• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Bijdrage 38

3/6/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 110 – MAART 1981 

​Wanneer de bespreking over de missies en over het schema 13 werden afgesloten, was men nog elf dagen verwijderd van de einddatum van de derde sessie. Er bleven nog 4 schema's over die door het plan Döpfner fel waren ingekort: de religieuzen, de seminaries, de christelijke opvoeding en de sacramenten. Het concilie begon tekenen van vermoeidheid te tonen, eigen aan ieder vergadering die wat lang geduurd heeft. Toch waren de overblijvende schema's van belang en hadden zij zelfs voor wat deining gezorgd achter de schermen. 
 
De Religieuzen 
 
Aanvankelijk was er voor de religieuzen niets voorzien in de Constitutie van de Kerk. De generale kloosteroversten waren toen in actie getreden en met succes. De Constitutie van de Kerk zou niet achteloos aan de kloosterlingen voorbijgaan.(1) 
 
Er was echter ook een afzonderlijk schema voor de religieuzen. Sterk ingekort door het plan Döpfner, werd het op 10 november 1964 aan de vaders voorgesteld. 
 
Nadat Duitse en Belgische bisschoppen en periti, hierin ook gesteund door sommige Fransen, er niet in geslaagd waren een Constitutie over de Kerk op te stellen zonder gewag te maken van de religieuzen, streefden zij er naar alle religieuzen in te schakelen in het apostolisch werk onder leiding van de bisschop. Tevens wilden zij een hervorming van de kloosters in de zin van «aanpassing aan de nieuwe tijd». Zelfs de contemplatieve orden moesten ook die weg opgaan. Tevens beoogden zij een soort standaardisering van de kloosters waarin ieders eigenheid dreigde ten onder te gaan. 
 
De generale oversten zagen het gevaar en bleven niet inactief. Het resultaat was een schema dat niemand voldoening gaf maar waar de kloosteroversten zich toch achter stelden om iets ergers te vermijden. De anderen zouden alles in het werk stellen om het als discussieschema te verwerpen. 
 
De eerste dag van het debat in de concilieaula was kardinaal Spellman van New-York de enige spreker. Hij was voor het behoud van het kloosterleven en vreesde dat een te grote toegekeerdheid naar de wereld het religieuze charisma zou vernietigen. Derhalve stelde hij een gematigde aanpassing voor die alleen secundaire en accidentele aspecten van het religieuze leven raakt. Wij vergissen ons, zo argumenteerde hij, als wij in het religieuze leven alleen een vorm zien van het lekenapostolaat, beoefend door mensen die geloften hebben afgelegd. De grote waarden integendeel van het religieuze leven zijn armoede, zuiverheid, gehoorzaamheid, gebed en boete. In zijn bisdom zijn 8.000 vrouwelijke religieuzen die tot hiertoe hard werken, hun regel onderhouden en een leven leiden van gebed en versterving. De laatste jaren echter waren velen onder hen in verwarring geraakt omdat men onvoorzichtig en met weinig zin voor verantwoordelijkheid ideeën had gelanceerd over de modernisering van het kloosterleven. Het was een nauwelijks bedekte aanval op kardinaal Suenens die in Amerika lezingen had gehouden over de apostolische promotie van de religieuzen. 
 
Op het concilie zelf had kardinaal Suenens een intense publiciteit gevoerd voor zijn eigen boeken over de vrouwelijke religieuzen. Dat had heel wat kloosterlingen-bisschoppen geïrriteerd. De kardinaal miste volgens hen begrip en waardering voor het echte kloosterleven. Hij veronachtzaamde het inwendig gebed en scheen in de religieuzen alleen maar hulptroepen te zien voor het apostolaat. Maar had men de kardinaal wel altijd goed begrepen? 
 
In de concilieaula legden de kloosterlingen-bisschoppen de nadruk op het gebedsleven van de religieuzen. En in dit verband vroegen zij dat de functie van de contemplatieve instituten duidelijker in het licht zou worden gesteld. Het waren juist leden van actieve orden die de verdediging van de contemplatieven op zich namen. Zij wisten wel dat wanneer men de contemplatieve orden en congregaties niet naar waarde schat, dit ook zijn invloed zal hebben op de actieve kloosters waar eveneens moet gebeden worden om het bovennatuurlijk karakter van het apostolaat te vrijwaren. 
 
Zo kwam de franciscaner kardinaal Landàzuri Ricketts van Lima (Peru) ertegenop dat men te veel beroep deed op contemplatieve orden om taken waar te nemen die niet overeenkomen met de geest van hun instituut. 
 
De Italiaanse aartsbisschop van Lanciano, eveneens franciscaan en voorzitter van de vereniging van bisschoppen-kloosterlingen, vond dat men de verscheidenheid der roepingen moest bewaren en dat in het religieuze leven een zekere vorm van activisme vermeden diende te worden. Onder de oorzaken van het afnemen van roepingen van vrouwelijke religieuzen, noemde hij de onbehoedzame beweringen van priesters die voor het religieuze leven geen achting hebben en soms de meisjes er direct van afhouden de weg van heiliging op te gaan. 
 
Ook jezuïeten-bisschoppen lieten zich niet onbetuigd. Volgens de Franse jezuïet-missiebisschop Mgr. Sartre, oud-missionaris op Madagaskar, moet het inwendig leven altijd op de eerste plaats komen en diende het concilie de houding te veroordelen van die priesters die het religieuze leven afraden onder voorwendsel dat men tegenwoordig in de lekenstaat nuttiger kan zijn en beter de heiligheid bereiken. 
 
Volgens de jezuïet-missiebisschop van Georgetown (Brits-Guyana), Mgr. Guilly, is ook het contemplatieve leven apostolisch want het legt op zeer volmaakte wijze getuigenis af van het Evangelie. 
 
Ook enkele generaal-oversten mengden zich in het debat. Wat zij ontwikkelden was evenwichtig en wijs, open voor vernieuwing maar die dan moest doorgevoerd worden met de nodige voorzichtigheid. Pater Anastasio, generaal van de karmelieten en tevens voorzitter van de Romeinse vereniging van hogere oversten, legde er de nadruk op dat men moest vermijden dat de woorden «hernieuwing» of «aanpassing» aanleiding zouden geven tot misverstand. Wezenlijk betekenen zij twee dingen. Terugkeer tot de oorspronkelijke ijver en aanpassing aan de tijd. Aldus wordt zowel een immobilisme vermeden als een zucht naar verwereldlijking en verlichting van de regels. 
 
Pater Fernandez, generaal van de dominicanen, wilde een internationale school stichten voor novicemeesters en geestelijke leiders. Hij pleitte ook voor een theologische vorming van de kloosterzusters. 
 
Er werden ook andere klanken gehoord. 
 
Kardinaal Döpfner scheen het eigen charisma van de ordestichters helemaal over het hoofd te zien. Hij uitte de wens dat de kloosterlingen zouden loskomen van bepaalde vormen van spiritualiteit en zich voeden aan de Heilige Schrift en de liturgie. Omdat dit in het schema te weinig uitkomt, moet het verworpen worden. 
 
Ook kardinaal Suenens verklaarde dat het schema hem niet beviel. En hij zette dan met overtuiging zijn opvatting uiteen over het kloosterleven van de vrouwelijke religieuzen. Vooral de menselijke kwaliteiten van de zusters moesten ontwikkeld worden. De geestelijke vorming van de actieve congregaties mag geen kopie zijn van de contemplatieve orden. In plaats van de versterving en de onthechting dient meer het apostolisch aspect beklemtoond te worden. De zusters tenslotte moeten opgevoed worden tot volwassen vrouwen en de gelofte van gehoorzaamheid mag niet leiden tot infantilisme. Kardinaal Suenens wilde de scheiding van de wereld minder radicaal. De zusters in het onderwijs b.v. zou de mogelijkheid moeten gegeven worden om de gezinnen van haar leerlingen te bezoeken en dan daar geestelijke invloed uit te oefenen. En natuurlijk verlangde de kardinaal de modernisering van de kleding van de kloosterzusters. 
 
Wanneer men de tussenkomsten van de bisschoppen aanhoorde, leek het erop dat zij vooral de vrouwelijke religieuzen op het oog hadden. Alleen de hulpbisschop van Sydney (Australië), Mgr. Carroll, gaf enkele pertinente ideeën ten beste over de broeders-religieuzen, vooral dan de broeders die zich wijden aan het onderwijs. Hij sprak in naam van 440 bisschoppen. 
 
De bisschop wilde dat het concilie zou waarschuwen voor bepaalde opvattingen die de ronde deden bij heel wat priesters, dat namelijk het kloosterwezen zonder het priesterschap van weinig betekenis is. Hij was van oordeel dat men de broeders niet tot priester of tot diaken moest wijden, want ze hebben een eigen roeping. Ook indien zij de nodige geschiktheid daartoe hebben, verzaken zij aan het priesterschap om vanuit de evangelische raden zich beter te kunnen wijden aan hun opvoedkundige taak. Wel was hij voorstander van een goede theologische en catechetische vorming en hij vroeg dat de priesters iedere zweem van minachting voor de broeders zouden afleggen. Op religieuze congressen moeten ook zij worden uitgenodigd. 
 
Het was goed dat tenminste één bisschop over de broeders had gesproken en dan uit naam van talrijke andere bisschoppen. De broeders waren eigenlijk de enigen die zich niet hadden doen gelden op het concilie. Er was reactie geweest bij de priesters omdat op het concilie alles rond de bisschoppen, de leken en de afgescheiden christenen scheen te draaien. De priesters-kloosterlingen hadden hun stem verheven omdat men hen was voorbijgegaan. Vaak had men erop gewezen dat men de vrouwelijke religieuzen niet mocht vergeten. Over de congregaties van broeders was er nauwelijks een woord gerept. Toch hadden de broeders niet het minste teken van ontevredenheid gegeven. Daarin waren zij consequent evangelisch. Dat is een diepe trek van het religieuze leven. Juist omdat zij geen priester zijn, vindt men bij de broeders het religieus charisma in zijn meest zuivere vorm. 
 
Na de bespreking werd er gestemd over de vraag of de vaders wensten, ja dan neen, dat er na de discussie over het schema over de aangepaste vernieuwing van het religieuze leven overgegaan zou worden tot de stemming over de afzonderlijke 20 proposities. 
 
De uitslag was: 1155 stemmen voor, tegen 883 en 5 onthoudingen. De absolute meerderheid was bereikt. Er zou over de afzonderlijke proposities gestemd worden. 
 
«Defeat for the moderators» «Nederlaag voor de moderatoren» zo betitelt Wiltgen de geschiedenis van het religieuzen-schema dat eindigde op deze stemming en deze uitslag.(2) 
 
Hij beweert dat de kardinalen Döpfner en Suenens dit resultaat niet verwacht hadden en dat het voor hen een ontgoocheling betekende.
 
Intussen werd er gemaneuvreerd zowel door de twee kardinalen als door het secretariaat van de kloosterlingen-bisschoppen om er zoveel mogelijk «modi» door te krijgen. Maar hier ook trokken de kloosterlingen aan het langste eind. Zij waren niet zozeer tegen Döpfner en Suenens om wat zij in het schema wilden binnenbrengen maar wel om wat zij er begeerden uit te halen. Het decreet over de religieuzen zou alles samen klassiek zijn en traditioneel. 
 
Doch intussen waren al heel wat generale oversten aan het werk gegaan om een algemeen kapittel bijeen te roepen zonder het conciliedecreet over de religieuzen af te wachten. De «geest van het concilie» drong door de kloostermuren en dat was een geest van toegekeerdheid naar de wereld. Welnu het religieuze leven bestaat juist in een zich terugtrekken uit de wereld. De identiteit van het kloosterleven zal door deze dubbelzinnigheid aangetast worden. Hierbij mogen wij er eens even aan denken dat geen enkele orde of congregatie werd gesticht of hervormd door een concilie. Alleen heiligen zijn daartoe in staat. 
 
De Opleiding van de Priesters 
 
Dit concilie dat alles wilde behandelen, moest dan ook wel iets naar voren brengen over de opleiding van de priesters. Ook op dit gebied bestond er in de Kerk een eeuwenoude instelling die haar proeven had geleverd, de seminaries. Met de universiteiten vormen zij een stuk van onze Westerse cultuur. De universiteiten stammen uit de middeleeuwen, de seminaries zijn een creatie van het concilie van Trente. De seminaries werden opgericht om de priesters een academische en spirituele vorming te geven. Zes jaren studie en opleiding in internaat-verband werden vastgelegd. Dat was in de tijd van het concilie van Trente langer dan voor de meeste andere disciplines. Van die zes jaren werden er twee besteed aan de studie van de filosofie en andere profane vakken, vier aan die van de theologie. 
 
Moest er in de opleiding van de priesters «vernieuwd» worden? 
 
In de «golden sixties» kreeg men last met de jeugd. Zoals altijd en overal waar er te veel weelde is. Het zou losbreken in de jaren '68. Ook de seminaries waren niet gespaard gebleven van zekere decadentie-verschijnselen onder de studenten. Ook hier had men wel eens te doen met verwende kinderen die moeilijk tucht konden verdragen. Moest er daarom iets veranderd worden in de seminaries? 
 
Hadden de seminaries ook geen behoefte aan een Aggiornamento? Moest de «geest van het concilie», dat is openheid op de wereld, hier niet worden toegepast? Hadden de jonge seminaristen genoeg contact met de wereld om later met de nodige bekwaamheid op dit gebied hun taak aan te vatten? 
 
Dat waren vragen die ronddoolden in de hoofden van veel bisschoppen. Zou een concilie hier iets aan kunnen doen? Het schema over de seminaries was ook drastisch ingekort en, zoals het schema voor de religieuzen, herleid tot enkele proposities. Maar eigenaardig genoeg waren die proposities wanneer zij de 13e november 1964 aan de vaders werden aangeboden, merkelijk langer geworden. Men vertelde dat de Duitssprekende bisschoppen hier weer eens actief waren opgetreden. Zij waren inderdaad in mei 1964, tussen de tweede en de derde sessie dus, te lnnsbruck samengekomen en hadden daar een wisselschema opgesteld dat voor 90% overeenkwam met het project dat in de concilieaula ging besproken worden. Bij de samenstelling van het document althans moet de concilie-commissie op een of andere manier erin geslaagd zijn om aan de invloed van de curie-congregatie voor de seminaries en universiteiten te ontsnappen. Zo pakte de eerste propositie uit met het beginsel dat de opleidingsprogramma's voor de seminaries aangepast moesten worden aan de plaatselijke omstandigheden volgens de richtlijnen van de bisschoppenconferenties. Wat natuurlijk de goedkeuring kreeg van de grote meerderheid van de bisschoppen. 
 
Een verder punt dat besproken werd, was dat van de kleinseminaries, internaten waar leerlingen reeds tijdens hun middelbare studies voorbereid worden op het priesterschap. Reeds in bijeenkomsten van bisschoppen en periti en ook in de wandelgangen was stevig gediscussieerd over de voor- en nadelen van de kleinseminaries. Ook in de concilieaula waren de opinies over de kleinseminaries duidelijk verdeeld. 
 
Kardinaal Ruffini van Palermo was ervoor. Hij citeerde een aanbeveling van het concilie van Trente die voorhoudt dat roepingen moeten bevorderd worden vanaf de prilste jeugd en hij was van oordeel dat daar waar geen kleinseminaries bestonden, ze moesten worden opgericht. 
 
Kardinaal Döpfner van München was ertegen. De seminaristen van bij ons, zo wist hij te vertellen, komen in meerderheid van gewone middelbare scholen en niet van kleinseminaries. Een diep christelijke familie is voor de roepingen van groter belang dan een kleinseminarie. 
 
Scherpe tegenstellingen kwamen ook naar voren omtrent de plaats van de heilige Thomas van Aquino in de studies van het seminarie. De Kerk staat als zodanig achter geen enkele theologische school en zeker niet achter een filosofisch systeem. Maar in het onderwijs van de theologie en de filosofie moet er een zekere vastheid zijn en komt het eropaan te onderwijzen in de lijn van die leermeesters die de leer het meest nauwkeurig en met de meest logische coherentie hebben weergegeven. Daarom hebben de pausen steeds verwezen naar de heilige Thomas als een te volgen filosoof en theoloog op haar seminaries en universiteiten. 
 
Onze tijd echter kent grote filosofen wier denken aansluit bij de gegevens van de Openbaring en die geen thomist zijn. Er zijn ook stromingen geweest in de theologie die, in tegenstelling met sommige epigonen van de H. Thomas, een groter aandeel wilden geven aan de bijbel en de kerkvaders. 
 
Aldus viel kardinaal Léger van Montréal het begrip «philosophia perennis» «eeuwige filosofie» aan zoals het in het schema voorkomt.(3) Men mag de scholastieke filosofie, zo beweerde hij, niet bestempelen als «eeuwige filosofie» want er bestaan vele ver uiteenlopende scholen van scholastieke filosofie en St.-Thomas heeft zelf geschreven dat het tegen de natuur van de filosofie ingaat autoritair (ex autoritate) te werk te gaan in plaats van redelijk (ex ratione). En voor de theologische studies zou hij willen dat de leer van St.-Thomas niet wordt opgelegd, maar dat de Aquiner wel wordt voorgesteld als meester en voorbeeld. Tegenover het «ne sis vir unius libri» stelde hij het «ne sit Ecclesia unius doctoris». Zoals wij geen mensen mogen zijn van één boek, zo mag de Kerk niet zweren bij één kerkleraar.
 
De curiekardinaal Bacci verklaarde daarop geschokt te zijn over de manier waarop sommigen de H. Thomas behandeld hadden in de algemene congregatie. De H. Thomas is door zoveel pausen verheerlijkt en aanbevolen! Wie daar geen rekening mee houdt, verwekt de indruk dat het concilie niet alleen boven maar zelfs tegen de pausen staat. 
 
Verder waren nog tussenkomsten die het belang van de karaktervorming en de spiritualiteit onderstreepten. 
 
Volgens Mgr. Charue van Namen moet de vorming van de seminaristen degelijk en streng zijn. Zij moeten opgeleid worden voor het inwendig gebed. De apostolische gerichtheid is wel goed, maar de verbondenheid met Christus is nog belangrijker. 
 
(3) De term «Philosophia perennis» werd voor het eerst gebruikt door de Italiaanse humanist A. Steuchus in zijn boek «De philosophia perenni» (1540). Hij tracht in dit werk een zekere overeenkomst aan te tonen tussen de wijsheid van de klassieke oudheid en de oergegevens van de Openbaring. De neoscholastiek heeft dit woord aangewend om blijvende gegevens aan te duiden van de filosofie van Plato, Aristoteles en Thomas. Tegenwoordig worden verschillende betekenissen aan deze zegswijze gegeven. Voor Huxley is het de convergerende wijsheid van alle culturen. Voor K. Jaspers zijn het de constanten van een zekere filosofische traditie. 
 
De Poolse bisschop van Wloclawek, Mgr. A. Pawlowski, wees op het belang van de biecht, de geestelijke leiding en de devotie tot Maria. 
 
Mgr. A. Rivera Damas van San Salvador hecht veel belang aan de oefeningen van godsvrucht. Hij vond ook dat het schema de noodzakelijkheid van de tucht moet vermelden. Want sommige seminaristen verdragen geen discipline meer en als in het schema de tucht onvermeld wordt gelaten dan gaan ze denken dat hun kritiek gerechtvaardigd is. 
 
Na het debat werd het woord gegeven aan Dom Luis Marcos, pastoor van de Addolarata te Madrid. Hij sprak in naam van de pastoors die uitgenodigd waren geweest een zitting van het concilie bij te wonen. 
 
Hij vroeg dat het concilie iets zou zeggen over de parochies. Hij vond het goed dat men de onafzetbaarheid van de pastoors afschafte, maar verwachtte ook dat de nieuwe codex van het kerkelijk recht een zekere stabiliteit in het pastorale ambt zou veiligstellen. 
 
Zeer eerbiedig formuleerde hij het verlangen dat het aan de pastoors zou toegelaten worden het sacrament van het Vormsel toe te dienen en dat de jurisdictie van de priesters om biecht te horen niet zou beperkt blijven tot hun bisdom, maar uitgebreid worden over heel het land, waarin zij wonen. 
 
Daarna ging men over tot de stemming over het schema van de priesterseminaries. Met een grote meerderheid kwamen alle proposities erdoor. Wel waren er heel wat «modi» ingediend. Zij moesten dienen om het schema nog wat bij te werken. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
(1) Onze korte conciliegeschiedenis (18), Positief, nr. 85, oktober 1978, p. 236-240. 
(2) «The Rhine flows into the Tiber», p. 212. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht