• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Bijdrage 32

3/6/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 104 – SEPTEMBER 1980 

​Wij hebben er reeds meermalen op gewezen dat het conciliegebeuren zich niet alleen afspeelde in de concilieaula, maar ook daarbuiten. Daarom stoppen wij even met het relaas over de debatten om het te hebben over een en ander dat zich buiten de concilieaula heeft voorgedaan. 
 
Hoewel sommige vergaderingen in de concilieaula vrij bewogen waren geweest, verliepen de besprekingen over het algemeen nog vlot. Alle bisschoppen trouwens, van welke strekking ze ook waren, verlangden dat de zaken vooruitgingen. Er waren geen vertragingsmaneuvers meer zoals tijdens de tweede zittijd. En de spanningen die er bestaan hadden tussen de moderatoren en de algemeen secretaris (Mgr. Felici) schenen gladgestreken. Wanneer deze laatste liet weten dat voortaan de bar (thermopolium) eerst om 11 u. zou opengaan, werd deze waarschuwing op een sympathiek gelach onthaald. 
 
Toch bleef er bij een aantal vaders wrevel hangen omdat de bisschoppen als groep nog steeds beheerst werden door de «progressieven» met als kern de «Eurobisschoppen» waarin dan weer de bisschoppen uit de Duitssprekende landen het best georganiseerd waren en het meest actief. 
 
Coetus lnternationalis Patrum 
 
Wat niet kon uitblijven gebeurde: er ontstonden groepen om het evenwicht te vormen ten opzichte van de Eurobisschoppen. 
 
Zo werd gedurende de derde sessie de St. Paul's Conference opgericht door Mgr. Heenan, voorheen bisschop van Liverpool en nu onlangs tot aartsbisschop van Westminster en primaat van Engeland aangesteld. Heenan speurde onraad omtrent het schema over Kerk en Wereld dat tijdens de derde sessie moest behandeld worden, vooral dan wat de huwelijksmoraal betreft. Zijn vereniging bestond vooral uit bischoppen uit de Commonwealth, aangevuld door Ieren en Noord-Amerikanen. Zij hielden zich vooral bezig met problemen uit de moraal. Een zekere oppositie tegen de algemene trend van het concilie werd ook gevoerd door kardinaal Siri van Genua. Hij liet veel documenten drukken die commentaar gaven op de concilieschema's en die ruim verspreid werden onder de bisschoppen van Italië, Spanje en Zuid-Amerika. 
 
Zowel de St.- Paul's Conference als de actie van kardinaal Siri werden doodgezwegen door de pers die helemaal in de greep was van de «progressieven». Dit was niet zo met de Coetus Internationalis Patrum omdat, als wij het zo mogen uitdrukken, voor een keer de kinderen van het licht sluwer waren dan die van de duisternis. De Coetus Internationalis Patrum gaf iedere week een conferentie en was zo bedrijvig dat de pers deze vereniging onmogelijk kon ignoreren. In dagbladartikels, tijdschriften en boeken werden de meest giftige pijlen op de coetus afgeschoten. De vereniging werd voorgesteld als het summum van conservatisme en als een groep die het niet te stuwen dynamisme van het concilie wilde remmen. 
 
De groep bestond reeds tijdens de eerste sessie. De eerste stoot was gegeven door Mgr. de Proença Sigaud, aartsbisschop van Diamantina in Brazilië. Mgr. Marcel Lefebvre, generaal van de spiritijnen, was een van de eersten die zijn steun verleende en een leidende figuur in de vereniging werd. Het genootschap had heel wat medewerkers en sympathisanten aangeworven die vooral geërgerd waren door de aanvallen op de Romeinse curie waarin zij een aanslag zagen op de Heilige Vader. Tot dan het praatje in omloop werd gebracht dat de privé-secretaris van Johannes XXIII, Mgr. Capovilla, aan iemand had verklaard dat de paus de kritiek op de curie niet als tegen hem gericht beschouwde. Vandanaf werd het gezelschap van Mgr. de Proença Sigaud en van Mgr. Lefebvre door velen gemeden. Zij deden immers aan groepsvorming wat men, formeel althans, van de Eurobisschoppen niet kon zeggen. Daar immers bestond alleen een taalgroep (de Duitse), een natuurlijke binding dus. De contacten van deze groep met kardinalen en bisschoppen uit Frankrijk, België, Nederland en andere landen waren wel frequent en intensief maar misten ieder vaste verenigingsvorm. 
 
Toch ontving gedurende de tweede sessie, de coetus versterking van heel wat concilievaders die er zich moeilijk konden bij neerleggen dat het concilie geen afzonderlijk stuk uitvaardigde over Onze-Lieve-Vrouw. Nochtans durfde nog geen enkele kardinaal zich bij de groep van de Braziliaanse aartsbisschop aansluiten. Dat gebeurde pas tijdens de derde sessie. De 29ste september 1964 aanvaardde kardinaal Santos, aartsbisschop van Manila, de taak om als woordvoerder van de Coetus te dienen in het Heilig College. Onmiddellijk daarop wilden ook de kardinalen Ruffini, Siri, Laraona en Browne als beschermheren optreden. 
 
De Coetus kocht toen een offset-rotative en wist zich vlak naast het Vaticaan te installeren met het nodige personeel voor een secretariaat. Vanuit dit secretariaat vertrokken toen veel documenten zodat de Eurobisschoppen er door geprikkeld werden. De Katholische Nachrichten Agentur, een katholiek persagentschap dat financieel gesteund werd door de Duitse bisschoppen, bestempelde de activiteiten van de Coetus als aartsconservatieve drijverijen van mensen die in het geheim de doelstellingen van het concilie tegenwerkten. 
 
De Brief van de Kardinalen 
 
Terwijl de debatten in de concilieaula dus tamelijk rustig verliepen en er op sommige ogenblikken zelfs een euforiestemming bleek te bespeuren, werd buiten de aula een harde strijd gestreden tussen de progressieve en traditionele krachten. Tegenover de persconferenties van de Coetus Patrum, gingen de progressieve theologen voort met hun lezingen om de bisschoppen te beïnvloeden. Zo had de stilaan berucht geworden theoloog H. Küng in september 1964 een voordracht gegeven over de waarachtigheid, waarin hij het had tegen geheime praktijken van de Romeinse curie. 
 
En zo'n milieu is natuurlijk een gunstige voedingsbodem voor allerlei geruchten. De 10e oktober werd er een nieuws rondgestrooid dat bij velen onrust baarde. Twee dagen later kreeg het een vaste vorm in een mededeling van het Centro latino-americano de Información en in een artikel van de Italiaanse krant Il Messagero. 
 
Volgens deze berichten had kardinaal Bea, voorzitter van de commissie voor de eenheid onder de christenen, twee brieven ontvangen van de algemene secretaris van het concilie waarin hem vanwege hogerhand (auctoritas superior) gevraagd werd de Verklaring omtrent de Joden te herleiden tot een korte paragraaf die in het schema over de Kerk moest worden ingelast, en de Verklaring over de Vrijheid van Godsdienst, grondig te herwerken. Deze herwerking werd toevertrouwd aan een gemengde commissie, genomen uit de commissie voor de eenheid onder de christenen en de theologische commissie. Daarenboven zouden er vier leden aan toegevoegd worden die reeds benoemd waren: de Ierse dominicaner kardinaal Browne, pater Fernandez, generaal van de dominikanen, kardinaal Lefebvre en Mgr. C. Colombo, theoloog van de paus. Onmiddellijk werd er hardnekkig beweerd dat Il Messagero zich vergist had (met opzet?). Het ging niet om kardinaal Lefebvre, aartsbisschop van Bourges, maar om zijn neef, Mgr. Marcel Lefebvre van de Coetus lnternationalis Patrum. 
 
Vooral wegens deze laatste was de opwinding zeer groot. Hij was niet alleen één van de topfiguren van de Coetus, maar hij had in het debat over de vrijheid van godsdienst een tussenkomst gehouden waardoor hij het bewijs had geleverd (aldus heel wat progressieve zegslieden) van heel de zaak niets te begrijpen(1). 
 
Er werd op gewezen dat zijn benoeming tegen de vrijheid van het concilie was. Mgr. Marcel Lefebvre was wel door paus Johannes XXIII benoemd tot lid van de voornaamste (overkoepelende) praeconciliaire commissie maar het concilie zelf had hem in geen enkele commissie opgenomen. 
 
In dit gespannen klimaat verscheen in het Franse dagblad Le Monde van 17 oktober, een brief van 17 kardinalen aan de H. Vader. Deze brief was doorgegeven door een van de ondertekenaars aan H. Fesquet, conciliejournalist van Le Monde. Men vertelde dat sommige kardinalen die hun handtekening onder het schrijven hadden gezet, woedend waren. Met zoiets aan de publieke opinie prijs te geven wordt de sereniteit van de conciliedebatten natuurlijk niet bevorderd en tot hiertoe was zo'n handelwijze in de vorige concilies, die geheim waren, nooit voorgekomen. Anderen spraken van openheid en dat het eens en voorgoed gedaan moest zijn met de geheimzinnigheid van de curie. De vraag werd ook gesteld wat auctoritas superior betekende: werd daarmee de paus bedoeld of een curiekardinaal? 
 
Aan de brief, in sierlijk Latijn opgesteld, was ongetwijfeld vlijtig gewerkt. Hij ving aan, bijna zoals een encycliek, met een fraaie Latijnse stijlfiguur: magno cum dolore, met grote droefheid. 
 
Daarmee werd dan heel de toon van het geschrift weergegeven. Met grote droefenis hadden de briefschrijvers vernomen dat de Verklaring over de Vrijheid van Godsdienst naar een soort gemengde commissie werd verzonden, hoewel zij overeenstemde met het verlangen van de meerderheid van de concilievaders. Er wordt beweerd dat reeds vier leden van deze commissie werden benoemd en dat drie van hen de richting van het concilie niet volgen. Indien deze Verklaring er niet doorkomt, zo stond er in de brief, dan zal dit grote schade berokkenen aan de Kerk. Daarom richten de ondertekenende kardinalen het verzoek tot Zijne Heiligheid de Verklaring de gewone procedure van het concilie te laten volgen. 
 
Wat was er nu allemaal gebeurd? 
 
Wat de eerste brief over de Verklaring omtrent de Joden betreft, weet men het niet goed. Het schijnt wel waar te zijn dat de H. Vader verlangde dat deze Verklaring een aanhangsel werd van het schema over de Kerk, dit om tegemoet te komen aan de wensen en zorgen van de Oosterse bisschoppen. 
 
Omtrent de tweede brief over de Verklaring van de Vrijheid van Godsdienst, is veel meer te doen geweest. Aan het begin staat de grote bezorgdheid van paus Paulus VI dat het concilie een echt concilie zou zijn en geen parlement. Dat wil zeggen dat iedere opinie met eerbied moet behandeld worden en voor zover zij niet een totaal marginaal geval uitmaakt, ook haar weerslag moet hebben in de conciliedecreten. Daar komt bij dat de concilievaders te weinig de geplogenheden van de curie kenden. De curie is wel het verlengde van de paus. Een curiekardinaal heeft dus zelf geen beslissing te nemen. Een bisschop wel, want hij is heel wat meer dan een ambtenaar van de H. Vader (2). Maar in de curie was gezag delegatie een algemene regel. De paus had aan Mgr. Felici de zorg overgelaten om een paar bisschoppen te benoemen die hun bezwaren tegen het schema over de godsdienstvrijheid het scherpst hadden geformuleerd. Mgr. Felici heeft dat niet eens zelf gedaan, maar het toevertrouwd aan Mgr. Morcillo die de interventies moest regelen. En deze, die bekend stond om zijn gematigdheid, had Mgr. Lefebvre aangewezen omdat in zijn referaat de bezwaren van de minderheid het scherpst en het duidelijkst waren geformuleerd. De brief van de kardinalen aan de paus was het resultaat van een samenkomst van 10 kardinalen ten huize van kardinaal Frings de 10de oktober. Negen onder hen hebben de brief ondertekend: Frings (Keulen), Döpfner (München), König (Wenen), Ritter (Saint-Louis), Meyer (Chicago), Alfrink (Utrecht), Léger (Montreal), Lefebvre (Bourges) en Silva (Santiago). Kardinaal Bea die ook aanwezig was, heeft niet getekend. Kardinaal Suenens die in België verbleef voor een paar dagen, maar er natuurlijk wilde bij zijn, heeft telefonisch zijn instemming gegeven. Later werd de groep nog aangevuld door 7 kardinalen zodat heel deze zaak weleens de affaire van de 17 kardinalen wordt genoemd. 
 
De ontknoping was op zijn Romeins: geven en nemen. Kardinaal Frings verkreeg een lang onderhoud met de paus. De gemengde commissie werd behouden, maar Mgr. Marcel Lefebvre werd geschrapt. 
 
Heeft het concilie hier een kans gemist om een moeilijk probleem door te praten? Kardinaal Frings althans heeft na het concilie in beperkte kring twijfels geuit omtrent de rol die hij op het concilie heeft gespeeld (3). 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
(1) Cf. Onze korte Conciliegeschiedenis(27), Positief, nr. 99, februari 1980, p. 51. 
(2) Cf. Onze korte Conciliegeschiedenis, Positief, nr. 83, juni 1978, p.170. 
(3) «Kardinaal Frings in Rückblick», p. 15, te verkrijgen bij Presseamt des Erzbistums Köln (Pek), Marcellenstrasse 32, 5000 Keulen 1.


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht