• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Nog eens de Joden

3/6/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 100 – MAART 1980 

​Wegens de niet voorziene weerklank op politiek gebied was het hoofdstuk over de Joden, dat deel uitmaakte van het schema over het oecumenisme, door de invloed van kardinaal Bea en ook wel van de paus, tijdens de tweede sessie door de moderatoren verschoven naar de derde. Intussen werd de zaak fel besproken zowel in de Joodse pers als in die van de Arabische landen. 
 
Het was een verrassing dat de Joden zoveel gaven om wat de Katholieke Kerk over hen zou zeggen. Het prestige van de Kerk moet toch wel groot geweest zijn. 
 
Het concilie kon hier moeilijk terug. Want dit zou betekenen dat het geen stelling wilde of durfde nemen ten opzichte van het anti-semitisme. De Joden en ook anderen zouden het zo uitleggen dat de Kerk van vandaag nog altijd de Kerk was die de Joden had vervolgd en ze zoveel leed had aangedaan. 
 
Dit zou des te negatiever overkomen in de wereldopinie dat sindsdien het schokkende toneelstuk van R. Hochhuth «Der Stellvertreter» verschenen was. Dit letterkundig gewrocht is van een ongehoorde gemeenheid en leugenachtigheid waar het Pius XII ervan beschuldigt dat hij zich onvoldoende heeft verzet tegen de nazi-vervolgingen van de Joden. Het lijden van de Joden onder het Hitleriaans regime wordt er in soms hartroerende taferelen in beschreven. Hoewel iedereen die de oorlog had doorgemaakt en zich voldoende had geïnformeerd (de schrijver zelf was daar te jong voor), kon weten dat de aantijgingen van Hochhuth lasterlijk waren, bleef er van deze kwaadwillige beschuldigingen toch altijd iets hangen. Konden de bisschoppen in die sfeer een conciliestuk dat gunstig sprak over de Joden opnieuw intrekken? 
 
Dat vroegen nochtans de concilievaders van de Oosterse Kerken. Want zij zagen het anders. Zij wonen midden de Mohammedanen en zijn Arabieren zoals zij. In hun opvatting wilde het wereldzionisme druk uitoefenen op de concilievaders om de katholieken tegen de Arabieren op te zetten op het ogenblik waarop deze laatsten de wereldopinie wilden sensibiliseren voor de ellende die de Joden de Palestijnen hadden aangedaan. Daarenboven vreesden de Arabische volkeren dat het conciliestuk over de Joden een eerste stap was naar het erkennen van de Israëlische staat door het Vatikaan(1 ). 
 
Ook hier merkt men het grote prestige van de Rooms-Katholieke Kerk. Maar daarmee stond het concilie als het ware tussen twee vuren. Het zou moeilijk zijn beide partijen tevreden te stellen. Het gevaar stak erin dat men zich van de twee kanten gekwetst zou voelen. 
 
Mohammedanen en niet-Christenen. 
 
Toen de bespreking over het hoofdstuk van de Joden werd ingetrokken, was dat omwille van de Arabieren. Zo'n hevige reacties van hun kant had men niet voorzien. En hun moeilijkheden met de Joden niet ten volle gerealiseerd. 
 
Een eerste beweging was dan iets te doen voor de Mohammedanen. Het hoofdstuk over de joden vond ongetwijfeld zijn oorsprong in de algemene pro-Joodse stemming van na de oorlog. Het concilie had zich echter op religieus terrein geplaatst en de banden van het Christendom met Israël onderstreept. Maar ook de Islam had iets gemeenschappelijks met het christendom. De Mohammedanen aanbidden dezelfde God als de Christenen en de Joden, die zich heeft geopenbaard op de berg Horeb. 
 
Tijdens de reis van de paus naar Palestina trouwens waren de verhoudingen met de Mohammedanen bijna hartelijker geweest dan met de Joden. De idee kwam dan naar voren het hoofdstuk over de Joden los te haken van het schema over het oecumenisme en het als een aanhangsel te behandelen waarin dan ook de verhouding van het christendom tot de Islam aan bod zou komen. 
 
Maar dat raakte dan weer een ander probleem. Reeds op de eerste sessie hadden sommige vaders de gedachte geopperd dat het concilie iets zou uitvaardigen over niet-Christenen. Men streefde er zelfs naar een secretariaat voor de niet-Christenen op te richten. Pogingen die slaagden. De 19 mei 1964 werd het secretariaat voor de niet-Christenen geïnstalleerd met aan het hoofd kardinaal Marella die tijdens de oorlog internuntius was geweest in Japan. 
 
De oprichting van dit secretariaat beantwoordde aan een streven op wereldniveau dat in 1964 nog zeer latent was en zelfs in het jaar 1980 nog niet zeer zichtbaar: het samenbrengen van al diegenen die in God geloven tegenover de atheïsten die meestal alle heil verwachten van een goddeloze marxistische ideologie. 
 
Het is allemaal zeer mooi. Maar wanneer men nu met de Joden ook over de Mohammedanen en andere niet-Christenen zou gaan handelen, dan zou, wegens de omvang van het onderwerp, het gesprek hierover in de commissies en in de concilieaula er niet gemakkelijker op worden. Hier merken wij weer eens het euvel van het concilie dat vertrokken is zonder een vaste agenda. Het ene onderwerp brengt dan het andere mee. Op de duur wordt het oeverloos. 
 
Deining bij de Joden. 
 
Omdat de joden kwestie sterk affectief geladen was, is er waarschijnlijk geen ander conciliedocument aan te wijzen dat zo het voorwerp is geweest van invloeden en tegeninvloeden. De Joden volgden alles op de voet, trachtten zoveel mogelijk informatie in te winnen om dan te ageren. Zo was uitgelekt dat de tekst van het schema was veranderd om hem voor de Arabische wereld beter verteerbaar te maken. Dat verwekte opschudding bij alle Joodse gemeenschappen vooral dan in de Verenigde Staten. Er ontstond ongerustheid bij de Joden toen paus Paulus op 30 mei 1964 een afvaardiging van het Amerikaanse Joodse comité in audiëntie ontving, en bij deze gelegenheid wel uitdrukking gaf aan zijn medeleven met de verschrikkelijke gebeurtenissen die het Joodse volk had doorgemaakt doch geen enkele toespeling maakte op het conciliedocument. 
 
Wanneer echter de Amerikaanse krant New York Times in een artikel over het concilie en de Joden, uitdrukkelijk schreef dat er wijzigingen waren aangebracht aan de tekst van de Verklaring over de Joden en dat die verklaring daardoor aan kracht inboette, publiceerde het secretariaat voor de eenheid onder christenen een communiqué dat dit formeel ontkende. 
 
Doch een tijdje later werd een nieuwe versie van het schema naar de bisschoppen gezonden. Nu kon er niet veel meer geheim blijven. Op 24 augustus verklaarde kardinaal Ritter van St-Louis onomwonden dat de Verklaring minder gunstig was voor het Joodse volk, maar hij hoopte dat de bisschoppen in de komende zitting alles in zijn oorspronkelijke vorm zouden herstellen. De derde september bracht de New York Herald Tribune een vernieuwde versie over het schema van de Joden in Engelse vertaling ter kennis van het publiek. Het werd een uitbarsting van verontwaardiging in Joodse kringen en ook daarbuiten, althans in de Verenigde Staten. Vooral twee punten moesten heftige kritiek doorstaan. Vooreerst dat in de nieuwe redactie de term Godsmoord niet meer vermeld en dus niet meer verworpen wordt en dan vooral dat, steunend op de Romeinerbrief, het Joodse volk uitgenodigd wordt tot eenheid met het Godsvolk, de Kerk. 
 
Het is vooral deze laatste passage die een felle polemiek uitlokte. Katholieke kerkbladen wezen erop dat het Latijnse woord 'accessus'(toegang) verkeerdelijk was vertaald door de New York Herald Tribune met «entrance» (binnentreden) en dat er geen eenheid van inzicht bestond tussen katholieke theologen en bijbelgeleerden over de betekenis van Rom. 11, 15-16; 25-26 of het daar nu gaat over een vereniging reeds hier op aarde of in de eindtijd. 
 
Zo'n uitleg kon de Joden echter niet kalmeren. Het gaf sterk de indruk dat hier een politiek werd gevolgd. Er werd hard geroepen en alle mogelijke argumenten en beschouwingen werden in de weegschaal geworpen om van het concilie een zo vleiend mogelijke verklaring voor de Joden te bekomen. 
 
De Israëlische pers die zich bij het begin van het concilie zo gunstig had getoond ten opzichte van de Katholieke Kerk, werd nu agressief. De leer over de Godsmoord, wortelt in het Evangelie en in de geschriften van de kerkvaders, zo werd er geschreven. De Kerk heeft de moed niet om haar vroegere dwalingen te herzien. Er werd zelfs gesuggereerd dat het christendom een mentaliteit heeft geschapen die de nazi-vervolging mogelijk maakte. 
 
Het Debat. 
 
Voor de bespreking begon, hield kardinaal Bea een uitvoerig referaat. Hij zou immers 's anderendaags naar Patras (Achaja - Griekenland) vertrekken om in het teken van de nieuwe oecumenische toenadering, aan de metropoliet van de Stad waar de Heilige Andreas de marteldood zou gestorven zijn, het hoofd van de apostel te overhandigen. 
 
Over geen enkel schema is zoveel gepraat als over dit, begon hij zijn toespraak. Een bepaalde en verspreide publieke opinie zal goed of slecht over dit concilie oordelen volgens de inhoud van deze Verklaring. Hoewel uitwendige redenen niet het voornaamste motief mogen zijn van deze verklaring, zo ging hij voort, maar wel het navolgen van Christus in zijn liefde voor het uitverkoren volk, mogen de uitwendige redenen dan toch niet verwaarloosd worden. Niets over de Joden zeggen is tot een onmogelijkheid geworden. Deze verklaring is het resultaat van zeer ernstige arbeid. Zij is nu verdeeld over twee delen, over de Joden en de niet-christenen, waaronder speciaal acht gegeven wordt aan de Mohammedanen. 
 
Kardinaal Bea deelde dan verder mede dat het weglaten van de paragraaf over de Godsmoord door de coördinatiecommissie was gebeurd, en niet door het secretariaat voor de eenheid. Hij vroeg met aandrang dat de oorspronkelijke lezing zou worden hersteld. 
 
Tenslotte wees de kardinaal erop dat de Verklaring zuiver godsdienstig is en niets bevat dat politiek kan opgevat worden. Er wordt met geen woord gerept over het zionisme of over de Staat Israël. Noch de Kerk noch het concilie kunnen toestaan dat de politieke macht hier zou tussenkomen of dat er een politieke interpretatie van een verklaring zou gegeven worden. 
 
De eerste spreker na Kardinaal Bea was de oosterse kardinaal Tappouni van Antiochië der Syriërs. Hij sprak uit naam van alle patriarchen van het Oosten. Daarmee werd de verklaring onmiddellijk geplaatst in de gespannen situatie van het nabije Oosten. Hoewel zijn interventie waardig en zonder pathos werd voorgedragen, was er iets dringends in zijn stem wanneer hij de concilievaders smeekte dat deze totaal inopportune verklaring geheel en al zou teruggetrokken worden. Bij ons, zo betoogde hij, zal men zeggen dat dit concilie pro-Joods is, wat ons ten zeerste zal schaden en ons in ernstige pastorale moeilijkheden zal brengen. 
 
Op zijn beurt stelde de Melchietische bisschop van Antiochië Tawil voor een eenvoudige conciliaire veroordeling uit te vaardigen van het antisemitisme, en van de religieuze en rassendiscriminatie en verder niets. 
 
Buiten de Oosterse bisschoppen was kardinaal Ruffini van Palermo de enige die tegen de verklaring was. Na de vele tussenkomsten die hij al gehouden had, was hij zowat een figuur geworden van iemand die altijd stokken in de wielen steekt. 
 
Hij begon nochtans met een radicale argumentatie tegen de Godsmoord: God kan men niet vermoorden. 
 
Voor het overige was hij de enige die harde woorden had voor de Joden die hij hun invloed verweet in de vrijmetselarij en hun anti-klerikalisme. Alle andere concilievaders die de tribune van het concilie beklommen, waren voorstanders van een verklaring over de Joden. Met uitzondering van een paar bisschoppen die de indruk gaven dat zij voor de galerij spraken en meer bekommerd waren om de weerslag van hun woorden in bepaalde milieus buiten het concilie dan het overkomen van hun tussenkomst bij hun broeders in het episcopaat, stonden de beschouwingen van de overige sprekers, op hoog niveau en waren zij vooral theologisch gericht. Er werd meermaals en op verscheidene manieren gewezen op de geestelijke schatten die christenen gemeenschappelijk bezitten met Joden. Het meest diepgaand op dit gebied was de tussenkomst van kardinaal Lercaro van Bologna. Wat hij ten beste gaf was niet alleen theologische leer maar spiritualiteit die een bijdrage was van innige gebedscultuur. 
 
Juist vandaag, zo betoogde de referent, heeft de kerk een fijnere smaak verkregen voor enkele aspecten van haar mysterie en van haar leven. Wij moeten deze verklaring zien als een natuurlijke vrucht van een constitutie over de heilige liturgie. 
 
Wanneer de kerk volgens de constitutie over de liturgie, dagelijks leeft van het Woord Gods en van het wonder van het Lam Gods, dan komen deze goederen voort uit het erfgoed van Israël. Voor de heilige Schrift is dit duidelijk, doch het is ook zo voor de Eucharistie die door Christus werd ingesteld volgens het ritueel van het Joodse Pasen. 
 
En zo kunnen wij terecht, op het hoogste moment van de goddelijke liturgie, Abraham onze aartsvader noemen. 
 
Het doet denken aan Pius XI die, toen de hetze tegen de Joden van het nazi-Duitsland naar fascistisch Italië overwaaide, zijn vinger legde op de woorden van de canon : Het offer van uw dienaar Abel en dat van onze aartsvader Abraham, het heilig offer ook van brood en wijn dat uw priester Melchisedech u heeft gebracht. En hij duidde de zin van dit gebaar: geestelijk zijn wij allen Semieten. 
 
Merkwaardig was ook de interventie van kardinaal Heenan van Westminster. Hij stond er op dat de vrijspraak van Godsmoord terug in de tekst zou worden gebracht. Met Engelse humor noemde hij deze verandering een verandering die werd ingelast door ondeskundige deskundigen (periti imperiti).
 
De aartsbisschop wilde de dood van Christus vooral langs de weg van de mystiek benaderen in de zin van: 'ten zijn de Joden niet, Heer Jezus, die U kruisten ... Wat de verantwoordelijkheid omtrent de moord op Jezus betreft, zo betoogde hij, denken de christenen niet aan de Joden, maar aan hun eigen zonden. Want het behoort toch tot ons geloof, dat Christus gestorven is als slachtoffer van de zonden van ons allen en dat wij in zekere zin allen verantwoordelijk zijn voor zijn dood. 
 
Kardinaal Heenan vond ook dat een oproep tot bekering niet op zijn plaats is in een stuk over de oecumene. In de oecumene gaat het immers niet om bekering maar om het wegnemen van de hinderpalen tussen de godsdiensten met het doel elkaar beter te leren kennen en beter te leren verstaan. 
 
Sommige bisschoppen uit de missielanden waren van oordeel dat bij de niet-Christenen niet alleen de Mohammedanen moesten vermeld worden maar ook de andere niet christelijke godsdiensten. 
 
Bisschop Gahamnji van Butare (Rwanda) wees erop dat het christendom niet alleen veel gemeen heeft met Islam en Jodendom, maar ook met andere godsdiensten. Het animisme staat volgens hem meer open voor het christendom dan het Jodendom en de Islam. 
 
Na al deze tussenkomsten werd de tekst van de Verklaring gewijzigd in de zin van de opmerkingen die men had gehoord in de concilieaula. Een verbeterde uitgave werd midden november aan de concilievaders uitgedeeld. Het delicate punt van de christelijke hoop op de bekering van de Joden wordt uitgedrukt met de profetie uit Sofonias: «Alle volkeren zullen de Naam van Jahweh aanroepen en zullen Hem dienen». 
 
Deze laatste redactie werd midden november ter stemming voorgelegd. Er waren 99 tegenstemmers en 242 juxta modum. Deze laatsten konden dan schriftelijke amendementen indienen die in de volgende versies verwerkt zouden worden om dan nog eens ter goedkeuring aan de concilievaders te worden voorgelegd. 
 
Reacties bij Joden en Arabieren. 
 
Tijdens en na het debat veranderde de Joodse pers weer eens van toon. Er werd opnieuw met sympathie over het concilie geschreven. De pro Joodse uitspraken van de Amerikaanse en Europese bisschoppen werden in extenso weergegeven en maakten blijkbaar indruk. Het commentaar was nochtans sober. Men vermoedde dat van bovenaf richtlijnen werden doorgestuurd om alles te vermijden wat de gedachte zou kunnen opwekken dat de Joodse milieus druk uitoefenden op het concilie. 
 
Bij de Arabieren was het anders. Het zwaartepunt van de tegenstand lag nu eerder in Syrië dan in Egypte. Eind september had reeds het Syrisch staatshoofd, Salah-Bitar, aan de leiders van van Syrische katholieke gemeenschappen verklaard: «De Arabische volkeren evenmin als de Arabische regeringen aanvaarden niet dat een conciliaire Verklaring over de Joden, geen politieke draagwijdte zou hebben». De Syrische president zegde verder dat hij het betreurde dat die verklaring werd afgelegd op een ogenblik dat het Zionisme in Israël de katholieken in het harnas wilde jagen tegen de Arabieren, die van hun kant de aandacht van de wereldopinie wilden vestigen op de Palestijnse kwestie. 
 
In Syrische dagbladen werd er geëist dat Syrië die kwestie te berde zou brengen op de conferenties van de niet gebonden landen te Kaïro. 
 
Een tijdje later zonden een groep Syrische katholieke autoriteiten waaronder de staatsminister Thabet El Aris een telegram naar het Vaticaan met een alarmkreet: Als die verklaring wordt aangenomen dan zal zij de katholieke gemeenschappen in het Oosten in grote moeilijkheden brengen. 
 
Volgens het te Beiroet verschijnende dagblad Al Jorumhouriija tenslotte zou een Syrische afvaardiging bij de (katholieke) president van dit land aangedrongen hebben om persoonlijk tussen te komen bij de Heilige Stoel om het project over de Joden in te trekken. 
 
Ook uit andere Arabische landen kwamen protesten. Christelijke parlementairen uit Jordanië zonden een telegram naar de heilige Vader waarin zij de pogingen om de Joden wit te wassen van de misdaad van de kruisiging van Jezus, verwierpen. Zij vroegen dat de Kerk op dit gebied van houding zou veranderen, want de opvatting omtrent de schuld van de Joden stemt overeen met de evangelies en met wat de Kerk tot hiertoe geleerd heeft. 
 
Het weekblad Ahkbar el Yom beweerde dat het Vaticaan niet anders kon dan Israël steunen, omdat het Vaticaan het Westers blok steunt, en in 't bijzonder het land dat aan de leiding staat van het blok: De Verenigde Staten. En de Verenigde Staten steunen, zoals iedereen dat weet, door dik en dun Israël. 
 
Na de goedkeuring van de tekst over de Joden braken studentenrellen uit in Damascus. Een katholieke priester werd hierbij gemolesteerd. In Aleppo ontploften twee bommen in de christelijke wijk. Op 25 november 1964 organiseerde in Lattaquie de Grieks-Orthodoxe bisschop een protestmeeting waarop ook een protestantse dominee het woord voerde. Radio Damascus ging heftig te keer: de katholieke Kerk heeft twintig eeuwen lang de Joden verantwoordelijk gesteld voor de dood van Christus. Waarom verandert zij dan juist nu haar houding wanneer de Joden een miljoen Palestijnen tot vluchtelingen hebben gemaakt? Hier steekt ongetwijfeld een politieke bedoeling achter: een begin maken met de erkenning van de Israëlische staat door het Vaticaan. Dat gebaar kan niet anders uitgelegd worden dan als een zegening van de Joodse misdaden tegenover de Palestijnen. De door de Staat gecontroleerde Syrische pers chargeerde: De Kerk heeft Christus een tweede maal gekruisigd, nu niet voor dertig zilverlingen, maar voor Amerikaanse dollars. 
 
Katholieke bisschoppen trachten deze stormachtige gevoelens tot bedaren te brengen. Vooral de Melchietische Patriarch, Maximos Saigh IV, die in de concilieaula de scherpste kritiek had geuit tegen de Verklaring voor de Joden, verdedigde bij zijn gelovigen het concilie. Om te beginnen wees hij erop dat er nog niets definitief was. Voor het overige erkende hij dat het ogenblik slecht gekozen was, maar het concilie beoogde niets anders dan er zich tegen te verzetten dat men de Joden van nu schuldig zou stellen aan de kruisiging van Christus en ze daarom zou vervolgen. De staat Israël moet als onrechtvaardige aanvaller bestreden worden, maar niet wegens zijn godsdienst. 
 
Verklaringen van dien aard werden in de kerken voorgelezen. Het droeg bij tot de verduidelijking van de kwestie. Maar als gemoederen verhit zijn kan het verstand niet gemakkelijk de objectieve waarheid inzien. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
(1) Tot hiertoe heeft het Vaticaan Israël als staat nog niet erkend en spreekt het zich nog altijd uit voor een internationalisatie van Jeruzalem. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht