• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Bijdrage 23

3/6/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 94 – SEPTEMBER 1979 

​Met een verslag van de reis van de paus naar het H. Land hebben wij de tweede sessie van het tweede vaticaans concilie afgesloten. Hiermee zijn wij aan de 23ste bijdrage gekomen. Onze «korte conciliegeschiedenis» kan dan wel de indruk wekken een lang verhaal te worden: twee sessies zijn nog te verslaan. Wij zijn nog maar aan de helft. 
 
Toch menen wij dat voor onze conciliegeschiedenis het epitheton «kort» juist is. Ons relaas van Vaticanum Il is van geringe lengte als men denkt aan al wat er gebeurd is. Het Italiaanse boek van pater Caprile S.J. van de Civilta Catholica over het concilie behelst zes delen elk van 600 tot 800 pagina's, meestal kleine tekst. Dit werk beperkt zich strikt tot het concilie terwijl wij van in het begin deze kerkvergadering als historische gebeurtenis en dan speciaal als een «ldeengeschichte», wilden behandelen. 
 
Want dit concilie heeft een enorme invloed gehad op de gedachtengang binnen en buiten de katholieke wereld. En dat was reeds te merken na de tweede sessie. 
 
In Rome was iets aan het rollen geraakt dat journalisten en andere opinievormende machten niet onberoerd heeft gelaten. Er heeft zich in die tijd iets voorgedaan dat in heel de kerkgeschiedenis zijn weerga niet vindt. De gelovigen werden door mekaar geschud; er veranderde zoveel dat zij zich begonnen af te vragen of al wat nu werd voorgehouden nog hetzelfde was als hetgeen zij in hun jeugd hadden geleerd. 
 
Wanneer ik terugdenk aan die tijd, komt mij het beeld van kardinaal Suenens voor de geest die namens de Belgische bisschoppen voor de televisie kwam verklaren dat de priesters voortaan in België in clergypak mochten verschijnen. Het was de eerste tastbare verandering die de gelovigen vaststelden. Formeel heeft dit met het concilie niets te maken, maar het werd door de mensen met het concilie in verband gebracht en het deed de idee ingang vinden dat Vaticanum Il aan de gelovigen meer ruimte zou geven, en met die uitdrukking bedoelde men dat de positieve wetten van de Kerk zouden versoepeld worden. 
 
Vernieuwing werd de grote slogan. Wij wezen er al dikwijls op dat aan dat begrip geen inhoud werd gegeven. Iedereen stak er in wat hij wilde. Het nieuws uit de kranten verspreidde de mening dat het concilie wel een en ander zou veranderen. En inderdaad veranderingen werden ingezet. Ondermeer werd de wet op het eucharistisch nuchter zijn voortdurend gewijzigd. Men begon te denken dat het concilie aan nog andere dingen een ander uitzicht zou geven en dan wel in de richting naar de wereld toe. 
 
De nieuwsmedia wisten te vertellen dat een Constitutie over Kerk en Wereld het voornaamste stuk van het concilie zou worden. 
 
Dan was er de oecumene; de redevoering van de bisschop van Brugge tegen het triomfalisme in de Kerk; de paus die vergiffenis had gevraagd. 
 
In de beschutting die de gelovigen omgaf werden bressen geslagen. Er was openheid: men stond gunstig tegenover alles wat van elders kwam. 
 
Het «Honest to God» van Robinson 
 
Johannes XXIII had in zijn inleidingsrede tot het concilie, aan de kerkvaders de richtlijnen gegeven de eeuwenoude waarheid in een nieuwe aan de tijd aangepaste vorm voor te stellen. Sommige auteurs vooral dan uit avant-gardekringen waren daarop gesprongen om het dogma en de traditionele voorschriften van de moraal te herinterpreteren. Niets werd met rust gelaten, alles werd nog eens “doorproefd”, afgewogen en, soms zo verwrongen en geherinterpreteerd dat men er nauwelijks nog de eeuwige onveranderlijke waarheid kon in herkennen. Wanneer er een boek verscheen dat zoals men dat heette «heilige huisjes omverwierp» werd het op voorhand met sympathie onthaald en zonder veel voorbehoud aanvaard. In dat klimaat verscheen het essay van de Anglicaanse bisschop A.T. Robinson, «Honest to God» - «Eerlijk voor God». 
 
«Honest to God» had in Engeland opschudding verwekt. Dat was vooral te wijten geweest aan de titel van een artikel dat het boek aankondigde en dat verscheen in het dagblad «The Observer». Het opschrift van dit artikel kwam, naar het schijnt, niet van Robinson zelf: «Our image of God must go». «Ons Godsbeeld moet verdwijnen». Deze arrogante en negatieve slogan bezorgde aan het boek een coca-colasucces. Bij echt gelovige protestanten nochtans verwekten de uiteenzettingen van bisschop Robinson ergernis. Voor hen was Robinson de gangmaker van een soort atheïstisch christendom. 
 
Vanuit katholiek standpunt gezien, waren de theorieën van Robinson slechts één van de varianten van het vrijzinnig protestantisme. Met zich los te scheuren van het gezag van Petrus was het protestantisme steeds verder verbrokkeld in tegengestelde confessies, tot op het einde van de 18de eeuw de vrijzinnigheid haar intrede deed en zelfs het goddelijk gezag van de Bijbel geloochend werd. 
 
In 1964 echter kon men vrezen dat in Nederland, waar men bereid was alle mogelijke wilde theorieën achterna te lopen, ook het boek van Robinson met sympathie zou begroet worden. 
 
Vanuit theologisch standpunt was het werk van Robinson niet ernstig op te nemen. «Veel van wat hij zegt, verklaarde Dr. Mascall, professor in de historische theologie te Londen, zijn voor een theoloog banaliteiten die als paradoxen worden voorgeschoteld. Sommige van zijn uitspraken maken, althans wanneer men ze letterlijk opvat, het christendom in de betekenis waarin dat woord altijd werd verstaan, helemaal overbodig. Een aantal lezers zullen zonder twijfel van oordeel zijn dat hij de christelijke godsdienst heeft laten vallen; voor mij is hij tot niet veel meer bekwaam dan tot een hopeloze verwarring in zijn gedachten. Maar wanneer ik als opschrift voor het artikel dat hij schreef om zijn boek aan te bevelen, zie prijken, ons godsbeeld moet veranderen, dan weet ik dat «ons» het beeld is van de auteur.» 
 
Ikzelf heb een protestants hoogleraar horen verklaren: «Hij staat offside, ge moet hem uitfluiten en buitenfluiten. » 
 
Robinson raakte reële problemen aan die zowel filosofisch als theologisch van alle kanten reeds behandeld werden en die, voor zover dat met onze menselijke beperktheid mogelijk is, reeds een oplossing hadden gevonden. 
 
Daar is vooreerst het beeld van God. Sedert lang weten wij toch dat wij het Opperwezen niet in adequate begrippen kunnen definiëren en dat ieder spreken over God, naar het woord van Nicolaas van Cusa, een docta ignorantia, een geleerde onwetendheid is. 
 
Iemand die ernstig filosofie en theologie heeft gestudeerd, zal inzien dat God niet mag behandeld worden als een zaak die buiten ons staat, maar dat hij intimior intimo mei is volgens het woord van Augustinus, dat Hij mij meer inwendig is dan mijn eigen inwendigheid. 
 
Robinson schijnt daar plots iets van ontdekt te hebben, verzet zich tegen een God van «boven» en wil het Opperwezen alleen de diepste grond van mijn bestaan noemen. 
 
Terecht stelt R. Rouquette hieromtrent in Etudes de vraag: wanneer Robinson met grote nadruk verkondigt dat ons godsbeeld moet veranderen, welk god beeld was dan het zijne tot hiertoe? «Wij vragen ons werkelijk af, zo gaat R. Rouquette voort, wat voor soort theodicee (natuurlijke Godsleer) in de Anglicaanse instituten voor theologie onderwezen wordt.»(1) Soms geeft Robinson de indruk dat zijn Godsbeeld tot hiertoe dat was van een bejaarde man, met een lange witte baard die troont boven de wolken. 
 
Met zijn simplistische voorstellingen vervalt Robinson tot een vaag pantheïsme dat hem niet toelaat God een persoon te noemen. Een leergezag dat ook belang hecht aan de uitdrukkingsvormen van het geloof, had hem daarvoor kunnen behoeden. Maar dat bestaat bij de protestanten niet. Anderzijds is hij meermaals inconsequent. Soms schijnt voor hem God toch nog wel Iemand te zijn, een persoon dus. 
 
In «Honest tot God» wordt ook de christelijke belijdenis aangeraakt van de menswording, de dogmaverklaring namelijk van het concilie van Chalcedon dat in Christus één persoon en twee naturen ziet. Ook op dit gebied wil Robinson zich keren tegen een infantiele opvatting die God van boven de wolken langs een onzichtbare ladder naar beneden laat afdalen om mens te worden. Daartegenover noemt hij Jezus «de mens voor anderen» die zo'n leven van overgave heeft geleid dat God in hem gestalte heeft gekregen. Daar stelt Robinson tegenover de definitie van Chalcedon die volgens hem uit de Griekse filosofie stamt en de moderne mens niet meer aanspreekt. 
 
Ook hier is de gedachtegang van Robinson wat al te eenvoudig. Iemand die zeer goed de Griekse filosofie kent en ervan geleefd heeft maar dan later zich tot het christendom heeft bekeerd, schrijft hierover: «De geloofsleer in de Kerk, haar hele belijdenis was ons vreemd toen wij uit het Griekse denken tot haar kwamen. Niet het Griekse denken heeft ons de zin van dit kerkelijk belijden ontsloten. Helemaal niet. Daar was het lezen van de Schrift toe nodig, en welbeschouwd, een loslaten van wat de filosofie ons leerde en ons overgeven aan wat we hoorden hier: in de Schrift en in de Kerk.»(2) leder christen weet dat het niet mogelijk is een geloofsmysterie te omvatten. Maar ge kunt het wel vasthouden in de dogmaverklaring van de Kerk. Dat veronderstelt echter een sfeer van eerbied en vertrouwen. Die sfeer van vertrouwen wordt door Robinson stuk geslagen. Heel zijn pamflet ademt een geest van contestatie, die de aanzet is geworden voor de secularisatie van de godsdienst waardoor onze persoonlijke verhouding tot God uitsluitend in het horizontale vlak wordt gelegd en beperkt wordt tot onze relatie met de medemens en de wereld. Wie is nu eigenlijk in staat om te mediteren, is een vraag die de Anglicaanse bisschop stelde. Het is de verzoeking van wat Paulus de sarkikos anthropos noemt, de vleselijke, louter aardse mens. Die blijft sluimerend leven in iedere christen. 
 
De Theologen 
 
Naar mijn weten is Schillebeeckx de eerste geweest in het Nederlands taalgebied en misschien wel op heel het Europese continent die over «Honest to God» geschreven heeft, in een artikel dat gepubliceerd werd in Tijdschrift voor Theologie, 1963, nr, 3, p. 283-326. Zijn script beslaat ongeveer de helft van het besproken boek en is heel wat rijker aan inhoud. In het Nederlands geschreven, met een korte inhoud in het Engels, werd het opgemerkt door Engelse en Franse periodieken. Robinson wordt er ernstig opgenomen, maar zeer duidelijk afgewezen. 
 
In het tweede nummer van het Tijdschrift voor Theologie van 1964 verschijnt er een tweede bijdrage van E. Schillebeeckx over «Honest to God», even lang en even degelijk als de eerste. «Honest to God» was intussen bekend geraakt in Nederland en had er een daverend succes gekend. Men nam het niet dat E. Schillebeeckx er zich niet helemaal mee eens verklaarde en men verspreidde het gerucht dat hij «Honest to God» niet eens had gelezen. In het tweede opstel dat als titel droeg: «Herinterpretatie van het geloof in het licht van de seculariteit» en als ondertitel: «Honest to Robinson» - «Eerlijk tegenover Robinson» neemt Schillebeeckx minder afstand en geeft hij duidelijk toe aan de Robinsonmode. 
 
Iets dergelijks heeft zich ook voorgedaan met de theoloog P. Schoonenberg. Hij trad met enkele anderen op in een interview van de KRO (Katholieke Radio Omroep) over «Honest to God». De Robinsonrage was toen reeds aan de gang. Een pastoor kwam verklaren dat «Honest to God» voor hem een ware bevrijding was geweest. Schoonenberg stond als het ware tussen twee vuren. Als ernstig theoloog kon hij niet dezelfde taai spreken en anderzijds wilde hij zijn gesprekspartners niet voor het hoofd stoten. Hij had woorden van lof voor het boek van de Anglikaanse bisschop, maar liet dan toch ook weer uitschijnen dat hij het beschouwde als een modeverschijnsel. Na tien jaar zou men er niet meer over spreken. 
 
Maar niet zo veel later zal Schoonenberg in Tijdschrift voor Theologie en in Bijdragen, artikels publiceren over de christologie, waarin eigenlijk de prae-Existentie (het goddelijk voorbestaan) van Christus geloochend wordt. Zonder blozen zal hij daarbij verklaren dat hij onder de indruk gekomen is van Robinson. «Heeft Robinson exegetisch geen gelijk, zo schrijft hij, met pas in de mens Jezus Christus de tweede persoon der goddelijke Drieëenheid te kunnen erkennen,»(3) 
 
Een zwenking die rond deze tijd een aanvang neemt bij heel wat theologen. Zij verlaten de academie voor het forum waar zij uitdrukking geven aan een trend die als een wervelstorm over de Kerk woedt en heel wat geestelijke waarden neerhaalt. En sedert het concilie hadden de theologen het voor het zeggen: er zou niet meer veroordeeld worden. De neiging ontstond het leerambt van de hiërarchie te vervangen door het leerambt van de theologen. Op de derde en de vierde sessie van het concilie zou dat nog doorwerken. Ook een H. Küng maakte in deze tijd een draai naar links. Er valt een groot verschil te bespeuren tussen «Struktur en der Kirche» dat in 1962 verscheen en «Die Kirche» dat onmiddellijk na het concilie op de markt werd gebracht, maar ongetwijfeld reeds in 1964 leefde in het brein van de auteur. In het eerste boek spreekt een katholiek die nog vast gelooft in een hiërarchische Kerk, in het tweede een christen voor wie de Kerk alleen maar het Godsvolk onderweg is en de hiërarchie weinig betekent. Küng is wel niet onder de invloed geweest van Robinson, wel van het bedwelmend succes dat hem te beurt viel. Andere theologen beginnen het gevaar in te zien. Zij beschouwen zich op de eerste plaats als mensen van de Kerk en daarna als theologen. Zij merken dat het progressisme uit de hand loopt en zij beginnen te reageren. Een van de eersten om dit te doen was J. Daniélou weldra gevolgd door Urs von Balthasar, de Lubac en nog later door J. Ratzinger. 
 
Een derde soort theologen beperkt zich tot de theologie. Zij geven niet toe aan de mode en blijven orthodox. Maar zij onderkennen het gevaar niet en realiseren soms niet de negatief impact van hun stellingen op pastoraal gebied. Zij hebben iets van de naïviteit van geleerden. Zo waren (en zijn) K. Rahner en Y. Congar. 
 
Gelijklopend met deze frontvorming onder theologen deed zich in de Kerk, althans bij een zeker kaderpersoneel, een sociologisch fenomeen voor dat wij zonder aarzeling collectieve verdwazing noemen. «Een collectieve Verdwazing» was de titel van een boek dat de Nederlandse oudminister voor onderwijs, Marchant, schreef enige jaren vóór de oorlog. Het ging toen om de verdwazing van het nationaal-socialisme. «Collectieve verdwazing» kunnen wij ook de Robinsonrage noemen die de Kerk aangreep in de jaren '64. Robinson moest men gelezen hebben! Robinson was de toekomst! Wie hem niet volgde, kon niet meer mee. Op de Vlaamse televisie was er een uitzending over hem waar studenten van het Hoger lnstituut voor Filosofie van Leuven aan het woord kwamen. Pedant, oppervlakkig en intellectueel niet op niveau. Het bisdom Antwerpen gaf in het ceremonieel voor het Vormsel een geloofsbelijdenis uit: ik geloof in God, de grond van mijn bestaan. 
 
De secularisatie was begonnen. 
 
B. Boeykens S.J. 
 
(1) Etudes, 1964, p. 407. 
 
(2) C. De Vogel: »De Grondslag van onze Zekerheid», p. 237. 
 
(3) Bijdragen, 1964 «Over de Godmens», p. 166-187. 

Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht