterst voorzichtige en fijngevoelige diplomatie was men er in geslaagd observators van niet-katholieke christenen naar Rome te krijgen. Zij zouden natuurlijk hun oren spitsen om te vernemen wat katholieke bisschoppen over cecumenisme te vertellen hadden. 
 
Gedurende de eerste sessie werd reeds een schema over de eenheid met de orthodoxen besproken (1). Op voorstel van kardinaal Bea hadden de vaders besloten de eenheid met de orthodoxen te behandelen in een stuk over het oecumenisme. 
 
Het secretariaat voor de eenheid had hieraan gewerkt en bood nu een schema aan met 5 kapittels: 
 
1. de principes van het katholiek oecumenisme 
 
2. de praktijk van het oecumenisme 
 
3. de van de katholieke Kerk afgescheiden christenen: de Oosterse kerk, de in de 16de eeuw ontstane gemeenschappen 
 
4. de verhouding van de katholieken tot de niet-christenen, in 't bijzonder tot de Joden 
 
5. de vrijheid van godsdienst. 
 
DE EENHEID ONDER DE CHRISTENEN. 
 
Zoals altijd werd eerst de vraag besproken of men de tekst als geheel als basis voor discussie zou aanvaarden om daarna ieder hoofdstuk afzonderlijk te behandelen. Wij zullen het eerst hebben over wat gezegd werd over het oecumenisme met de andere chris-(pag 267)tenen, zowel in de discussie over het schema in 't algemeen als in de bespreking van ieder hoofdstuk in 't bijzonder ; daarna over wat er naar voren werd gebracht in de algemene bespreking over de Joden en over de vrijheid van godsdienst ; want deze kwesties zijn niet meer afzonderlijk aan bod gekomen tijdens de tweede zittijd. 
 
Het schema over het oecumenisme richtte zich zoals trouwens alle schema's van het concilie tot de katholieken en sprak over een binnenkerkelijke hervorming en een bekering van het hart. De meeste vaders sloten zich bij deze grondhouding aan en drukten het verlangen uit dat er in de kerk zelf en niet alleen bij de gelovigen afzonderlijk, een geest van boetvaardigheid zou ontstaan. In dit verband werd dikwijls verwezen naar de schuldbekentenis die de paus bij de opening van de tweede sessie had uitgesproken (2) en die hij herhaald had in een toespraak tot de niet-katholieke waarnemers. Zo sprak kardinaal Quintero van Caracas (Venezuela) over de fouten van de katholieken met betrekking tot de verdeeldheid. De glans van de kerk, zo argumenteerde hij, is het bezit van de waarheid, niet alleen van de geopenbaarde waarheden maar ook van de historische waarheid. Welnu de historische waarheid dwingt ons tot bekentenissen van eigen fouten. Wij moeten maar denken aan het ergerlijke leven van zekere prelaten tijdens de Hervorming of over methodes tegenover de protestanten gebruikt na de scheiding. Laten wij ons dus niet gedragen als farizeeërs en vergiffenis vragen aan de afgescheiden broeders. 
 
Toch waren niet alle bisschoppen het daarmee eens. Met Angelsaksische nuchterheid maakte de hulpbisschop van Sydney, Mgr. Muldoon, de opmerking dat degenen die in gebreke zijn gebleven maar een goede biechtvader moeten zoeken en er niet voortdurend in 't publiek over praten. Waarop dan weer de Engelse Benedictijner abt Butler met Engelse humor wedervoer: Ik weet niet of het lawaai van de historische feiten van de Hervorming is doorgedrongen tot Australië, maar hier zijn de respectievelijke fouten door de historici toegegeven. 
 
De Italiaanse aartsbisschop van Gorizia, Mgr. A. Pangrazio, bracht een theologische verdieping in het debat. Hij stipte aan dat in het schema de elementen die de gescheiden christenen samenbrengen, wel worden aangegeven, maar niet synthetisch vanuit een middelpunt werden behandeld. Dat middelpunt is Christus. Van hieruit (pag 268) moet een hiërarchie van de geloofswaarheden worden opgebouwd. Want hoewel het waarheidsgehalte van alle dogma's even groot is, bestaat er toch een rangorde in hun waarde. Er zijn waarheden die tot de orde van de doeleinden behoren, zoals de kennis van de Drie-eenheid, en andere tot de orde van de middelen, zoals de hiërarchische structuur van de Kerk. Het is troostend te weten, dat de verdeeldheid onder de christenen meestal betrekking heeft op waarheden van de orde van de middelen. 
 
De uiteenzetting van bisschop Volk van Mainz stond eveneens op hoog theologisch niveau. Alleen de katholieke Kerk, zo betoogde hij, bezit de karakteristieke eigenschappen van de ware door Christus gestichte Kerk. Aan haar zijn de beloften van Christus geschonken. Dit is voor haar een waarborg, maar tevens een verantwoordelijkheid. De Kerk moet voortdurend haar katholiciteit actualiseren. En hier raakte bisschop Volk zekere problemen aan uit de geschiedenis van de dogma's. Door haar afweer tegen de gescheiden christenen werden door de Kerk in de loop der tijden niet altijd sommige reële componenten van het geheel van de christelijke waarheid in het licht gesteld, omdat zij door de protestanten op de spits werden gedreven en als het ware uit het geheel gelicht. Sommigen willen niet katholiek worden, omdat zij bang zijn hun eigen en authentieke rijkdommen in de katholieke Kerk te verliezen. De Kerk moet tonen dat dit niet waar is en daarom in het raam van de noodzakelijke eenheid ruimte laten voor eigen tradities op kerkrechtelijk, liturgisch en in zekere mate ook op dogmatisch gebied. 
 
Vele vaders vroegen met aandrang dat de Kerk in dialoog zou treden met de niet-katholieke christenen. Aartsbisschop Jaeger van Paderborn, al langer een specialist van het oecumenisme, waarschuwde ervoor dat het gesprek met afgescheiden christenen alleen maar onder bevoegden mag plaats hebben. 
 
Anderzijds had kardinaal Bea die het schema over het oecumenisme had ingeleid, er de nadruk op gelegd dat aan alle gelovigen een oecumenische geest moet worden bijgebracht en de wens uitgedrukt om overal nationale en regionale secretariaten voor de eenheid op te richten. Het Romeins secretariaat voor de eenheid zou een directorium voor oecumenisme uitgeven. 
 
Ook enkele bisschoppen uit de missielanden hielden merkwaardige tussenkomsten waarin zij de ergernis van de christelijke onenigheid in het licht stelden. (Pag 269)
In naam van het Japans episcopaat vroeg kardinaal Tatsuo Doi, aartsbisschop van Tokio, dat in de missielanden de christenen zouden samenwerken op sociaal en cultureel gebied. Hij wenste ook een uitbreiding van het oecumenisme naar de niet-christenen toe en dat het schema met achting zou spreken over de grote godsdiensten, zoals het boeddhisme en het confucianisme, die kiemen van waarheid in hun leer bevatten en daarom beschouwd kunnen worden als een voorbereiding op de waarheid van het Evangelie. 
 
Aartsbisschop Zoa van Yaoundé (Kameroen) verlangde dat de christenen zich gemeenschappelijk aan een studie zetten van de niet-christelijke godsdiensten en op strikt religieus gebied zowel een gevaarlijk syncretisme (3) als een weinig broederlijke concurrentie zouden vermijden. 
 
Volgens kardinaal Rugambwa van Tanzanië mag in de missielanden de samenwerking tussen de christenen zich niet beperken tot het sociale en culturele, maar moet die samenwerking ook plaats vinden op het gebied van het geloof, in die zin dat de christenen de waarheden die gemeenschappelijk zijn, gezamenlijk belijden. En waarom zouden wij niet samenwerken aan een oecumenische vertaling van de H. Schrift? 
 
Als verbetering voor het schema werd door de Franse bisschop van Digne, Mgr. Collin, voorgesteld de Anglicanen onder een afzonderlijk hoofdstuk te behandelen, omdat zij eigenlijk geen Protestanten zijn. Mgr. Collin werd bijgevallen door Mgr. Gouyon van Rennes en Mgr. Green van Port-Elisabeth (Z.-Afrika). Deze laatste pleitte voor een herziening van de kwestie van de Anglicaanse wijdingen waarover Leo XIII had verklaard dat ze «prorsus nullae» zijn (helemaal niet bestaande). 
 
Grote indruk maakte de Tsjechische bisschop Tomasék die een eenheidsconcilie voorstelde met de orthodoxen en daarom voorbereidingsvergaderingen te houden als een ronde-tafelconferentie te Rome, Constantinopel, Alexandrië en Moskou. 
 
Alles samen betekende de bespreking van het thema over het oecumenisme een mijlpaal in de geschiedenis van de Kerk voor haar zelfverstaan en haar verhouding tot de andere christelijke gemeenschappen. Voortaan zal men de traditie van het Oosten alsook de theologie en het geloofsbewustzijn van de Protestanten (pag 270) bevragen om beter de rijkdom van de katholieke Kerk te leren kennen. En in de houding tegenover de andere christenen werd niet alleen de klassieke waarheid voorgehouden dat op individuele niet-katholieke christenen Gods genade kan rusten, maar ook dat hun kerkgemeenschappen een ecclesiale dimensie hebben en heilsbetekenis bezitten. 
 
Op dit gebied wilde de Indonesische bisschop van Endeh, Mgr. Maneh, in naam van nog 29 andere Indonesische bisschoppen de naam «Kerk" zonder meer toekennen aan de Protestantse genootschappen. Het gesprek moet volgens Mgr. Maneh niet alleen tussen individuen gevoerd worden, maar tussen Kerken. 
 
Door heel dit debat sprak een geest van een grote oecumenische openheid. Voor de niet-christelijke waarnemers was het een revelatie. 
 
En toch was dit alles voor veel bisschoppen zeer nieuw, bijna vreemd; een aantal van hen had nog nooit met een protestant gesproken. Volgens kardinaal Ruffini van Palermo was dit schema eigenlijk niet nodig, want de Kerk heeft altijd de afgescheiden christenen uitgenodigd zich met de Kerk te verzoenen en de paus als de plaatsvervanger van Christus te erkennen. 
 
De Spaanse kardinaal Ariba y Castro van Aragona was tegen het schema. Christus heeft alleen aan de katholieke Kerk het onfeilbare leerambt toevertrouwd en derhalve hebben wij van de protestanten niets te leren. Bidden met de protestanten heeft geen zin omdat men niet voor hetzelfde bidt. 
 
Kardinaal Baeno y Monreal van Sevilla drukte zijn vrees uit voor indifferentisme in de oecumenische beweging, vooral dan waar het schema vooropstelt dat de genade van de H. Geest ook buiten de katholieke Kerk werkt. Indien dat waar is, dan is het toch maar «de facto» en niet «per se». 
 
In een opgemerkte tussenkomst antwoordde kardinaal Bea op deze opwerpingen. Het gevaar voor indifferentisme voor de katholieken die met oecumenisme bezig zijn, dient volgens hem ernstig te worden opgenomen. Doch dat gevaar moet men niet tegengaan door niet bekommerd te zijn om de eenheid, doch door een goede leiding en door eventueel correcties aan te brengen bij oecumenische activiteiten. Op de bedenking van kardinaal Ariba y Castro antwoordde hij dat wanneer Katholieken en Protestanten samen bidden voor de eenheid, men het maar aan God moet overlaten op welke wijze die eenheid zal bereikt worden. (Pag 271)
 
Al deze tussenkomsten toonden aan dat het oecumenisme verschillende facetten heeft. Het zou nog niet zo gemakkelijk zijn voor het secretariaat voor de eenheid om ze allemaal in een organische eenheid onder te brengen. De referaten over de eenheid onder de christenen waren zonder al te veel strubbelingen verlopen. De twee laatste hoofdstukken echter over de Joden en over de vrijheid van godsdienst bleken hete hangijzers. 
 
DE JODEN. 
 
Het vierde hoofdstuk van het decreet over het oecumenisme was door kardinaal Bea zelf geschreven op aanvraag van Johannes XXIII. 
 
Kardinaal Bea was wel goed geplaatst om het Jodenprobleem te behandelen. Als Duitser was hij in staat het leed uit te meten door het anti-semitisme aan de Joden aangedaan. En als exegeet kon hij over de schuldvraag van het Joodse volk aan de dood van Christus met gezag spreken. 
 
Het schema was brandvrij ten opzichte van iedere politieke aanvechting en stelde zich uitsluitend op religieus niveau. De onwaarheid van de stelling dat het Joodse volk vervloekt zou zijn omwille van een Godsmoord, werd aangetoond. Niet alle Joden immers wilden Christus ter dood brengen. «Niet op het feest, er mocht eens oproer komen onder het volk. » (Mat. 26, 6). Het Evangelie vermeldt zelfs dat tussen de leiders van het volk, minstens één, Jozef van Arimathea «Aan hun plannen en drijven geen deel had genomen» (Lc. 23, 51). Het schema wilde ook al het voortreffelijke van de Romeinerbrief over het uitverkoren volk honoreren. Hierop steunend sprak het een duidelijke en uitdrukkelijke veroordeling uit over iedere vorm van antisemitisme.
 
Dit schema beantwoordde aan een universeel gevoelen van sympathie voor de Joden die zoveel te verduren hadden onder het naziregime. Velen dachten dan ook dat het er zonder moeite door zou geraken. 
 
Maar dan had men niet gerekend met de bisschoppen van Oosterse ritus die, hoewel zij in het geheel van de universele kerk niet talrijk zijn, toch krachtig hun stem lieten horen op het concilie. Volgens hen zou het schema noodzakelijkerwijze politieke implicaties krijgen en zij smeekten de vaders erom rekening te houden met hun situatie van minderheid tussen de Mohammedanen. 
 
Volgens kardinaal Tappouni van Antiochië zal in sommige de Joden vijandige landen het vierde hoofdstuk een oorzaak worden van (pag 272) vooroordelen tegen de christelijke kerken. Hoewel de beginselen van dit hoofdstuk bovennatuurlijk zijn, wordt alles vertroebeld door de tegenwoordige politieke toestand. Zij die het geloof niet bezitten, kunnen de bedoelingen van het concilie niet begrijpen en zullen deze misvormen. 
 
Op dezelfde wijze sprak de koptische patriarch van Alexandrië Sidarous. Dit hoofdstuk, zo verklaarde hij, zal in verschillende landen oorzaak worden van grote moeilijkheden. Voor moeilijkheden zijn wij niet bang, zo vervolgde hij, maar men moet ze niet uitlokken. 
 
Volgens patriarch Maximos Saigh heeft de Joodse kwestie niets te maken met het christelijk oecumenisme en heeft het geen nut onrust te stichten in de wereld. Wil men over de Joden spreken, dan kan men dat doen in het schema over de Kerk in verband met de heilsgeschiedenis, of in het schema over de Kerk in de wereld, om daar het antisemitisme en de rassendiscriminatie te veroordelen. 
 
Dat dit schema niet zonder gevolgen zou zijn op politiek gebied kon men al merken tijdens de bespreking. De pers had er meer belangstelling voor dan voor zuiver theologische onderwerpen, machtige internationale Joodse verenigingen toonden hun sympathie voor de katholieke Kerk die eindelijk eens iets goeds ging zeggen over de Joden. Daarop gingen de Arabieren in de aanval onder leiding van de Egyptische president Nasser, die langs zijn radiostation te Kaïro, bedreigingen uitte tegen de Oosterse prelaten indien het concilie iets gunstig zou uitbrengen over de Joden. 
 
Paus Paulus en kardinaal Bea waren op de hoogte. De paus ontving de internuntius van Egypte om inlichtingen te vernemen over de gemoedstoestand bij de Arabieren. De moderatoren werden benaderd. Het debat over de drie eerste hoofdstukken van het schema over het oecumenisme werd gerokken. De bespreking over het hoofdstuk over de Joden werd verlegd naar de volgende sessie. De Joden gaven duidelijk blijk van hun ontgoocheling. 
 
VRIJHEID VAN GODSDIENST. 
 
Toen Johannes XXIII in januari 1959 een concilie had aangekondigd en vooral het oecumenisch aspect ervan centraal had gesteld was er onder de protestanten grote belangstelling ontstaan voor de komende kerkvergadering en hadden zij meermalen de wens geuit dat het concilie een plechtige en principiële verklaring zou afleggen (pag 273) over de vrijheid van godsdienst. Verantwoordelijken voor de oecumenische raad der kerken hebben dikwijls herhaald dat dit de toetssteen zou worden voor de oprechtheid van de katholieke kerk om met anderen te dialogeren. De katholieken werd wel eens aangewreven dat zij voor vrijheid van godsdienst zijn in landen waar zij een minderheid vormen, maar er tegen daar waar zij over de meerderheid beschikken. En dan werd er gedacht aan landen als Spanje en Columbia. Vooral Amerikaanse bisschoppen waren gevoelig aan dit verwijt en hechtten er veel belang aan dat het concilie zulk een verklaring de wereld zou inzenden. Zij verlangden dat er reeds tijdens de tweede sessie iets uit de bus zou komen (4). 
 
De kwestie was ook actueel in die zin dat men in de UNO naar een diepere ethische en zelfs religieuze fundering zocht voor het 18de artikel van de universele Verklaring van de Rechten van de Mens: «Iedereen heeft het recht op vrijheid van denken, van geweten of van godsdienst. Dit recht behelst de vrijheid van godsdienst of van overtuiging te veranderen alsook de vrijheid om zijn godsdienst of overtuiging te manifesteren, zowel in het openbaar als in het privaat, in het onderwijs, in praktijken, in de eredienst en in het voltrekken van riten. » Men wilde aan deze vrijblijvende, louter juridische formulering een wijsgerige grondslag geven. 
 
Het zou nu wel betekenisvol zijn indien de katholieke Kerk, volgens velen, ook niet-katholieken, de grootste morele macht op deze aarde, en die zich steeds als de behoedster van de natuurwet had voorgedaan, bij middel van het concilie een echte natuurrechtelijke motivering van dit artikel aantoonde. 
 
Op het eerste zicht scheen dat niet zo moeilijk. Men kon daarvoor rijkelijk putten uit de documenten van het leerambt van de laatste pausen. Zo had Pius IX in zijn encycliek «Non abbiamo bisogno» (5), die tot doel had de katholieke actie in Italië te verdedigen tegen de gewelddadige maatregelen van het fascisme, geschreven dat niemand door een uiterlijk machtsmiddel gedwongen mag worden te leven volgens een andere levenshouding dan die welke de geest innerlijk voor waar houdt. 
 
En in zijn kersttoespraak van 1944 had Pius XII minstens feitelijk het beginsel van de burgerlijke tolerantie aanvaard toen hij de democratische bestuursvorm goedkeurde en verklaarde dat in een (pag 274) volk dat de naam democratie verdient, de burger in zich het bewustzijn draagt van zijn persoonlijkheid, van zijn plichten en rechten, van zijn eigen vrijheid en van de waardigheid van anderen. Tenslotte is Johannes XXIII in Pacem in Terris resoluut, duidelijk en principieel opgekomen voor de vrijheid van godsdienst. In deze encycliek had de paus trouwens lovende woorden over de Verklaring van de Rechten van de Mens. 
 
Maar zo eenvoudig was het ook weer niet, want het leerambt had gedurende de 19de eeuw een andere taal gesproken. Aldus Pius IX in zijn encycliek Quanta Cura (1864), waar hij de mening dat vrijheid van geweten en vrijheid van godsdienst een recht is, onjuist noemt en zelfs waanzinnig. Heel wat «hermeneutisch» (6) werk zou moeten verricht worden om deze teksten in overeenstemming te brengen met een modern decreet over de vrijheid van godsdienst. 
 
Het hoofdstuk over de vrijheid van godsdienst werd ingeleid door Mgr. De Smedt van Brugge met de hem eigen schitterende welsprekendheid waaraan het concilie al gewoon was. Toen de inleider zijn referaat beëindigd had, wilde hij zekere opwerpingen voorkomen en vroeg aan de bisschoppen tegen zijn rapport geen pauselijke uitspraken te stellen, die uit hun historisch en leerstellig verband werden genomen. 
 
Het stuk vond vurige verdedigers bij de Amerikaanse bisschoppen. Kardinaal Ritter van St. Louis argumenteerde dat men niet voor de vrijheid van godsdienst moest zijn om opportuniteitsredenen maar om zuiver theologische motieven. De vrijheid van godsdienst moet afgeleid worden uit de absolute vrijheid van de geloofsdaad, die niets anders is dan een vrij antwoord op het aanbod van de genade vanwege God. In zijn verhouding tot God kan tegenover de mens niemand dwang uitoefenen. Daaruit volgt dat de staat geen enkel recht heeft zich in godsdienstige zaken te mengen door een bepaalde religie voor te schrijven. 
 
Het voorstel kende toch ook tegenstanders. Volgens aartsbisschop (275) Florit van Florence heeft een valse godsdienst geen enkel recht, alleen de waarheid heeft rechten. En volgens kardinaal Buono y Monreal mag alleen het ware, dit is het katholieke, Evangelie verkondigd worden. 
 
De moderatoren hadden dus de discussie over de drie eerste hoofdstukken van het decreet over het oecumenisme zo lang mogelijk laten duren om niet het chapiter over de Joden te moeten aansnijden, omdat men politieke deiningen vreesde. Maar ook omtrent het decreet over de vrijheid van godsdienst was de atmosfeer niet rimpelloos. Machtige kardinalen vonden dat een verklaring zoals de inleider ze had voorgesteld, niet overeen te brengen was met de traditionele leer van de Kerk. Anderzijds moet ook gezegd zijn dat hier en daar bij de verdedigers van de vrijheid van godsdienst een anti-Spaanse, of liever een anti-Franco affect meespeelde. Wellicht zou de tijd raad en bezinning brengen. Uitgesteld is niet afgesteld. Voor de Amerikaanse bisschoppen werd het toch een teleurstelling. In persconferenties hebben zij daar openlijk lucht aan gegeven. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
 
(1) cf. Positief, nr. 75, oktober 1977, p. 233. 
(2) cf. Positief, nr. 81, april 1978, p. 114. 
(3) Syncretisme = versmelting van verschillende godsdiensten. 
(4) cf. J.C. Murray S.J. «On religious liberty» in America, 30 november 1963. 
(5) «Wij hebben geen behoefte aan». 
(6) Hermeneutiek in zijn eerste betekenis is een hulpwetenschap van de geschiedenis die de beginselen en de hulpmiddelen aanwijst om een bron te interpreteren. De laatste jaren is men het woord beginnen te gebruiken om een soort hulpwetenschap van de theologie aan te wijzen die de dogmatische formuleringen wil interpreteren


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht