• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Tussen de eerste en de tweede sessie

3/5/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 77 – DECEMBER 1977 

​Het werk in de commissies 
 
In zijn slotrede op het einde van de eerste sessie van het concilie had Johannes XXIII tot de concilievaders gezegd dat het concilie voortging in de tussentijd tussen de eerste en de tweede sessie. Deze tweede sessie zou aanvangen de 28e september en de paus wenste dat in december heel het concilie een einde zou nemen. 
 
Dat betekent dat hij de commissies aan het werk zette en dat de pasbenoemde coördinatiecommissie de arbeid zou moeten bespoedigen Alles diende ingekort te worden en herwerkt volgens wat men de «geest van het concilie» was gaan noemen. 
 
De werking van deze commissies was geheim, Toch wist men langs een interview dat kardinaal Bea had toegestaan aan een Deense krant, dat de commissie die het schema over Schrift en Traditie moest herwerken (1) niet tot een akkoord was gekomen en dat de twee partijen op hun standpunt waren blijven staan. De enen houden voor dat sommige waarheden alleen in de traditie te vinden zijn, terwijl volgens anderen de hele openbaring, minstens impliciet, vervat ligt in de Schrift. Paus Johannes zou hierover gezegd hebben dat men al gedurende vier eeuwen over die kwestie discussieert en dat men dan gerust nog wel een eeuw kon wachten zonder de knoop door te hakken. 
 
Volgens Johannes XXIII moesten niet alleen de commissies werken voor het concilie, maar ook de bisschoppen. 6 Januari 1963 had hij een brief gericht naar alle bisschoppen om ze aan te zetten samen met hun theologen de conciliedocumenten te bestuderen en in verbinding te blijven met de conciliaire commissies. 
 
In verscheidene landen hadden dan wel studiebijeenkomsten plaats, maar meestal waren het vergaderingen waar men ter plaatse trappelde want de meeste bisschoppen vonden de tijd niet om de massa's papier die zij van de commissies ontvingen, door te werken, laat staan te verbeteren. De Franse bisschoppen deden bovendien hun beklag dat zij moesten werken op schema's die bestemd waren om grondig hervormd te worden. Zij vroegen met aandrang naar de nieuwe schema's die de commissies te Rome moesten voorbereiden, maar die bleven uit. 
 
Alleen de Duitse en Oostenrijkse bisschoppen zetten zich, zonder te klagen over praktische kwesties, onmiddellijk aan het werk. 
 
Zij kwamen samen te München de 5de en de 6de februari. Het waren de bisschoppen van Duitsland, Oostenrijk, Zwitserlland en de Skandinavische landen, met afgevaardigden uit Nederland, België en Frankrijk. In ruggespraak met kardinaal Suenens werd het schema over de kerk degelijk ter hand genomen en werd er een wisselschema opgesteld met als aanvangswoorden Lumen Gentium (Licht der volkeren) genomen uit een toespraak van Johannes XXIII op 11 september 1962. 
 
De Duitse bisschoppen vergaderden een tweede maal, deze keer te Fulda, einde augustus; ook deze keer waren er vertegenwoordigers uit Frankrijk, België en Nederland. Uit Nederland niemand minder dan kardinaal Alfrink. Men beraadslaagde over de schema's die door de conciliaire commissies herwerkt waren en die einde april de goedkeuring hadden gekregen van Johannes XXIII. 
 
Begin juli had kardinaal Doepfner een brief gezonden naar alle bisschoppen die zouden aanwezig zijn, met de namen van de Duitsprekende bisschoppen die lid waren van een commissie. Zij konden dan hun opmerkingen naar de bisschoppen zenden en te Fulda alles bespreken. «Daar de stellingen van het Duitse episcopaat, schrijft R.M. Witger in "The Rhine flows into the Tiber» regelmatig werden overgenomen door de Eurobisschoppen en de zienswijze van de Eurobisschoppen het telkens haalde op het concilie, volstond het dat één theoloog zijn visie kon doen aanvaarden door de Duitse bisschoppen om daardoor het standpunt van gans het concilie te bepalen. Welnu zo'n theoloog was er: Karel Rahner S.J.» (2) 
 
Daarom willen wij even kort en in grote lijnen het theologisch profiel weergeven van degene die zo'n grote invloed uitoefende op het concilie, 
 
Karel Rahner. 
 
«Qualis philosophus, talis theoloqus » luidt een oud scholastisch adagium, dat wij vrij vertalen : De geestelijke fysionomie van een theoloog wordt bepaald door zijn filosofie. 
 
Karel Rahner studeerde zoals alle Jezuïeten en alle priesters scholastische filosofie. Doorheen zijn persoonlijke stellingnamen zowel op filosofisch als op theologisch gebied, blijft hem dat tekenen. Hij hanteert de begrippen en de sententies van St.Thomas, maar brengt ze in een eigen diepte en breedte ter sprake. En dit onder invloed van moderne fillosofische inzichten. 
 
Naar eigen zeggen heeft Rahner zich de kritische kennisleer eigen gemaakt van zijn Belgische ordebroeder pater J. Maréchal, die de objectiviteit van onze concepten wil bewijzen door het kennisobject in te schakelen in een dynamisme van het verstand dat streeft naar het volle Zijn. Verder mogen wij ook Martin Heidegger niet onvermeld laten, bij wie Rahner colleges heeft gevolgd en die evenals hij uit het Zwarte woud afkomstig is. Heidegger heeft een doordringende fenomenologische beschrijving gegeven van het tijdelijk menselijke bestaan, maar de mogelijkheid van het bestaan van een eeuwige God opengelaten (2). 
 
Wij moeten daaraan denken wanneer wij de weg willen kennen die Rahner is gegaan en de plaats willen scherpstellen die hij in de theologie inneemt. 
 
De gaping van het eindige zijn naar het oneindige wordt door de theologie van Rahner gevuld. Voor hem is de mens een wezen dat zich richt naar de absolute transcendentie van God. Zo is zijn theologie antropocentrisch en theocentrisch tegelijkertijd. Deze grondgedachte wordt ontvouwd in de menigvuldige problemen en tractaten die Rahner heeft behandeld, in de Triniteitsleer en in hetgeen hij uiteenzet over de genade, in de eschatologie en de heilsgeschiedenis, maar vooral dan in de christologie, want christologie is voor Rahner einde en begin van de antropologie. Echte antropologie vindt haar eindpunt in Gods Woord, dat ons als vergeving ·en liefde wordt toegesproken in Jezus Christus. Hoewel de mens er niet kan over beschikken, is hij toch in staat er zich aan toe te vertrouwen en daardoor de pijnigende duisternis van zijn bestaan in geloof, hoop en liefde te aanvaarden.
 
Dit alles wordt bij Rahner geschraagd door een enorme historische eruditie. Hij kent de traditie en wil er niet van afwijken. Doch dat bestaat bij hem niet in een klakkeloos herhalen van wat eens en voorgoed werd vastgesteld, maar in het steeds opnieuw bevragen van gegevens van de overlevering. Hier zien wij weer de invloed van Heidegger die de waarheid omschrijft als het bestaande dat uit zijn verborgenheid uitgenomen wordt.(3) Met dit grondinzicht gepaard aan een subtiele hermeneutiek, wist Rahner de bindende uitspraken van het leerambt en de gangbare denkbeelden van de klassieke theologie in hun diepte te verstaan en voor de moderne tijden te redden. 
 
Officieel was Rahner de theologische adviseur van kardinaal König van Wenen, maar nagenoeg alle Duitssprekende bisschoppen en ook anderen kwamen bij hem hun licht opsteken. Kardinaal Frings noemde hem de grootste theoloog van onze eeuw. 
 
Rahner zelf is een tijd gewantrouwd geworden door de Romeinse instanties. Gedurende de eerste sessie van het concilie verkreeg hij een grote invloed. Hij was de doorbraak van de nieuwe theologie in de goede en technische betekenis van dat woord. 
 
Maar er waren ook gevaren aan verbonden. Met al de publiciteit rond het concilie werd de theologie als het ware te grabbel gegooid onder het volk, ongeveer zoals dat het geval geweest was gedurende de 16e eeuw in de tijd van het protestantisme en misschien ook in de periode van de eerste concilies, hoewel wij dat historisch moeilijker kunnen achterhalen. Ingewikkelde theologische problemen in het grote publiek gooien, kan niets anders dan verwarring stichten. Voeg daarbij dat Rahner die zijn theologie graag als pastoraal bestempelt, zoals de meeste geleerden, niet de pastorale feeling bezat die kerkleiders moeten hebben. Daarenboven was zijn stijl aan de duistere kant. 
 
Bij de Duitse bisschoppen werd alles op het intellectueel vlak gehouden en hun bevolking bleef rustig. In een land gelijk Nederland zaten de bisschoppen met een rumoerige achterban waardoor zij niet meer werden losgelaten. 
 
Nederland 
 
In Nederland had het kerkvolk van in het begin zich fel geïnteresseeerd aan het concilie. Het katholicisme was daar zeer vitaal en zelfbewust. Doch het zich bezighouden met het concilie, werd voor de Nederlandse katholieken fataal. Het zou vlug een partijzaak worden. Het stond goed en het gaf de indruk iets van kerkelijke zaken af te weten wanneer men zich uiterst progressief opstelde. Reeds in het jaar 1963 was men aan het doorhollen, begon het experimenteren in de liturgie en werd de wedstrijd naar het buitensporige ingezet. 
 
Toch zou nog veel ten goede kunnen gekeerd worden. De bisschoppen en de theologen hielden nog het hoofd koel en deden niet aan demagogie (4). Kardinaal Alfrink sprak tot zijn priesters in retraite over de hoge waarde van het celibaat. In twee merkwaardige en evenwichtige artikelen in het weekblad De Bazuin schetste pater Schillebeeckx de toestand en waarschuwde hij voor overijling. Hoewel Schillebeeckx weet dat hij simplificeert, meent hij de scheidingslijn tussen de concilievaders te kunnen aanduiden als tussen diegenen die essentiëel en die existentiëel denken. Het essentialistisch denken gaat met de mysteries van het geloof om als waren het abstracte essenties, die in de eerste plaats zo scherp mogelijk moeten geformuleerd worden, terwijl de existentialisten vooral rekening houden met de historische gebondenheid van iedere uitspraak over de waarheid. Aan de existentiëel denkenden geeft pater Schillebeeckx dan een ernstige terechtwijzing : «Als er iemand het concilie nog kan doen mislukken, zijn het voor mijn part de 'existentiëleri' zelf voor zoverre zij op het thuisfront doorslaan en nu zouden denken dat al hun wilde ideeën vrije baan hebben gekregen. Alleen een serene waarheidsliefde van het thuisfront zal de gelukkige doorbraak van het concilie kunnen voltooien. Verdiend of onverdiend, Nederland heeft onder de concilievaders nu eenmaal de naam de voorhoede te zijn van hetgeen dit concilie aan verrassing bracht. Het Nederlandse thuisfront kan daarom het Nederlands episcopaat in een delicate, ja onmogelijke positie drukken door publicaties, eisen of wat dan ook, waarbij de waarheid niet aan prudentie wordt gepaard». 
 
Deze vermaning had echter geen gevolgen. Er was nu eenmaal iets aan het rollen gebracht! Vooral dan De Bazuin, het blad waarin Schillebeeckx zijn stem had willen verheffen, zette een progressieve koers in die door niemand of door niets kon worden tegengehouden. Het jezuïetenweekblad De Linie schreef dat de conferentie van kardinaai Alfrink over het celibaat aan het gevoelen van de moderne mens helemaal voorbijging. Daarop werden de paters van de redactie gesommeerd door pater J. Janssen, de generaal van de Sociëteit van Jezus, met hun publicatie te stoppen. Zij verkozen het tijdschrift voort te zetten en hun orde te verlaten. Bisschop Bekkers incardineerde ze onmiddellijk in zijn bisdom en liet dit door de radio uitzenden ! 
 
Wij zullen niet beweren dat al deze onverkwikkelijkheden een gevolg zijn van het concilie, maar men kan ze niet begrijpen als men ze buiten hun historische context plaatst en die is juist het concilie. 
 
Frankrijk 
 
Ook in Frankrijk, de oudste en de lastigste dochter van onze Moeder de H. Kerk, werd het onrustig. Reeds vóór het concilie was er daar iets aan het gisten gegaan met de Nouvelle Théologie van het Jezuïeten-theologicum te Lyon-Fourvières, met als voormannen de paters de Lubac en Daniélou. Daarnaast was er Teilhard de Chardin die geen theologische boeken had geschreven, doch met zijn half filosofische, half wetenschappelijke werken grote invloed kreeg en in botsing kwam met het Heilig Officie. Hoewel hij tijdens de voorbereidingstijd van het concilie reeds gestorven was, stonden zijn naam en zijn boeken in de volle belangstelling. 
 
De Franse dominicanen bleven evenmin achter met publicaties op theologisch gebied. Hier moet dan vooral vernoemd worden Pater Yves Congar. Hij had zich vooral met de kerk beziggehouden. Hij wees erop dat vóór de 13de eeuw de kerk vooral gezien werd als een geestelijke vereniging van gelovigen. Later ging men het belang van de hiërachie onderstrepen en de kerk vooral voorstellen als een heilsinstituut. In zijn boek «Jalons pour une théologie du laïcat- (1953) komt hij op voor de autonomie van de wereld en de binnenwereldse taken en verwerpt hij zowel een potestas directa als indirecta (directe en indirecte macht) van de kerk op politieke en sociale problemen. 
 
Deze laatste gedachtegang was de theologische ondergrond van wat wij kunnen noemen de linkse tendens bij de Franse katholieken. Een turbulent tijdschrift als "Témoignage chrétien- stond hier op de voorlinie. Het wilde in de kerk een meer linkse koers. Toen het concilie werd afgekondigd, lieten zich in Frankrijk menigvuldige stemmen horen opdat de kerk alle bindingen met het kapitalisme zou verbreken en werkelijk de kerk der armen zou worden. 
 
Doch in Frankrijk zou ook de reactie zich het eerst laten gelden. Zij wierp nu reeds haar schaduwen vooruit. Men kon de contouren ervan bespeuren in een «rechts» blad als de Figaro. De krant had, zoals andere periodieken, haar speciale conciliecorrespondent uit Rome teruggeroepen omdat de pers geen toegang kreeg tot de concilieaula en het concilienieuws maar schaars doorkwam. De concilie-informatie werd dan verschaft door haar reporter voor Italiaanse zaken, die zijn licht opstak in bepaalde Romeinse kerkelijke milieus. Deze middens waren min of meer tegen het concilie en wierpen zich op als de verdedigers van de pauselijke prerogatieven. Zij hadden hun invloed op dat gedeelte van de Italiaanse pers dat dan weer door anderen als neo-fascistisch werd bestempeld en waarin men tegen het einde van de eerste sessie, over communistische invloed op het concilie begon te spreken. 
 
Zo had de Figaro van Be februari 1963 een nogal eenzijdige voorstelling gegeven van de brief van Johannes XXIII van 6 januari. De paus had er in dit schrijven op gewezen dat alle conciliebesluiten de goedkeuring behoefden van de opperste herder. Nu moet men geen doctor in kerkelijk recht zijn om dit te weten. De Romeinse persman van de Figaro had ervan gemaakt dat de paus de onderwerpen had geviseerd waarover men op het concilie gediscussieerd had en dat hij had willen aantonen dat het opperste gezag in de kerk zich niet voor een voldongen feit zou laten zetten door hen die menen dat alles wat tot hiertoe op het concilie werd goedgekeurd, daardoor reeds alleen kracht van wet zou bezitten. Dit kan men het begin noemen van een zekere reactionaire lijn die stilaan in Frankrijk zichtbaar wordt. Er ontstaat een soort tegenbeweging op kerkelijk gebied die samenliep met politieke tendensen die men gewoonlijk als rechts betitelt. Het jaar '63 is voor Frankrijk het jaar van de grote ontgoocheling, ja verbittering van de uitgewekenen uit Algerije, «Les pieds noirs». Zij beschouwden zich als de vertegenwoordigers van de christelijke en de Franse cultuur in Afrika en voelden zich nu in de steek gelaten. 
 
Van zijn kant had het eerder links georiënteerde blad Le Monde zijn conciliereporter uit Rome niet teruggeroepen. Le Monde werd dan ook weldra gekend als de krant met de beste concilieverslagen en werd algemeen geprezen om zijn degelijke informatie. 
 
Voegen wij hier nog aan toe dat op de eerste sessie van het concilie de Franse bisschop die tevens generaal overste was van de Spiritijnen, Mgr. Marcel Lefèbvre een tussenkomst had gehouden over de doelstellingen van het concilie, waarin hij gewezen had op het onduidelijke van de benaming pastoraal concilie en op het gevaar van verwarring wanneer men de leer wil aanpassen aan de tijdsgeest. Daarom stelde hij voor dat men voor ieder onderwerp twee schema's zou opstellen, een leerstellig en een pastoraal (zitting van 27 november 1962). 
 
Aartsbisschop Guerry van Kamerijk had daarop geantwoord dat bij een pastorale benadering van de leer, het niet ging om een slordige of onnauwkeurige uiteenzetting, maar wel om alle winstpunten in te sluiten die in de wereld van vandaag door de wetenschappelijke ontdekkingen gemaakt waren. Wij moeten de moeilijke weg bewandelen om te trachten de moderne mens onbaatzuchtig te benaderen in zijn noden en angsten en niet de gemakkelijke uitweg van veroordeling, ontkenning en verwerping. 
 
Mgr. Marcel Lefèbvre had door zijn tussenkomst bewezen dat hij de moderne theologie niet begreep. Voor haar immers is de waarheid altijd geïncarneerd en wordt zij nooit in haar zuivere vorm weergegeven; daarom moeten wij de theologie niet verwoorden in begrippen en denkséherna's van vroegere eeuwen maar in denkbeelden en met het aanvoelen van deze tijd. Daarom moet het leerstellige zelf pastoraal zijn en blijft een scheiding tussen een leerstellige en pastorale aanpak hier buiten beschouwing. Anderzijds had Mgr. Lefèbvre hier een reëel gevaar bespeurd voor de vorming van toekomstige priesters. Hij had woorden van de paus aangehaald: «Het is van het grootste belang dat de traditionele christelijke leer op nauwkeurige wijze zowel voor de inhoud als voor de vorm wordt doorgegeven zoals zij werd vastgelegd in de acten van het concilie van Trente en van Vaticanum I». 
 
Maar in de zegeroes van de op vernieuwing uit zijnde vaders drongen deze woorden niet door. Hier staan wij voor een tragische problematiek die nog jaren zal doorwerken. 
 
Zo was er dus wat aan het bewegen op kerkelijk gebied in de tussentijd tussen de eerste en de tweede sessie van het concilie in Duitsland, Nederland en Frankrijk. Een boutade over de houding van de verschillende volkeren ten opzichte van de waarheid beweert dat de Russen uitvinders zijn van de waarheid, dat de Amerikanen ze exploiteren, de Duitsers ze compliceren en de Fransen erop zoek naar zijn, dat de Spanjaarden ze verdedigen en de Italianen ze bezitten. Summier en simplicerend geschetst waren op het concilie de Italianen en de Spanjaarden voorstanders van een statu quo, de Duitsers, de Fransen en de Nederlanders voor verandering. Sommige hadden verwacht dat de Amerikanen een voorname rol zouden spelen. Doch de Amerikaanse bisschoppen waren wel uitstekende administrators, zelfs knappe financiers, maar hun theologische vorming was te weinig diepgaand geweest om de theologische discussies tussen de cis. en transmontane bisschoppen te kunnen volgen. 
 
Het communisme 
 
In ons vorig artikel vermeldden wij dat paus Johannes XXIII en de Russische premier telegrammen hadden uitgewisseld bij het nieuwe jaar 1963. Dit had toch al een eerste gelukkig gevolg : de vrijlating in de maand januari 1963 van de Oekraïnische bisschop Mgr. Slipyj. Mgr. Willlebrands was hem gaan halen te Moskou en had hem over Wenen naar Rome gebracht nadat hij hem in Moskou een brief had overhandigd van de paus om naar Rome te gaan. Mgr. Slipyj was erin geslaagd deze brief aan een vertrouwensman te bezorgen om hem bij zijn gelovigen te brengen opdat zij met eigen ogen zouden kunnen lezen dat de paus hem het bevel gaf naar Rome te komen. 
 
In Rome zelf echter bleef Mgr. Slipyj gekweld met gewetensangsten dat hij aan zijn christenen de indruk gaf te vluchten en wilde hij naar Lemberg op het gevaar af terug gevangen te worden genomen. Dat zou niet gunstig zijn voor de betrekkingen tussen Moskou en het Vaticaan die nog maar pas waren aangeknoopt en nog zeer broos waren. Noch het Vaticaan noch Moskou wensten dit. Die mogelijke terugkeer werd druk besproken in de kringen van de katholieke Oekraïnische emigranten die niets van hun anticommunisme hadden prijsgegeven. Maar zolang het concilie duurde was die vraag dan toch weer niet actueel, want Mgr. Slipyj moest te Rome aan het concilie deelnemen, zoals alle bisschoppen. 
 
Grote deining op gebied van de betrekkingen tussen de kerk en het communisme verwekte het nieuws dat Adzjoebej, directeur van de Russische krant lsvestia en schoonzoon van Kroetjev, door de paus zou ontvangen worden. Het Amerikaanse tijdschrift Time schreef hierover: de 15e maart liet de Sovjetambassade in Italië aan Mgr. J. Willebrands weten dat Adzjoebej een privé-audiëntie met de paus wenste. Dit verzoek werd geweigerd omdat het Vaticaan zich ongerust maakte over de propaganda welke de communisten uit dit bezoek zouden halen in verband met de algemene verkiezingen in Italië einde april. Rome suggereerde een algemene audiëntie samen met andere bezoekers, maar dit voorstel werd door Adzjoebej verworpen. Mgr. Cardinale, chef van het protocol bij het Vaticaan, vond een tussenoplossing : Adzjoebej kon deelnemen als journalist aan de audiëntie waarop de paus de prijs voor de vrede zou ontvangen vanwege de internationale stichting Balzan en in aansluiting privé maar onofficiëel door de paus ontvangen worden. Adzjoebej heeft dit aanvaard en zo is het gebeurd. 
 
Dit bezoek heeft heel wat commentaren losgeslagen en de kloof in kerkelijke kringen tussen anti-communisten en voorstanders van een opening naar links nog verbreed. In een redevoering voor Militairen over geloof en vaderland verklaarde kardinaal üttaviani, met duidelijke zinspelingen op bovengenoemde gebeurtenissen, dat er geen compromis mogelijk is tussen katholicisme en communisme en dat de vroegere veroordeling van het communisme nog altijd van kracht was. In West Duitsland was men hoegenaamd niet opgezet met dit bezoek. ütt Roegele pleegde hierover in de Rheinische Merkur een scherp artikel. Volgens hem heeft een paus die Franz von Papen tot zijn kamerheer benoemt en die aan de vooravond van de Italiaanse verkiezingen de schoonzoon van Kroetjev in particulier audiëntie ontvangt zich definitief losgemaakt van wat een Vatikaanse politiek kan genoemd worden. Adenauer voorspelde een ongunstige weerslag op de Italiaanse stembusuitslagen. 
Inderdaad gaf de uitslag van de stemmingen voor het parlement in Italië een forse vooruitgang voor de communisten. 
 
B. BüECKENS S.J. 
 
(1) cf. Positief, nr. 74, september 1977, p. 220-221. - 278 – 
(2) R.M. Witger «The Rhine flows into the Tiber» p. 80 
(3) cf. -Seln und Zelt-, p. 427, noot 1. 
(4) Niet Mgr. Bekkers, de bisschop van 's Hertogenbosch


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht