• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Naar de tweede sessie

3/5/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 80 – MAART 1978 

​Fulda. 
 
Paus Paulus zou dus het concilie van Johannes voortzetten. De tweede sessie zou aanvangen op de door Johannes vastgestelde datum : 20 september 1963 (1). Wij vermeldden reeds dat de Duitse en Oostenrijkse bisschoppen eind-augustus te Fulda waren samengekomen om te beraadslagen over de schema's die de conciliaire commissies hadden bewerkt. (2)
 
In een persconferentie verklaarde kardinaal Frings van Keulen dat de bisschoppen slechts twee schema's hadden doorgenomen, dat over de Kerk en over de Openbaring en dat de beoordeling over 't algemeen positief was uitgevallen. Achteraf werd er vernomen dat de waardering dan toch niet zo onverdeeld was geweest. 
 
Het Romeinse blad Il Tempo, hierin gevolgd door andere Italiaanse dagbladen, heeft deze bijeenkomst als een samenzwering voorgesteld. Kardinaal Frings noemde in zijn persconferentie deze commentaren onjuist en onzinnig. Het ging hier om een gewone bijeenkomst zoals er tijdens de eerste conciliezitting regelmatig te Rome werden ge• houden. 
 
Kardinaal Doepfner van München die naar Rome moest om aan de zit· ting van de coördinatiecommissie deel te nemen, is bij deze gelegenheid persoonlijk verslag gaan uitbrengen bij de H. Vader over besprekingen in Fulda. Dat was 2 september 1963. 's Anderendaags gaf het persbureau van het concilie een verklaring uit waarin het zich keert tegen de beweringen van de ltallaansa pers. De conferentie van Fulda was niets anders, aldus dit perscommuniqué, dan een gevolg geven aan de aanwijzingen van paus Johannes XXIII die gevraagd had dat de bisschoppen de schemata zouden bestuderen. De studie en de gedachtenwisseling van genoemde schemata gebeurde trouwens in een atmosfeer van diepe ernst en in een echt broederlijke en vriendschappelijke geest. 
 
Bij deze gelegenheid schreef het Nederlandse kerkelijk informatieblad Katholiek Archief, tot dan toe een zakelijke en onpartijdige berichtendienst, een sterk gevoelsgeladen commentaar. Er wordt onderstreept dat de verklaring van het concilie- persbureau «slechts» op de tweede bladzijde van de Osservatore Romano wordt gepubliceerd. «Het is opvallend, zo gaat het dan verder, dat deze krant bijna nooit reageert op de felle en gemene artikelen, welke regelmatig in neo-fascistische en uiterst rechtse bladen van de ltalliaanse pers verschijnen tegen paus Johannes XXIII, tegen Paulus VI en tegen het concilie. Ofschoon genoemd blad allerijverigst is in het leggen van zout op ieder roodslakje. Opmerkelijk is dat deze neofascistische pers, vooral de Romeinse Il Tempo, over informaties beschikt, welke afkomstig moeten zijn van goed ingelichte reactionaire prelaten. Het ware te wensen, dat deze troebele informatiebron ontmaskerd werd.» ( 3) 
 
Dit proza toont de menselijke kant van het concilie. De Heilige Geest werkt in de Kerk als de ziel van een lichaam dat samengesteld is uit zondaars die verweven zitten in een net van menselijke tekorten die machtiger zijn dan zijzelf. Vandaar dat het niet altijd gemakkelijk is om klaar te zien, dat conflicten ontstaan die soms in pijnlijke incidenten uitbreken. 
 
De informaties die ons bereikten na de eerste sessie stelden een soort tegenpartij voor die haar zwaartepunt vond in Romeinse prelaten van de Curie. Die waren zeer sluw en trachtten door allerhande juridische knepen en door maneuvers die men nog nauwelijks eerlijk kan noemen, de gang van het concilie tegen te houden. Dat zal wel waar geweest zijn, maar het werd niet altijd in het juiste daglicht gesteld en soms fel overdreven. Men deed geen pogingen om die bisschoppen te begrijpen die de ingeslagen concilierichting als een gevaarlijk waagstuk beschouwden. 
 
Om terug te komen op de vergadering van Fulda. Zij was ongetwijfeld geen samenzwering en lag in de lijn van wat Johannes XXIII na de eerste sessie aan alle bisschoppen had gevraagd. Maar terecht wijst Witger erop, dat indien de andere bisschoppenconferenties in de tussen tijd tussen de eerste en de tweede sessie even hard hadden gewerkt als de Duitse, het concilie een minder eenzijdige richting zou hebben ingeslagen. 
 
Anderzijds indien de "Euro-bisschoppen" zich niet bezondigd hebben aan de intriges van sommige Romeinse prelaten, hebben ze onder het kerkvolk een bepaalde geest laten ontstaan en een mentaliteit laten groeien die het begin zou worden van vele miseries. 
 
Zo waren er in Duitsland bij het Christophorus Verlag in Freiburg langspeelplaten uitgebracht over het concilie. Op zichzelf een origineel en prijzenswaardig initiatief om het werkvolk bij het conciliegebeuren te betrekken. Een eerste plaat, die voornamelijk oecumenisch georiënteerd was, had een goed succes gekend. Deze doening was echter niet zonder gevaar. Want wanneer men sommige ingewikkelde kerkelijke problemen onder het grote publiek brengt, worden zij allicht buiten hun ware proporties gehaald, overdreven en verkeerd begrepen. De tweede langspeelplaat die door het Christophorus Verlag op de markt werd gebracht werd door de publiciteit voorgesteld als staande in het teken van de pastoraal en de kerkelijke aanpassing. 
 
Het waren gesproken bijdragen van Kardinaal Döpfner, aartsbisschop van München. en van de concilietheologen J. Hirschmann S.J., J. Ratzinger en B. Haering CssR. 
 
Kardinaal Döpfner sneed de hervorming van de curie aan. «Het ligt in de aard van elk ambt, zo verklaarde hij, dat de uitoefening ervan doel op zich kan worden en dat het dus al te zeer gezien wordt vanuit het gezichtspunt der ambtenaren. Elke bisschop kent dit uit de ervaringen met eigen secretariaten. Maar bestuursinstellingen zijn ook in de Kerk nu eenmaal noodzakelijk. En geen bisschop zal ontkennen, dat de Romeinse Curie met verhoudingsgewijs geringe kosten uitstekende arbeid verricht. 
 
Historisch gezien is de Curie het orgaan van de paus dat in de eerste plaats het pauselijk bestuur, het bestuur van de Wereldkerk, ten dienste staat. In zoverre is de Curie boven de bisschoppen gesteld. Maar wanneer thans op het concilie het college van bisschoppen in eenheid met de opvolger van Petrus het hoogste gezag in de Kerk belichaamt, dan is de Curie aan de bisschoppen als uitvoerend orgaan ondergeschikt. 
 
Het is thans echter te wensen - en het zal juist ook een vrucht van het tweede Vaticaans Concilie zijn - dat er instellingen in het leven worden geroepen, waarin de herderlijke zorg van het wereldeoiscopaat voor de wereldkerk bestendig doorwerkt. Voor zover het regionale gebieden betreft zullen de bisschoppenconferenties een groeiende betekenis hebben. Op wereldvlak zou men kunnen denken aan commissies van bisschoppen, die het wereidepiscopaat vertegenwoordigen en die de paus in de uitoefening van het opperste leer- en herdersambt bijstaan.» 
 
Een uitgebalanceerd en evenwichtig oordeel, waar men wel opwerpingen tegen kan naar voren brengen, maar dat men, wanneer men nadenkt over dit reële probleem, niet naast zich mag neerleggen. Doch was het opportuun dit onder het grote publiek te brengen? Staan wij hier niet aan het begin van een bepaalde kerkelijke politiek? Van drukkingen die met de Geest van het Evangelie niet overeen te brengen zijn en onrust en verwarring in de post conciliaire kerk zullen veroorzaken? 
 
DE HERVORMING VAN DE CURIE. 
 
Wij zagen dat het oorspronkelijk opzet van Johannes XXIII omtrent het concilie de hereniging was van alle christenen. Daarna is het een vernieuwingsconcilie geworden zonder precies te omschrijven waarin die vernieuwing zou bestaan. Van in het begin beschouwden de bisschoppen het concilie als hun zaak. Natuurlijk is ieder concilie uiteraard een aangelegenheid van bisschoppen. Maar deze kerkvergadering zou dan toch in het bijzonder over de bisschoppen handelen. Zij zou de voortzetting zijn van Vaticanum I dat wel nauwkeurig het wezen en de bevoegdheden van het Petrusambt had bepaald, doch wegens de Duits - Franse oorlog uiteen was moeten gaan zonder zich met het bisschopsambt te kunnen bezighouden. 
 
Het probleem van de bisschoppen is in wezen theologisch. Want wanneer wij de betekenis en de waarde van de pauselijke prerogatieven in het Nieuw Testament reeds vinden, dan gaat ook het gezag van de bisschoppen terug op dat van de apostelen. 
 
In die zin zeggen wij dat zowel de macht van de paus als de bevoegdheid van de bisschoppen van goddelijk recht zijn. De Curie daarentegen die een staffunctie vervult naast de paus, is van menselijk recht. 
 
Nu is het wel zo dat in alle grote administraties de staffuncties bijna vanzelf geneigd zijn zich te stellen in de plaats van degenen aan wie een eigenlijke gezag delegatie werd overgedragen. Bisschoppen hadden erover geklaagd dat de Curie zich weleens in de plaats stelde van de paus. Vanaf de eerste dag van dit concilie hadden zij dan getoond dat zij de meesters van de situatie zouden zijn en niet de curie. Vandaar dat een verborgen maar toch soms vinnige spanning was ontstaan tussen de Curie en het concilie. Sommige prelaten van de Curie hadden gemeend dat zij in geweten en binnen de grenzen van de hoffelijkheid, de eerbied en de gehoorzaamheid, zich moesten verzetten tegen de inzichten van Johannes XXIII. De bisschoppen waren in hun recht. Maar anderzijds kan men zich afvragen of de oeverloze discussies op het concilie niet vermeden waren geweest indien de curie, zoals op het eerste Vaticaans concilie, alles in handen had qehouden. Het aantreden van de bisschoppen zou geen keer kennen. De Curie moest hervormd worden. Dat lag in de lijn van het conciliegebeuren. 
 
Paulus VI die voor de moeilijke en ondankbare taak stond, datgene wat Joannes XXIII in gang had gezet tot een goed einde te brengen, nam deze taak loyaal ter hand. De 21ste september, vlak voor de opening van de tweede sessie, hield hij een toespraak tot de Romeinse Curie. 
 
Een doordringend intellect, gepaard aan een Italiaanse fijngevoeligheid gaf deze redevoering de juiste toon zodat niemand zich gekrenkt kon voelen. De paus had zelf gedurende lange jaren op de Curie gewerkt en haar verdiensten kunnen waarderen. Waarschijnlijk hebben bepaalde werkwijzen hem ook pijn gedaan toen hij in omstandigheden die nog altijd in het duister blijven de Curie moest verlaten. 
 
Met een sobere voornaamheid noemt de paus de kwaliteiten van de Curie waar mannen met een grote zelfverloochening zware en dikwijls ondankbare arbeid verrichten met alleen Gods meerdere eer voor ogen. Toch verwijst de paus ook discreet naar de kritiek op de curie vanwege de bisschoppen. De paus staat niet achter al die kritiek, want zij is dikwijls overdreven. Doch wij mogen dan toch niet vergeten dat zij wordt uitgebracht niet door utopisten of systematisch non-conformisten maar door eerbiedwaardige mannen die wegens hun bisschoppelijke functie voortdurend in betrekking staan met de centrale administratie van de Kerk. 
 
De paus vraagt dat de Curie zichzelf zou hervormen door te luisteren naar de kritiek die op haar is uitgebracht en die wel overdreven is maar toch sommige reële tekorten in het licht stelt. Hij vraagt dat de Curie geen verwaande apathische bureaucratie zou zijn maar een gemeenschap van geloof en liefde ten dienste van iedereen. Deze wens is ook uw wens, zegde de paus, en zowel bij ons als bij U moet hij uitgroeien tot een gebed. 
 
De paus vroeg in 't bijzonder dat de Curie, in gehoorzaamheid aan de Heilige Stoel en in eerbied voor hen die «de Heilige Geest ais bisschoppen geplaatst heeft om de Kerk te besturen» (Act. 20, 28) het concilie zou aanvaarden. Oorgetuigen hebben verklaard dat er een zekere emotie doorklonk in de stem van de paus toen Hij deze woorden uitsprak. 
 
In deze geest van gehoorzaamheid stelde Paulus VI een paar hervormingen voor die progressief zouden worden doorgevoerd: een internationalisatie, een decentralisatie naar de bisschoppen toe en eventueel het samenbrengen van een orgaan dat representatief zou zijn voor de bisschoppen en dat de paus zou helpen in het bestuur van de Kerk. 
 
Deze hoogstaande toespraak had nog eens bevestigd dat de nieuwe paus de lijn van Johannes XXIII voortzette. De «progressieve» bisschoppen zouden met een grotere zelfzekerheid de tweede sessie van het concilie ingaan. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
(1) Positief, nr 78, januari 1978, pag 21. 
 
(2) Positief, nr 77, december 1977, pag. 80. 
 
(3) Katholiek Archief, 4 oktober 1963, kolom 1010. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht