• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Nog eens de Openbaring

3/6/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 101 – April 1980 

​Gedurende de eerste sessie was er gedebatteerd over een schema dat de praeconciliaire dogmatische commissie had voorgesteld onder de naam : «De bronnen van de Openbaring». In deze discussie stak, tot verrassing van heel wat concilievaders, de «nieuwe theologie» het hoofd op. Het werd een bewogen debat. Tenslotte werd het schema door paus Johannes XXIII voor herziening toevertrouwd aan een gemengd team waarvan de leden zowel uit de dogmatische commissie als uit het secretariaat voor de eenheid onder de christenen werden genomen. 
 
Gedurende de tweede sessie werd er geen nieuw schema aan de bisschoppen voorgesteld. Sommige concilievaders dachten dat het project dat nogal wat onenigheid aan het licht had gebracht, voorgoed in de doofpot was gestopt. Dat was niet het geval. Tijdens de derde sessie werd er een herwerkt schema over de Openbaring aan de concilievaders aangeboden. 
 
Eén of twee bronnen van de Openbaring?
 
Gedurende de eerste sessie had de discussie zich toegespitst op de bronnenkwestie: Is er één of zijn er twee bronnen van de Openbaring ? Is al wat ons geopenbaard werd, teminste impliciet, in de Schrift vervat of zijn er geopenbaarde waarheden die alleen langs de Traditie tot ons zijn gekomen? 
 
Het schema van de praeconciliaire commissie droeg als titel : «De duplici fonte revelationis» «Over de tweevoudige bron van de Openbaring». De opstellers van het stuk spraken zich dus uit voor de twee-bronnen-theorie, want zij waren ervan overtuigd dat zij daardoor niets anders dan de evidente Rooms-Katholieke leer weergaven. 
 
Het schema werd echter fel aangevallen door de voorstanders van een andere zienswijze, volgens wie alles in de Schrift is vervat en de Traditie slechts een interpretatieve functie vervult. (1) 
 
Het schema dat nu werd aangeboden wilde dit bestreden probleem uit de weg gaan en het een vrijblijvende kwestie laten. De titel was niet meer: «De duplici fonte revelationis» «Over de tweevoudige bron van de Openbaring», maar «De revelatione» «Over de Openbaring». In de commissie was het goedgekeurd met 17 stemmen tegen 7. 
 
Toch werd er gedurende de derde sessie ook nog over dit punt fel van gedachten gewisseld. Vóór alle andere sprekers las Mgr. F. Franic, bisschop van Split (Joegoslavië), een rapport vanwege de minderheid die de theorie over de twee bronnen als vast geloofsgoed wilde handhaven. Hij gaf bewijzen uit het eerste Vaticaans concilie, uit pauselijke documenten, uit verklaringen van enkele provinciale concilies, uit catechismussen, uit boeken en artikels van theologen. Tot hiertoe werd aan de gelovigen geleerd dat de Overlevering objectief een grotere omvang heeft dan de Schrift. Pastoraal zou het daarom van belang zijn de authentieke katholieke leer uiteen te zetten. 
 
Nog andere vaders waren de mening van Mgr. Franic toegedaan. Wij allen, zo betoogde de aartsbisschop van Santo Domingo, Dominicaanse Republiek, wij hebben onderwezen, eerst in de catechese, daarna in de middelbare scholen of als theologieprofessoren dat sommige geopenbaarde waarheden niet in de Heilige Schrift te vinden zijn en bijgevolg bestaat er een Traditie die bron is van Openbaring, en die onderscheiden is van de Heilige Schrift en dingen voorhoudt die in de Heilige Schrift niet voorkomen. Hier haalde hij een citaat aan van het gekende handboek van Van Noort: «Tractatus de fontibus revelationis necnon de fide divina.» 
 
De Italiaanse bisschop Nicodemo van Bari somde enkele geloofspunten op die de Heilige Schrift niet vermeldt: de zeven sacramenten, de werking van een sacrament «ex opere operato», de geldigheid van een Doopsel dat door ketters wordt toegediend, de ten hemel opname van Maria. 
 
De uiteenzettingen van de verdedigers van de twee-bronnen-theorie waren helder en staken logisch in elkaar. Er werd dan ook niet veel tegen in gebracht. Bij de behandeling van de twee eerste hoofdstukken van het schema waar dit punt naar voren kwam, was het alleen de uit het Anglicanisme bekeerde abt van Downside, dom Buttler O.S.B., die de tegenovergestelde stelling verdedigde: vroegere eeuwen kenden geen dynamische exegese van de Heilige Schrift. Alleen onze tijd heeft die ontdekt en ziet dan ook meer in de Schrift dan vroeger. De geleerde abt die zelf exegeet is, heeft geen verdere uitleg gegeven. 
 
Hoewel het schema dit vraagstuk heeft opengelaten, gaf het toch blijk van een favor Scripturae, het scheen soms over te hellen naar de opvatting van de voorstanders van de sufficiëntie van de Schriftuur en dat riep reacties op bij de volgelingen van de klassieke theorie. Temeer daar zij overtuigd waren dat wat zij verdedigen de traditionele leer van de Kerk was. En daarin hadden zij ongetwijfeld gelijk. 
 
In de behandeling van dit schema treedt de eigen aard van dit concilie aan het licht. Het wilde geen dogmatisch maar een pastoraal concilie zijn. Desondanks heeft misschien geen enkel concilie zulk een invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van het theologisch denken als Vaticanum ll. Vlak vóór het concilie bv. had Mgr. Filips in zijn artikel Openbaring in de Winkler Prins-encyclopedie de twee bronnentheorie vermeld als de algemeen geldende voorstelling van de Kerk. Nu had hij als secretaris van de commissie van Geloof en Zeden dit schema over de Openbaring helpen opstellen. Hier zou een interessante studie te maken zijn over de psychologie en de sociologie van het denken en hoe zelden dit in zuivere vorm te vinden is. Daarop zou dan een theologische reflectie kunnen volgen: waar ontdekken wij de werking van de heilige Geest in dit denken van theologen en concilievaders in geloofszaken ? 
 
Maar het schema was nog geen Constitutie. Het concilie als hoogste gezagsorgaan in de heilige Kerk, had zich nog niet uitgesproken. Eerst zou het schema nog eens herwerkt worden, want men zou dienen rekening te houden met de bezwaren van de minderheid. 
 
Historiciteit van de heilige Schrift en in het bijzonder van de Evangeliën. 
 
De verhouding Schrift-Traditie was niet het enig probleem dat in dit schema aan bod kwam. Ernstiger en van grotere pastorale weerslag, was de stelling die het concilie zou innemen tegenover de moderne exegese, in 't bijzonder ten opzichte van de historiciteit van de evangeliën. 
 
Een protestants dominee maakte mij in de jaren '63 de opmerking dat de moeilijkheden waar protestanten al jaren mee worstelen en die zij, althans gedeeltelijk, hebben opgelost, nu bij de katholieken de kop begonnen op te steken. Hij bedoelde de historiciteit van de evangeliën. Inderdaad bij de protestanten kon men bijna alle geschiedkundige waarde aan de evangeliën ontzeggen en toch protestant blijven en zich christen noemen. Bij de katholieken is dat onmogelijk wegens het leerambt dat als taak heeft de gelovigen voor dwalingen te behoeden. Bij de aanvang van deze eeuw leek het er even op dat het modernisme alle katholieke dijken op dat gebied zou doorbreken, doch de krachtige reactie van paus Pius X versterkte nog de katholieke vesting.
 
Toch waren daarmee niet alle moeilijkheden van de baan. Zoals gedurende de 19e eeuw het geloof voortdurend in confrontatie stond met de natuurwetenschappen, zo werd nu de vraag gesteld in hoever men historische kritiek kon en mocht toepassen op de evangeliën. 
 
De encycliek Divino afflante Spiritu (1943) en nog meer de instructie van de Bijbelcommissie van 21 april 1964(2) had hier een antwoord op gegeven. Men zou de oplossing in de lijn van deze twee documenten aldus kunnen uitdrukken: De exegeten moeten in hun wetenschappelijke arbeid totaal vrij zijn. Men vraagt alleen van hen dat ze zich ook als gelovigen zouden gedragen. Dat zal hen hoeden voor rationalistische vooroordelen, voor een al te gemakkelijk toepassen van modellen uit de vergelijkende godsdienstwetenschappen op het evangelie en voor een hyperkritische houding ten opzichte van de Bijbelse verhalen. 
 
Het schema van de praeconciliaire commissie had dit punt maar even aangeraakt en als een evidentie gesteld dat de evangeliën historisch betrouwbaar zijn. Voorstanders van de «nieuwe theologie» waren het daarmee eens, maar verlangden dat het concilie zich eveneens zou uitspreken voor de vrijheid van het wetenschappelijk onderzoek. 
 
Het stuk dat gedurende de derde sessie besproken werd, deed dat. Dit had echter tot gevolg dat sommige vaders vonden dat het schema onvoldoende de historiciteit van de evangeliën onderstreepte. Zij vonden dat van belang omdat er verwarring was ontstaan onder het kerkvolk. Dit was inderdaad zo. Robinson had de hyperkritische theorieën van Bultmann gepopulariseerd (3). En sommige theologen hadden er als het ware een genoegen in gevonden om gewaagde theorieën te lanceren. 
 
Om deze verwarring tegen te gaan volstaat dit schema niet, was het oordeel van de Italiaanse bisschop van Vellettri, Mgr. Gaspari. Hij vond het dubbelzinnig en te gunstig voor de Formgeschichte.(4) In dit verband haalde hij een Monitum aan van het Heilig Officie van 20 juni 1960 dat waarschuwde voor exegeten die tekort deden aan de historische waarheid van de evangeliën. 
 
Omdat Monseigneur Gaspari een Monitum van 1960 had aangehaald, werd in de wandelgangen zijn uiteenzetting afgedaan als «prae-conciliair». Reeds toen was voor sommigen Vaticanum II een absolute verworvenheid. 
 
De bisschop sprak nochtans treffende taal wanneer hij zich tot voorstander verklaarde van een historisch bijbelonderzoek en de mogelijkheid niet uitsloot dat men op dit gebied nieuwe dingen ontdekt, maar met Leo XIII en Benedictus XV wilde hij benadrukken dat het literair genre van de bijbel niet afwijkt van de grondregels van de historiografie die volgens Cicero voorschrijven de waarheid weer te geven en zich te hoeden voor al wat onjuist is. 
 
De redenaar was welsprekend geworden. Het was alsof hij zich moest kwijten van een gewetensplicht. Hij ging voort: in aula iterum iterumque audivimus - in de concilieaula hoorden wij voortdurend ... maar dan kwam de moderator (kardinaal Döffner) tussenbeide: excellentissime domine, doleo tempus tuum exhaustum esse. Excellentie, het spijt mij, maar uw tijd is verstreken. Waarop vanwege de spreker een krachtig dixi, dixi, ik heb gezegd, ik heb gezegd, volgde. 
 
De Spaanse bisschop van Granada vroeg dat men het woord verkondiging als literair genre (forma praeconii) voor het evangelie zou schrappen. De tijd was immers nog niet rijp om daar een beslissing over te treffen en de meningen onder de concilievaders waren daaromtrent verdeeld. 
 
De Ierse bisschop van Down, Mgr. Philbin, die in naam van dertig landgenoten sprak, stelde de vraag waarom men de historische waarachtigheid tot de woorden en daden van Jezus beperkte, terwijl Lucas bv., na een inleiding waarin hij verklaart dat hij als historicus wil te werk gaan, onmiddellijk de geschiedenis van de kindsheid van Jezus laat volgen waarin de geloofsleer over de maagdelijkheid van Maria vermeld wordt. 
 
Het schema werd verdedigd door Mgr. J. Heuschen, hulpbisschop van Luik, zelf exegeet en lid van de commissie voor geloof en zedenleer. 
 
Volgens hem is dit schema zeer goed, valde placet, en stelt het op een niet minder heldere dan serene wijze de historische waarde van het Nieuw Testament en in het bijzonder van de evangeliën in het licht. 
 
Maar het is een feit dat tegenwoordig wel door niemand meer geloochend zal worden, dat de evangeliën geschreven werden ongeveer 30 jaar na de gebeurtenissen en dat hetgeen zij verhalen de inhoud is van wat er tot dan toe gepredikt werd en dat die prediking zelf een zekere aanpassing heeft ondergaan in de verschillende kerken. 
 
Wanneer de gelovigen van nu dat horen, verwekt dit wel eens onrust en verwarring omdat zij menen dat daardoor de historische waarheid van de evangeliën in het gedrang komt. Het is immers zo dat bepaalde geschriften te veel op nieuwigheid uit zijn en dikwijls met vooroordelen van historische, sociologische en theologische aard methoden aanwenden van de zogenaamde Formgeschichte die wetenschappelijk nog niet zijn uitgetest en aldus de grenzen van een voorzichtige exegese-beoefening overschrijden. 
 
Maar deze misbruiken kunnen het feit dat wij daar juist aanhaalden niet wegcijferen. 
 
De spreker toonde dan verder aan dat de inhoud van de evangeliën en de prediking waarop zij steunen, teruggaat tot de twaalf apostelen, de ooggetuigen van wat er met Jezus gebeurd is: van zijn doopsel, zijn prediking, zijn mirakelen, zijn lijden, zijn dood, zijn Verrijzenis, van de verschijningen en van zijn verheerlijking. 
 
De evangelisten wilden echter ook de diepere betekenis van al die feiten blootleggen en daarin had ieder evangelist zijn eigen standpunt. Het is nu de taak van de exegetische wetenschap naar dat standpunt te zoeken en het trachten te begrijpen. 
 
De concilievaders luisterden met spanning naar deze heldere causerie die met wetenschappelijke bescheidenheid werd voorgedragen. Velen keken verwonderd op toen de moderator er een einde aan maakte omdat de tijdslimiet bereikt was. 
 
Andere referaten misten de voorkomende toon van Mgr. Heuschen. Zo was de tussenkomst van Mgr. Boillon, bisschop van Verdun, een frontale aanval tegen de «handboekentheologie». 
 
Hij bracht hier naar voren het reeds vaker gehoorde verwijt tegen de handboeken voor Theologie, dat zij namelijk de Schrift niet om haar zelve bestuderen, maar ze behandelen als een arsenaal waaruit ze argumenten halen om thesissen te bewijzen. Hij waarschuwde ervoor de studie van de heilige Schrift niet te vervangen door de studie van Denziger, zelfs niet in zijn laatste en uitstekende uitgave. (6) 
 
Waar het schema het had over de onfeilbaarheid bracht hij in herinnering dat ook onfeilbare uitspraken voor verbetering vatbaar zijn. Hij citeerde hieromtrent de bekende tekst van 1 Cor. 9, 10-12 ; stukwerk is ons kennen. Maar hij gaf hem weer in de dubbelzinnige Latijnse vertaling van de Vulgaat : «Ex parte ... ex parte ... » zodat de eigenlijke pointe verloren ging. 
 
Het lezen van de Bijbel 
 
Het zesde en laatste hoofdstuk van het schema had een louter pastorale bedoeling en wilde het lezen van de Bijbel bevorderen. Het vond een algemene instemming hoewel er een paar reserves werden geuit. 
 
De Italiaanse bisschop van Ferrantino, Mgr. Cammenada, prees het schema omdat het lezen van de heilige Schrift en in 't bijzonder van de evangeliën erin werd aangeprezen. Toch vond hij dat er een echt gevaar in bestond indien men de heilige Schrift zonder enig onderscheid zou verspreiden. Hij illustreerde zijn raadgeving met een tekst uit de eerste Corinthiërsbrief: «Ik heb u melk gegeven en geen vaste spijs, want gij kunt het nog niet aan ... » Het lezen van de heilige Schrift veronderstelt uitleg van competente begeleiders en hier verwees hij weer naar de Handelingen van de Apostelen waar de Ethiopiër die de Heilige Schrift leest op zijn wagen maar Filippus nodig had om haar te begrijpen. 
 
Voor het overige was Mgr. Cammenada voor Bijbellezing, vooral dan voor de clerici. In het vernieuwd kerkelijk wetboek zou de verplichting voor clerici moeten worden ingelast om dagelijks uit de Heilige Schrift te lezen, zoals dit reeds het geval is voor de Oosterse kerken. En alle priesters zouden voor hun wijding heel de bijbel moeten hebben doorgemaakt. 
 
De Joegoslavische bisschop van Skoplje, Mgr. Gekada, begon met te verklaren dat hij niet de theologische eruditie bezat van de vorige sprekers die over de goddelijke Openbaring hadden uitgeweid, maar dat hij de stem van de eenvoudige zieleherder wilde laten horen. Hij hield zich aan het gezegde van de heilige Augustinus: «Ik zou in het Evangelie niet geloven indien het gezag van de Katholieke Kerk mij daartoe niet zou aanzetten.» 
 
Voor het overige betreurde hij het dat op gebied van bijbelverspreiding de Katholieke Kerk ten achter bleef bij de protestanten. 
 
Alles samen waren er 69 mondelinge interventies geweest over de Openbaring. Het was een waardig, leerzaam en interessant debat geworden. Het resultaat zou erin bestaan dat bij een omgewerkte versie van het schema men er nog meer op zou letten de omstreden kwesties open te laten. Terwijl het eerste schema zich had uitgesproken voor de twee-bronnen-theorie, scheen dit schema geneigd te zijn alleen de Schrift als bron van Openbaring te erkennen. Verder moest de overlevering en de onfeilbaarheid van het leergezag nauwkeuriger omschreven worden terwijl er ook duidelijke taal moest gesproken worden omtrent de historiciteit en de literaire genres. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
  1. cf. Positief, nr. 7 4, september 1977, p. 212-213. – 105
  2. (2) cf. Onze korte conciliegeschiedenis (24), Positief, nr. 96, november 
  3. 1979, p. 274-275. 
  4. (3) cf. Positief, nr. 94, september 1979, p. 200-204. 
  5. (4) zie over de Formgeschichte, Onze korte conciliegeschiedenis (24), Positief, nr. 96, november 1979, p. 275. 
  6. Denziger is een theologisch handboek waarin de uitspraken van het leerambt zijn vermeld


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht