• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Van Reimarus tot Schillebeeckx

3/5/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 54 – SEPTEMBER 1975 

​Wat hadden wij mogen verwachten ? 
 
Rond het boek van E. Schillebeeckx, "Jezus. Het verhaal van een levende" (1) werd veel reclame gemaakt Het was nog maar pas verschenen of het werd behandeld op een televisiedebat. Al die ruchtbaarheid scheen de idee te willen doordrukken dat deze studie meer was dan een louter wetenschappelijk onderzoek De verwachting werd gewekt dat een groot theoloog zijn visie eens zou uiteenzetten over Jezus, wellicht zijn belijdenis uitspreken omtrent Diegene die staat op het keerpunt van alle wegen en waaraan niemand aan voorbij kan gaan, die het ernstig opneemt met de waarheid 
 
Wegens de publiciteit die gemaakt werd rond dit werk, had ik zoiets verwacht als de «Jezus von Nazareth” van G. Bornkamm (2) Hoewel wij het over belangrijke punten met Bornkamm niet eens zijn (3), toch heeft de manier waarop hij de persoonlijkheid van Jezus benadert, ons aangesproken. Wat hij over de Heer te zeggen heeft, verrijkte onze kennis over Jezus en wij bewonderden de ernst van zijn historisch onderzoek. Het geheel doet zich voor als een machtige synthese, de lijnen van opbouw zijn goed zichtbaar, de stijl is helder en de taal is rijk. Hier spreekt een geleerde over iets wat hij kent en over iemand van wie hij houdt. Daarenboven verstaat hij de kunst zijn wetenschap en zijn liefde door te geven. 
 
Wat is het geworden ? 
 
« Jezus, verhaal van een levende " is iets heel anders geworden. Het is een moeilijk leesbaar boek waarin de taal geweld wordt aangedaan, met barbaarse neologismen (4), onverteerbaar lange zinnen (5) en verwarrende herhalingen. De klassieke helderheid die dan toch altijd een teken blijft van een goed begrijpen, is hier totaal afwezig zodat het voor de lezer een bijna onmogelijke opgave wordt de gedachtegang van de schrijver te volgen (6) 
 
Op blz. 456 schrijft Schillebeeckx dat hij aanvankelijk zijn "verhaal " anders had willen betitelen: « Heil-in-Jezus van Godswege" Dit opschrift zou voorzeker beter weergegeven hebben waarom het ging. Eigenlijk biedt deze studie ons een christologie. De christologie is een onderdeel van de theologie die het wezen van Christus wil bepalen. 
 
In de inleiding haalt Schillebeeckx het woord aan van Petrus in de Handelingen: "Het zij U allen en het hele volk van Israël bekend (pag17) dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazareeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God uit de doden heeft doen opstaan, deze man hier gezond voor u staat. In niemand anders ligt de redding (cursief van Sch) en geen andere Naam is ons, ondermaanse mensen, gegeven, in wie wij - naar Gods heilbestel - gered worden (Hand. 4, 10-12) » (pag 13)_ 
 
Wat dit betekent gaat de auteur historisch onderzoeken om daardoor een hulp te bieden aan het magisterium dat de bijstand van exegeten en theologen niet naast zich mag neerleggen. Zelf vanuit een kerkgemeenschap die leeft vanuit een Christusbeleving kan het wetenschappelijk werk van theologen en exegeten door niets worden vervangen. Dit is volgens Schillebeeckx de pastorale intentie waarmede hij zijn boek geschreven heeft die, naar hij hoopt, door anderen “vertaald » zal worden. 
 
De Verrijzenis. 
 
In deze geschiedkundige studie naar de betekenis van het heil-in-Jezus staat de Verrijzenis centraal. De schrijver wil nagaan hoe het apostolisch geloof in de Verrezene ontstaan is. Volgens Schillebeeckx is de Verrijzenis voor de getrouwen van Jezus een bepaalde belevenis geweest, een schok die tevens een intuïtie was en hun leven definitief heeft georiënteerd. Er bestaat dan volgens hem niet zo een groot verschil tussen de wijze waarop wij na Jezus' dood tot het geloof in de verrezen gekruisigde kunnen komen en de wijze waarop de leerlingen van Jezus tot hetzelfde geloof zijn gekomen! (pag283) (7) 
 
Deze Verrijzenis-ervaring van de leerlingen was primair een bekering De auteur steunt hier vooral op het Damaskus-visioen van Paulus dat tot driemaal toe vermeld wordt in de Handelingen van de Apostelen (in 9, 22 en 26) en dat uitgroeide van bekeringsvisioen tot zendingsvisioen. Zo zouden de verhalen van de verschijningen de tamelijk laattijdige uitdrukking zijn van wat oorspronkelijk een nieuwe disclosure ervaring (8) was ten opzichte van Jezus, die de leerlingen deed « zien » en die hun definitieve bekering tot de Heer tot gevolg had. 
 
Ist das noch katholisch ? 
 
" Is dat nog katholiek? ", dit is de vraag die K. Rahner stelde in Stimmen der Zeit (9) omtrent het boek van H Küng -Onfeilbaar ». Het is de vraag die wij hier stellen en wel met des te meer aandrang omdat het hier over een Geloofspunt gaat dat dan toch nog centraler staat, “Indien Christus niet verrezen is, dan is ons geloof ijdel " (1Cor 15.14) (pag18) 
 
Op p 319 legt Sch. uit hoe, volgens hem, een «visioen" een middel is om een genadegebeuren onder woorden te brengen. In een noot (noot 119, p. 577) geeft hij daarover de volgende verheldering: "Men mag hierin geenszins "rationalisme" zien, dat de verschijningen van Christus zou ontmythologiseren! Niet uit rationalisme maar vanuit de Schriftuurlijke intenties zelf blijkens de structuur der verschijningen, is duidelijk geworden dat er steeds historische bemiddelingen zijn in goddelijke genadegebeurtenissen. De verschijningen zijn geen uitzondering op dit genadebestel. Bovendien wat zou een loodrechte verschijning van Jezus in levenden lijve bewijzen? Alleen gelovigen (cursief van Schillebeeckx) zien de verschijnende; de gelovige interpretatie treedt binnen in de kern van het gebeuren. Christus-verschijningen zijn geen "St. Nikolaas - verschijningen". Men zou het geloof ontkrachten door het te willen funderen op pseudo-empirie, waarbij men dan allerlei valse problemen gaat stellen: of nl. dit "christologisch zien" een zintuigelijk zien van Jezus is geweest, of dit een "objectief " of «subjectief " zien was, een "verschijning” of een "visioen » en dergelijke dingen meer. Aan het Nieuwe Testament zijn al deze vragen vreemd . . . ofschoon ik mijn hypothese verantwoord acht, weet ik dat hiermee een breuk gegeven is met een eeuwenlange hermeneutische (10) traditie. Daarom geef ik ze hier “salvo meliori (sic) judicio” (11) (en dwingende tegenargumenten). De verschijningen «als zodanig" zijn trouwens· geen object (cursief van Sch) van christelijk geloof ». 
 
Het wil ons voorkomen dat deze randglosse een belangrijke leidraad biedt voor de "hermeneutiek" van dit duistere boek Wij vragen ons af waarom de schrijver dit niet in een apart hoofdstuk heeft behandeld, in plaats van in een eenvoudige voetnoot Wanneer men als theoloog breekt met de eeuwenlange traditie van de Kerk, dan hadden wij daar wel wat meer uitleg mogen over verwachten. 
 
En dan stellen wij verder de vraag: Is een theoloog die zich plaatst buiten de eeuwenoude Traditie (met opzet schrijven wij dit woord mat een hoofdletter) van de Kerk, nog katholiek? En zijn de verschijningen geen object van christelijk geloof? Moeten wij dan de Evangeliën en de brieven van Paulus niet geloven? Vooral wanneer Paulus getuigen noemt van de verrijzenis en dan schrijft dat ons geloof-, zonder de Verrijzenis van de Heer, ijdel is (l Cor 15) ? 
 
Historische bezwaren. 
 
Van Relmarus {1634-1768), dctr.ne die de zogezegde Leben Jesu forschung (12) inzette, tot Schillebeeckx heeft de rationalistische kritiek die het leer ambt van de Kerk niet erkent en zelfs niet eens in de (pag 19) bijbel het woord van God beluistert, theorie op theorie, hypothese op hypothese, opgetimmerd die elkaar steeds hebben vernietigd. Zo zal het ook gaan met het systeem Schillebeeckx. 
 
Meer dan bij andere exegeten ondervindt men bij hem de waarheid van het gezegde van Mauriac over de exegese dat zij namelijk onder alle wetenschappen het meest op gissingen steunt (13). Bij Schillebeeckx wordt het zo een opeenstapelen van hypothesen op hypothesen dat wij gerust mogen besluiten op zuiver historische gronden: zo heeft zich de vorming van het verrijzenisgeloof niet voorgedaan Om zijn thesis te bewijzen, steunt Schillebeeckx uitsluitend op Q (14) en Marcus. Het Sondergut (15) van Mattheus en Lucas wordt op zij geschoven. Welnu het bestaan van de bron Q als geheel is reeds een, zij het dan weliswaar vrij algemeen aangenomen, hypothese. Maar dan gaan spreken van een Q - gemeente en dan nog onderscheid maken tussen een Hebreeuwssprekende en Griekssprekende groep, is toch wel wat vrije loop laten aan loutere veronderstellingen! 
 
Wanneer de auteur dan verder zijn thesis over de verschijningen die slechts een manier van duiden zouden zijn van een bekeringservaring, wil staven met een argumentum a silentio, omdat er in de Q geen verschijningen voorkomen, dan is dat een totaal verkeerd toepassen van deze historische bewijsvoering (16). 
 
Op dezelfde vooropgezette manier manipuleert Schillebeeckx het verrijzenisverhaal van Marcus om het te doen passen in zijn vooropgezette stelling Volgens hem kent Marcus evenmin als de Q verschijningen. Dan moet hij beginnen met te veronderstellen dat Mc 16, 9-20 niet tot het Marcusevangelie behoort en later is bijgevoegd. Wat mogelijk is, maar hoegenaamd niet zeker. En het "zeg aan zijn leerlingen en aan Petrus dat Hij U zal voorgaan naar Galilea, daar zult gij Hem zien zoals Hij het U gezegd heeft" (Mc. 16, 7) wordt dan door Schillebeeckx verklaard als een eschatalogisch visioen, wat toch wel gezocht is en als uitleg artificiëel aandoet. 
 
En om 1Cor. 15. 5-8 in zijn historische hypothese in te voegen, verklaart hij, zonder blikken of blozen, dat Paulus hier geen getuigen opsomt, maar dat wij hier een lijst aantreffen van gezagdragers die allen hetzeIfde (cursief van Sch.) verkondigen! (pag 285). 
 
Tenslotte ontbreekt aan heel die hypothetische constructie het eindresultaat en in zekere zin het voornaamste, wij bedoelen het historisch verhaal. Hoe is het allemaal gegaan? Hoe is bij de apostelen een bekeringservaring tot de voortlevende Jezus uitgelopen op een identificeren van Jezus met de eschatologische profeet, die na zijn ver-(pag20)-nedering verheven werd ? Hoe werd die ervaring vastgelegd in vier Credo's waarvan alleen de vierde over verrijzenis spreekt (17) Heeft het dan nog lang geduurd vooraleer dit alles door verschijningen werd weergegeven? En wanneer en waar en onder welke invloed werd alles op schrift gesteld? De schrijver van “Het verhaal van een levende" had daar een verhaal moeten over geven, opdat wij zouden kunnen zien hoe het allemaal verlopen is. Nu blijft het alles bij werkhypothesen die omdat zij onmogelijk onder vorm van een verhaal kunnen worden gebracht totaal onwaarschijnlijk blijven. 
 
Van Theologie naar Christologie 
 
"Het is God, die ons in Jezus heeft verzoend", in deze woorden uit 2 Cor. 5. 18 vindt Schillebeeckx de primaire ervaring van de apostelen na de dood van Jezus vastgelegd (p. 446). Van deze " theologie » over Jezus is dan de primitieve christengemeenschap overgegaan tot een « Christologie " of zoals S het noemt een theologie in de tweede macht. Men is beginnen nadenken over de persoon zelf van Jezus. In deze fase van christelijke reflexie ontstaan zowel de formules over de verrijzenis («God heeft Hem opgewekt" "Hij is opgestaan ») als de hoogheidstitels, uiteindelijk ook de opvatting over de maagdelijke geboorte (Mattheus en Lucas] en de pre-existentie (Paulus en Johannes). 
 
Schillebeeckx affirmeert zonder te bewijzen, dat Jezus nooit zichzelf tot object van zijn prediking heeft gemaakt (p. 212), en door heel het boek wordt als vanzelfsprekend aanvaard dat de hoogheidstitels van na de verrijzenis zijn (18). 
 
De maagdelijke geboorte van Jezus wordt geloochend "Allereerst schrijft Schillebeeckx, zijn Mt.1,18-20 en Lc 1, 26- 38 de twee enige plaatsen waarin sprake is van "maagdelijke geboorte" (p. 453) Zou het niet juister zijn op te merken dat in beide levensbeschrijvingen van Jezus die zijn geboorte vermelden, deze als "maagdelijk" wordt voorgesteld? "Door recente exegetische studies is duidelijk gemaakt dat deze elders in andere vroeg-christelijke gemeenten onbekend is (of zelfs tegengesproken wordt) " (ibid) Graag hadden wij daarover wat meer vernomen. In welke vroeg-christelijke gemeenten was de maagdelijke geboorte onbekend ? Op welke documenten steunt men om dat te bewere? De auteur gaat er echter niet verder op in en vergenoegt zich met te verwijzen naar een algemene bibliografie. Op die manier worden volgens Mgr. Descamps honderden problemen (des centaines et des centaines) door Schillebeeckx doorgehakt buiten iedere sluitende discussie (19). (pag21) 
 
In zijn inleiding had Schillebeeckx reeds een nogal oppervlakkige vergelijking gemaakt tussen de historische verhalen van het Evangelie en het geschiedkundig oeuvre van de Romeinse historicus Titus-Livius (59 v. tot 17 n Chr.) die de visie over geschiedschrijving van zijn tijd scherp zou hebben geformuleerd (p. 62). Nu is het wel zo dat noch Titus Livius noch Lucas de tamelijk recente wetenschap die Historische Kritiek heet, kenden en het boek van E. Bernheim " Lehrbuch der historischen Methode» dat er aan de grondslag van ligt, niet hebben gelezen. Maar daarom moeten de majestatische volzinnen van de voorrede van Livius waar hij er voor uitkomt dat voor hem geschiedschrijving bestaat in het bijbrengen van een « bepaalde ethische kijk op de werkelijkheid " (20) niet op één lijn worden gesteld met het begin van het Lucasevangelie waar wij lezen dat de auteur van meetaf alles nauwkeurig heeft onderzocht om een ordentelijk verslag te willen schrijven over de gebeurtenissen die werden overgeleverd door mensen die van het begin af ooggetuigen waren (Lc 1, 2-3). 
 
Wie zeggen wij dat Hij is? 
 
Achttiende van «Jezus, het verhaal van een levende" zijn van historische aard, de rest is eerder filosofisch: een poging om vanuit het historisch verworvene, een nieuwe christologie op te bouwen. 
 
Schrijver geeft een kort overzicht over de praeniceaanse christologieën om dan te belanden bij het concilie van Chalcedon (451) dat Christus definieerde als waarlijk God en waarlijk mens, één (goddelijke) persoon in twee naturen "Gezien binnen de Griekse verstaans- en vraaghorizon destijds heb ik met dit alles geen enkele moeite: het is puur - evangelisch; maar: binnen een filosofische verstaansproblematiek, die inderdaad niet meer volkomen in alle opzichten de onze is en ons nu moeilijkheden biedt» (p. 463). 
 
Een slogan die wij meer horen: Chalcedon drukt zich uit in Griekse denkscherna's, die het nu niet meer doen. Men voegt er echter nooit bij welke denkscherna's het dan wel doen. Of wanneer men ze dan toch vermeldt dan verwijst men naar denkrichtingen die onderling meer verschillen dan van de klassieke Griekse filosofie waarvan zij allen afhankelijk zijn. 
 
Zo verbindt Hulbosch in zijn artikel "Gods heilsprezentie in de mens Jezus-Christus" zijn nieuwe christologische inzichten met de evolutieleer en vernoemt hij Teilhard de Chardin (21) Anderen zullen hun nieuwe theologische inzichten niet meer op de basis van het thomisme willen gesteund zien maar op de fenomenologie, een filosofische methode die totaal vreemd staat aan de visie van Teilhard. (pag 22) 
 
Schillebeeckx zelf schijnt nogal veel op te hebben met de taalfilosofie, een richting die eerst de Iaatste jaren actueel is geworden en weer van een totaal andere aard is als de twee vorige. Dit is zeggen dat het niet gemakkelijk zal zijn in een cultuurhistorische studie de «bestaanshorizon» (22) van onze huidige tijd te duiden Alles samen zijn wij misschien nog het meest vertrouwd met de Griekse manier van denken omdat zij zowat van alle tijden is. 
 
De "nieuwe" christologie van Schillebeeckx is zeer moeilijk om vatten, zij is althans heel wat omslachtiger dan de geijkte formule van het concilie van Chalcedon "Christus is God en mens". 
 
Achter de ingewikkelde en duistere christologische uiteenzettingen van Schillebeeckx menen wij een epistemologisch (23} standpunt te ontwaren dat hij misschien wel het meest expliciet weergeeft op p. 507. Hij komt er voor uit dat er tussen zijn filosofische opvattingen en die van D. De Petter, L. Lavelle en de Franse «Philosophes de l'Esprit» een duidelijke breuk bestaat. «Op een briljante wijze werd in deze traditie, zo gaat Sch verder, (niet zonder reële grond in de werkelijkheidsvisie van Thomas van Aquino)de participatie (cursief van Sch.) van de totaal-zin in alle particuliere betekeniservaringen ontleed. Deze impliciete participatie (cursief van Sch) van de totaal-zin in (cursief van Sch.) elke afzonderlijke zin-ervaring kan Thomas - toen terecht! - nonchalant bevestigen in een middeleeuws (patristische) samenleving, waarin de ene (christelijke) levensbestemming van de mens - de zalige Godsaanschouwing - een ook maatschappelijke vanzelfsprekendheid was met aangepaste plausibiliteitsstructuren, sociologisch gezien. Dat is het nu, in onze samenleving waarin uiteenlopende levensbeschouwingen een aanbod doen op de " common market ", van het wereldgebeuren, alleszins niet! "· Het wil ons voorkomen dat Schillebeeckx hier niet alleen een andere weg inslaat dan zijn leermeester De Petter, dat hij niet alleen het thomisme in al zijn vormen vaarwelzegt, maar dat wij hier te doen hebben met een capitulatie van de geest en vóór een variante staan van het grondprincipe van de sofisten bij wie de mens de maat voor de waarheid was. Hier bepaalt de samenleving de waarheid: dit is de epistemologische vooronderstelling die wij dikwijls terugvinden bij Schillebeeckx. 
 
Schillebeeckx doet wel meer aan de sofisten denken. Zoals de sofisten is hij een virtuoos in het argumenteren, maar dit redeneren blijft een dialectisch spel dat, ondanks alle schijn, levensernst mist en er te veel op uit is de actualiteit te verdisconteren. In het laatste deel van "Jezus, het vei-haal van een levende" heeft hij zich dol geredeneerd zodat het onbegonnen werk is zijn christologische stellingname te omschrijven. (pag23) Daarbij is dit alles nog maar een prolegomenon (24) ! 
 
Op een bepaald moment neemt Schillebeeckx afstand van Schoonen-berg wanneer hij de gedachten verwerpt dat God pas bij de menswording van Jezus Christus «trinitarisch » wordt (p. 544). Maar wanneer wij hem dan in de televisie-uitzending over zijn boek horen verklaren dat hij de uitdrukking "Jezus is God» te brutaal vindt (25), dan doet dit toch denken aan het woord van de Joden te Kafarnaüm : "hard is die taal. wie kan ze aanhoren?" (Joan. 6, 60]. 
 
En het leerambt ? 
 
In zijn inleiding stelt Schillebeeckx voorop, naar een woord van V. Congar dat hij als dogmaticus, het magisterium van de exegeten niet aanvaardt (p. 31). Na aangetoond te hebben dat heel de exegese van Schillebeeckx in dienst wordt gesteld van een op voorhand vastgelegde christologie, oppert Descamps de vraag of de exegese hier niet onderworpen wordt aan het magisterium van de theologen (26) ; Wat er ook van zij, beiden, dogmatici en exegeten, hebben zich te onderwerpen aan het magisterium van de Kerk. De christen staat niet eenzaam vóór zijn God met alleen maar de bijbel als gids en de vele elkaar tegensprekende theologen, om hem te verduidelijken. De christen leest de bijbel in en met de Kerk (27). Hij zal hem nooit verstaan tegen het leerambt in. 
 
Het leerambt nu heeft bepaald dat Christus God en mens is. Eén goddelijke persoon in twee naturen. Wij aanvaarden de ne varietur. En nu weten wij ook wel dat hier problemen opduiken van Hermeneutiek, dat de uitspraak van Chalcedon, zoals iedere uitspraak trouwens, in een bepaalde historische context staat en dat geen enkele formule, ook niet die van een dogmatische definitie, bij machte is de volheid van het mysterie uit te drukken. Toch is de uitspraak van een concilie niet een uitdrukking van een of andere theologische school, maar een formulering die, onder de ingeving van de H. Geest, als juist werd erkend. Daarom zullen wij ze nooit laten varen. 
 
Doelend op de tijd die onmiddellijk volgde op het concilie van Nicea schrijft Newman : "There was a temporary suspence of the function of the Ecclecia docens "· « Er was een tijdelijke opschorting van het ambt van de Ecclesia docens "· Is dat ook niet waar voor de tijd die onmiddellijk volgt op Vaticanum Il? Na Vaticanum Il kennen wij in de kerk een verwarde toestand die in menig opzicht op de periode van na Nicea begint te gelijken. De Ecclesia docens, de lerarende kerk, dat is de hiërarchie rond de paus, zal ons hieruit helpen en wij mogen de stille hoop koesteren dat de «suspence» niet te lang zal duren (pag24) 
 
Een laatste woord nog over de historische uiteenzettingen van Schillebeeckx_ Uiteindelijk zijn zij de zoveelste poging om het fenomeen Jezus van Nazareth en speciaal dan zijn Verrijzenis, te verklaren met uitschakeling van ieder wonder. " Es gibt kein Wunder" is het adagium dat steekt achter alle werkhypothesen van Schillebeeckx. Wij wezen er reeds op hoe van Reimarus tot Schillebeeckx er zoveel ondernemingen hebben plaatsgehad die hetzelfde doel nastreefden, dat zij elkaar telkens afbreken en onmiddellijk achterhaald zijn. Religieus - existentieel verwijst ook dit feit naar het leerarnbt van de ene, onfeilbare Kerk. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
Noten
 
(1) Emmaüs, Brugge. H. Nelissen, Bloemendaal, 1974. 
 
(2) G. Bornkamm « Jezus von Nazareth » W. Kohlhammer Verlag, Stuttgart- Berlijn - Keulen - Mainz. Wij beschikken over de 8ste uitgave, 1968. 
 
(3) Bornkamm is een leerling van Bultmann : hij heeft nochtans afstand genomen tegenover de hyper-kritische houding van zijn leermeester ten opzichte van de bronnen van het leven van Jezus. 
 
(4) Om maar één voorbeeld te noemen: hermenevse ! Woord dat voortdurend terugkeert en dat op de duur zelfs gebruikt wordt buiten een strikt-wetenschappelijke contekst. Op. p_ 192 spreekt Schillebeeckx over een farizeese hermeneuse van de wet. 
 
(5) Ook hier maar één voorbeeld : « Omdat echter in de concrete evangelische verhalen « heilig graf" en « Christusverschijning " literair samengesmolten zijn en het verhaal (cursief van Schillebeackx) van het tweede literair dat van het eerste veronderstelt, ben ik wel verplicht te beginnen met de ontledinq van de overleveringen rond het graf van Jeruzalem, mij ervan niettemin bewustblijvond dat zij recenter zijn dan de traditie van de verschijningen, die zelf oorspronkelijk slechts met één bepaalde gemeente-traditie verbonden waren (p. 273). 
 
(6) Voeg daarbij hier en daar nog een storende drukfout die de maat doet overlopen. Zo komt het volgende op p. 463 zes lijnen verder nog eens voor: " men daardoor tot het inzicht dat de midden-platoonse visies filosofisch ", terwijl een andere zin klaarblijkelijk is uitgevallen. 
 
(7) Eigelijk zet Schillebeeckx hier een stap achteruit op oecumenisch gebied  Het eigene, niet herhaalbare van het anostollsche ambt dat erin bestaat getuige te zijn van de Verrijzenis wordt schitterend uiteengezet door H Küng in « Structuren van de kerk " p. 167 en volg. Hij doet dit in confrontatie met de protestanten aan wie de katholieken soms de indruk gaven dat het leerambt iets bijvoegt aan de getuigenis van de apostelen
[8) Disclosure-ervarinq. Ervaring waardoor men plots in een verschijnsel dat voor iedereen toegankelijk is, een diepere dimensie ontdekt. (Pag 25) 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht