• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Bijdrage 56

3/7/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 128 – JANUARI 1983 

Met de discussies over het schema omtrent de priesters werden de besprekingen in de concilieaula afgesloten en zag men het einde van het grootse gebeuren naderen. Men kon nu beginnen met het binnenhalen van de oogst: de promulgaties van Constituties, Decreten en Verklaringen. Want na meer dan drie jaar vergaderen waren nog maar een klein aantal documenten tot stand gekomen. De vaders kregen een week vrijaf opdat de commissies zouden kunnen werken. En na die week, op 28 oktober 1965, werden 5 conciliedecreten en verklaringen afgekondigd. Het waren: het decreet over het pastorale ambt van de bisschoppen, het decreet over de aangepaste hernieuwing van het religieuze leven, het decreet over de priesteropleiding, de verklaring over de christelijke opvoeding, de verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten. 
 
In deze conciliegeschiedenis behandelden wij ieder stuk van het concilie afzonderlijk, zijn wordingsgeschiedenis en wat er te zeggen valt over de inhoud. Want het zou niet opgaan alleen de bewogenheid van disputen te verhalen, terwijl men de eigenlijke boodschap van het concilie zou voorbijgaan. 
 
Het decreet over het pastorale ambt van de bisschoppen dat wij als eerste in dit artikel zullen behandelen, is een soort toepassing van wat in de Constitutie over de Kerk, omtrent de bisschoppen wordt uiteengezet. Collegialiteit, verhoudingen van de bisschoppen tegenover de curie en nog andere punten moeten hier in rechtstermen worden weergegeven. Vanuit een zeker standpunt een belangrijke onderneming voor zover Vaticanum II de aanvulling moest zijn van Vaticanum I en het gezag van de bisschoppen diende vast te leggen tegenover dat van de paus. 
 
Toen het schema over de bisschoppen voor het eerst in de concilieaula werd besproken, had zich meer dan één concilievader in nogal scherpe termen tegen de curie gekeerd, geprikkeld als zij waren door Monseigneur Carli, bisschop van Segni, lid voor de commissie van de bisschoppen en relator van het schema. Volgens sommigen was hij de spreekbuis van de «Ultraconservatieve richting», die in bijna provocerende termen voor de meerderheid van de bisschoppen het project had voorgesteld. 
 
Dat was in november 1963(1). Het aggiornamento werd tegengehouden, was het commentaar in de wandelgangen. 
 
Als gevolg van een nogal heftige kritiek op het schema en een nauwelijks onderdrukt ongenoegen ten opzichte van de curie, werd de commissie van de bisschoppen verruimd tussen de tweede en de derde sessie, en werd Monseigneur Veuillot, hulpbisschop van Parijs, aangesteld tot relator. 
 
In de zitting van 4 november 1964 stelde hij het eerste hoofdstuk voor dat gaat over de pastorale taak van de bisschoppen in de Kerk (de pastorali episcoporum munere in Ecclesia). 
 
400 verbeteringen die in twee boekdelen waren verzameld, had men erin verwerkt. De relator wees erop dat het schema over de bisschoppen in overeenstemming moest zijn met de Constitutie over de Kerk, Lumen Gentium, die nog niet was gepromulgeerd en waarin de collegialiteit vanuit theologisch standpunt werd benaderd. Wijzigingen in het project over de Kerk zouden dus ook veranderingen kunnen meebrengen in het schema over de bisschoppen. 
 
Toen er gestemd werd waren er 1.030 stemmen voor, 852 onder voorbehoud, 77 tegen en zes ongeldig. Omdat de vereiste twee derde-meerderheid niet bereikt was, werd het hoofdstuk terugverwezen naar de bevoegde commissie om na de verwerking der wijzigingen (modi) opnieuw in stemming gebracht te worden. 
 
Dat het hoofdstuk er niet doorkwam, schijnt meer dan één oorzaak te hebben. Vooreerst zullen een aantal bisschoppen bezwaren hebben gehad omdat de bisschoppelijke macht te veel werd onderstreept ten nadele van de paus. Er was een circulaire onder de vaders verspreid ondertekend door Monseigneur G. de Broenca Sigaud (Brazilië) in naam van een aantal concilievaders. Daarin stond dat dit eerste hoofdstuk helemaal (omnino) in strijd is met Vaticanum 1. Anderzijds zullen ook nogal wat vaders niet zondermeer hebben voorgestemd omdat de collegialiteit onvoldoende uit de verf kwam en heel wat ingediende verbeteringen niet waren aangebracht. 
 
Het tweede hoofdstuk dat ging over de bisschoppen en hun verhouding tot de plaatselijke kerken of bisdommen moest ook nog eens herwerkt worden. Er waren 889 stemmen onder voorbehoud. De reden van dit groot aantal schijnt bij de religieuzen te liggen die zekere bepalingen omtrent de exemptie niet aanvaardden. 
 
Voor het derde hoofdstuk dat als titel had: Over de bisschoppen in hun onderlinge samenwerking voor het gemeenschappelijke welzijn van meerdere Kerken waren 469 stemmen onder voorbehoud. De 2/3 werd bereikt en het werd aanvaard. Eventuele wijzigingen konden nog altijd worden aangebracht. 
 
In de algemene vergadering van 6 oktober 1965 werd gestemd over het bisschoppenschema in zijn geheel. Er waren 2167 stemmen voor en 14 tegen. Het was een tamelijk traditionele verhandeling waarin werd rekening gehouden met bepaalde voorstellen die het belang van het bisschopsambt wilden valoriseren, meer dan het gebeurd was tussen Vaticanum I en Vaticanum II. Maar ook wanneer het daarover ging, kon men een toon van prudentie en gematigdheid beluisteren. Het groot aantal voor-stemmen moet verklaard worden door de sensus catholicus van de bisschoppen. Wanneer een schema doorgesproken is en het in zijn eindredactie wordt voorgesteld aan de concilievaders, zal een bisschop alleen om ernstige gewetensbezwaren tegen stemmen. Hij gelooft immers in de éne Katholieke Kerk die door de bisschoppen in concilie wordt tegenwoordig gesteld (repraesentatur). 
 
Het Decreet zelf 
 
Zoals de andere stukken van het concilie, begint dit decreet met een voorwoord (prooemium) waarin het onderwerp in het perspectief wordt gesteld van de Openbaring: Christus, de Heer, de Zoon van de levende God, die gekomen is om zijn volk uit de zonden te verlossen en om alle mensen te heiligen, heeft daartoe apostelen uitgekozen, Christus, de Heer - Christus Dominus - zijn de twee eerste woorden van de oorspronkelijke Latijnse tekst. Het decreet zal daarnaar genoemd worden. 
 
Men zou verwachten dat men na deze inleiding over de bisschoppen zou spreken als opvolgers van de apostelen. Maar neen, het gaat eerst over de bisschop van Rome als opvolger van Petrus, aan wie Christus zijn schapen en lammeren heeft toevertrouwd en die een voorrang toekomt in zeggenschap over alle plaatselijke Kerken. Het is alsof hier nog eens voorzorgen worden genomen opdat men de collegialiteit niet verkeerd zou uitleggen. Daarop dan komen de bisschoppen aan de beurt en wordt er verklaard, en dit is het nieuwe van dit concilie, dat zij als corps met de paus en onder diens gezagsvolIe leiding leraar en herder zijn over heel Gods Kerk. 
 
Dit thema wordt uitgewerkt in het eerste hoofdstuk: over de bisschoppen en hun verhouding tot heel de Kerk (de episcopis quoad universam Ecclesiam). De opperste macht van de bisschoppen werd tot hiertoe nagenoeg uitsluitend uitgeoefend in een oecumenisch concilie. Nu is er ook sprake van een bisschoppensynode. 
 
In de discussies over het ambt van de bisschoppen heeft meer dan een bisschop het voorstel gedaan om een blijvende bisschoppensynode op te richten die de paus in zijn bestuur zou bijstaan en tegenwicht moest vormen tegenover de invloed van de curie. In het decreet over de bisschoppen wordt er geen melding gemaakt van zulke vaste raad. 
 
Door het motu proprio Apostolica Sollicitudo van 15 september 1965 had Paulus VI reeds de oprichting van een synode van bisschoppen aangekondigd maar niet nader verklaard welke vorm die zou aannemen. In het decreet van het concilie dat zoals alle officiële bescheiden van een kerkvergadering slechts een kaderwet is, wordt er ook niet gerept over de manier waarop deze synode zal werken. Oorspronkelijk sprak het document over het vertegenwoordigend orgaan waardoor de bisschoppen hun medewerking (coöperatie) zouden verlenen aan de paus in het bestuur van de universele Kerk. Vanwege de H. Stoel was «medewerking» afgezwakt tot «goede hulp». 
 
(Episcopi Supremo Ecclesiae Pastori validiorem praestant adjutricem operam in concilio, quod proprio nomine Synodus Episcoporum appelatur). 
 
Men vraagt zich trouwens af hoe zo'n permanente raad van bisschoppen zou gefunctioneerd hebben. Het is immers niet denkbaar dat een bisschop voortdurend van zijn bisdom afwezig zou zijn om in Rome de paus bij te staan. De leden van die nieuwe bisschoppelijke synode zouden dus van het bestuur van hun bisdom moeten vrijgesteld worden en zo zou een tweede curie ontstaan! Ten slotte is het een driejaarlijkse bijeenkomst geworden met afgevaardigden van de bisschoppenconferenties die over een bepaalde kwestie beraadslagen.
 
In het kader van die verantwoordelijkheid voor de wereldkerk wordt verder aan de bisschoppen gevraagd de bisdommen die in nood zijn bij te staan door het zenden van priesters of door het verlenen van andere steun. Hier wordt aan de diocesane geestelijkheid een missionaire taak voorgehouden die vroeger praktisch uitsluitend door kloosterlingen werd waargenomen. 
 
Er wordt ook gevraagd dat de bisschoppen zeer in het bijzonder zouden bidden voor hun confraters die vervolging lijden en dat zij die in de mate van het mogelijke, ook op andere manieren zouden helpen. 
 
Er wordt verder geaffirmeerd dat de bisschoppen een directe, op eigen verantwoordelijkheid uit te oefenen bevoegdheid bezitten. Zij zijn dus geen ambtenaren van de paus. Anderzijds wordt hier nog eens onderstreept dat de paus boven alles en boven allen staat en het recht bezit om bepaalde gevallen aan zichzelf of aan een andere gezagsinstantie voor te behouden. 
 
De leden van de curie zijn wél ambtenaren van de paus: «zij oefenen in naam van de paus en onder zijn gezag hun functie uit tot heil van de plaatselijke kerken en ten dienste van de geheiligde herders». Het decreet drukte de wens uit dat de curie zou hervormd worden voor wat het aantal, de naam, de bevoegdheid, de werkwijze en de onderlinge samenwerking van de leden betreft. Even wordt er dan verwezen naar de nuntii. Dat was een tamelijk veelvuldig onderwerp van gesprek geweest in de wandelgangen. Want hoewel het kerkelijk recht, onder verwijzing naar een brief van Leo XIII en een decreet van het concilie van Trente, voorschrijft dat «de nuntii» de bisschoppen in het uitoefenen van hun volmacht niet mogen hinderen (2), zijn er nogal eens punten van wrijving tussen beiden. Volgens H. Raab is er sedert het onstaan van de nuntii altijd een min of meer latente wrijving geweest tussen nuntii enerzijds en vorsten of bisschoppen anderzijds (3). 
 
Zoals andere smeulende grieven kwam dit op het concilie tot een uitbarsting. Maar het bleef buiten de concilieaula. Tenzij dan de daverende speech van Mgr. D'Souza uit India die voorstelde dat voortaan leken de Heilige Vader zouden vertegenwoordigen op nuntiaturen (4). 
 
De H. Stoel was echter waakzaam. De nuntiaturen zijn een te kostbaar instrument voor de pauselijke prerogatieven, die uiteindelijk van pastorale aard zijn, dan dat men het verloren zou laten gaan (5). 
 
In het decreet voor de bisschoppen werd er slechts één zin aan de nuntii gewijd: de vaders verlangen dat de taak van de pauselijke gezanten nader zou worden omschreven en wel op een wijze die rekening houdt met de herderlijke taak, die de bisschoppen krachtens hun ambt te vervullen hebben(B)_ 
 
Het staatssecretariaat (de paus?) had gevraagd zelfs deze zin te schrappen. De bevoegde commissie is daar niet op ingegaan. 
 
Het tweede hoofdstuk draagt als titel: Over de bisschoppen en hun verhouding tot de plaatselijke kerken of bisdommen (De episcopis quoad Ecc/esias particulares seu dioeceses). 
 
De bisschoppen wordt hier op het hart gedrukt dat zij de Blijde Boodschap van Christus aan de mensen moeten verkondigen. Daarbij wordt beklemtoond dat zij moeten laten zien hoe volgens het plan van God, de Schepper, ook de aardse werkelijkheden en de menselijke creaties op het heil van de mensen betrokken zijn. En dan worden de waarden opgenoemd waarnaar in heel wat tussenkomsten in het concilie werd verwezen en die grotendeels het opzet en de uitwerking van de Constitutie Kerk en Wereld hebben geïnspireerd: de menselijke persoon, zijn vrijheid en zijn lichamelijk leven (corporis vita), het gezin, de opvoeding, de burgerlijke samenleving, de arbeid en de vrije tijd, de kunsten en de technische uitvindingen, de welvaart. 
 
Er wordt uitgeweid over het belang van het catechetisch onderricht, dat moet steunen op de Heilige Schrift, de traditie, de liturgie en op het leergezag en het leven van de Kerk. Daarbij wordt de noodzakelijke hulp van psychologie en pedagogie erkend. 
 
Met het Schriftwoord wordt de bisschoppen voorgehouden dat zij tussen de hunnen moeten staan als degenen die dienen en niet als degenen die gediend moeten worden. Zeer bijzonder wordt hun voorgehouden dat zij goed moeten zorgen voor hun medewerkers, de priesters. Voor hen moeten zij vader zijn en vriend. Wanneer men de raadgevingen van het concilie omtrent de verhouding bisschop-priester zou overbrengen op het profane vlak, van de onderneming bv., dan zou men dit alles paternalistisch noemen. De relaties echter van bisschop tot priester moeten van bovennatuurlijke aard zijn. Zowel uitbuiting als syndicalistische geest zijn hier vreemd. 
 
Er wordt op gedrukt dat de bisschoppen hun diocesanen dienen te kennen. Het sociaal onderzoek wordt aanbevolen. Dit was «in» tijdens de jaren van het concilie. Het gebrekkige en het soms leugenachtige van enquêtes was nog niet aan het licht gekomen. 
 
Bepaalde groepen gelovigen die wegens hun levensomstandigheden gemakkelijk buiten de categorieën van het sociale leven vallen, worden bijzonder aan de aandacht van de bisschoppen aanbevolen: immigranten, ballingen, vluchtelingen, zeevaarders, luchtvaartpersoneel, zwervers enz. Ook toeristen worden hier vernoemd. De bisschoppenconferenties hebben als taak, vooral op nationaal niveau, aandacht te schenken aan de urgente vragen rond deze mensen. 
 
Iets heel bijzonders wordt gezegd omtrent de verhoudingen van de bisschoppen tot het staatsgezag. Het bevoegd kerkelijk gezag heeft het uitsluitend recht op de benoeming en aanstelling van bisschoppen. Aan de burgerlijke autoriteiten die het privilege bezitten op dit gebied op een of andere manier tussen te komen, wordt gevraagd hier vrijwillig afstand van te doen. 
 
In de algemene concilievergadering van 8 november 1963 had kardinaal Suenens in een snijdend en objectief-overtuigend betoog voorgesteld dat de bisschoppen op vijfenzeventigjarige leeftijd zouden aftreden. Men kan echter niet zeggen dat hij toen veel gehoor heeft gevonden(?).
 
In het decreet over de bisschoppen staat dat zij dringend verzocht worden om spontaan of op verzoek van het bevoegd gezag afstand te doen van hun bisschopszetel, wanneer zij wegens ver gevorderde leeftijd of om een andere ernstige reden minder geschikt zijn geworden om hun ambt te vervullen. 
 
De onmiddellijke medewerkers van de bisschop krijgen een afzonderlijk paragraaf: hulpbisschoppen en wijbisschoppen, vicarissen-generaal, bisschoppelijke raad en kathedraal kapittel. Hier wordt praktisch niets nieuws vermeld. Wel duikt er iets op dat er vroeger niet was: de pastorale raad. Daartoe zullen speciaal gekozen geestelijke, religieuzen en leken moeten behoren. Hun bevoegdheid bestaat er in een onderzoek in te stellen over alles wat tot de pastorale activiteit behoort, het vormen van een mening daarover en het trekken van praktische conclusies. Van een interdiocesane raad is geen sprake. 
 
Er wordt verder heel wat aandacht besteed aan de pastoors van wie gezegd wordt dat zij op bijzondere wijze medewerkers zijn van de bisschop. Deze moet zorg besteden aan hun benoeming en hierbij niet alleen rekening houden met hun intellectuele begaafdheid, maar met hun godsvrucht en hun ijver voor de zielen. Voor de bevordering van de zielzorg wordt het in gemeenschap samenleven van priesters ten sterkste aanbevolen, vooral wanneer zij aan een en dezelfde parochie verbonden zijn. Van de kapelaans (vicarii paroeciales) wordt gezegd dat zij de medewerkers zijn van de pastoors onder wier gezagsvolIe leiding zij werken. Zij moeten elkaar met raad en daad bijstaan. 
 
Van de pastoors wordt hetzelfde gevraagd als van de bisschoppen. Wanneer zij wegens vergevorderde leeftijd of om een andere ernstige reden niet meer in staat zijn om hun ambt naar behoren en met vrucht te vervullen, worden zij dringend verzocht om geheel vrijwillig of op verzoek van de bisschop afstand te doen van hun functie. De bisschop zal dan voor een passend onderhoud van deze pastoors moeten zorgen. 
 
Een oud zeer is de verhouding van de bisschoppen tegenover de religieuzen. Wegens de exemptie stelden deze zich nogal eens vrij op tegenover de plaatselijke hiërarchie. Tijdens de jaren van het concilie werden sommigen onder hen vrijbuiters op liturgisch gebied. Daarom wordt nog maar eens herhaald dat de exemptie vooral slaat op redenen van inwendige aard, maar dat voor de pastoraal de religieuzen onderworpen zijn aan de bisschoppen. 
 
Er wordt ook afgekondigd dat met het oog op de dringende zielennood en wegens het tekort aan de diocesane clerus de bisschoppen de hulp kunnen inroepen van alle religieuzen die zich niet op een louter beschouwend leven toeleggen. De religieuze overheden moeten naar best vermogen het verlenen van zulke diensten bevorderen. Wel moet hierbij rekening worden gehouden met de Constituties en de eigen aard van het Instituut van de kloosterlingen, hoewel er ook op dit gebied een aanpassing kan worden ingevoerd. De priesters-religieuzen die zich in dienst van het bisdom stellen, behoren ook tot op zekere hoogte tot de diocesane geestelijkheid. 
 
Het derde en laatste hoofdstuk van het decreet over de bisschoppen heeft het over de bisschoppen in hun onderlinge samenwerking voor het gemeenschappelijk welzijn van meerdere kerken: De episcopis in commune plurium ecclesiarum bonum coöperantibus.
 
Het voornaamste onderwerp van dit caput zijn de bisschoppenconferenties. Men heeft er in de concilieaula meermalen openlijk of bedekt, direct of indirect, expliciet of impliciet over gesproken. Maar eigenlijk kletste men over iets dat (nog) niet bestond. Het concilie zou de bisschoppenconferenties moeten oprichten. Door dit decreet worden zij opgericht. Deze heilige kerkvergadering, zo luidt het, houdt het voor zeer gewenst dat overal ter wereld de bisschoppen van eenzelfde land of van eenzelfde gebied zich tot een kring samenvoegen en op gezette tijden samenkomen, om door uitwisseling van beleids- en ervaringsgegevens en door gemeenschappelijk beraad te komen tot een geheiligde bundeling van krachten tot nut van het gemeenschappelijk welzijn der betrokken kerken. 
 
Het wordt aan de bisschoppenconferenties zelf toegelaten hun eigen statuten op te stellen, die dan wel door de Apostolische Stoel moeten worden goedgekeurd. De besluiten van een bisschoppenconferentie hebben juridische verplichtingskracht (vim habeant juridice obligandi), op voorwaarde dat zij legaal en met tweederde van de stemmen genomen zijn en dat het gevallen betreft waarvoor het algemeen recht zulks verordend heeft of een speciaal mandaat van de Apostolische Stoel dit heeft toegestaan. 
 
Het is niet zo duidelijk op wat dit laatste allemaal slaat. Misschien brengt de nieuwe codex voor kerkelijk recht hier een zekere helderheid in. In alle geval zal de volle verantwoordelijkheid die een bisschop bezit voor zijn bisdom, met deze nieuwe instelling moeten verzoend worden. 
 
Op het einde van dit kapittel wordt gesproken over de interdiocesane functies. De geestelijke verzorging van de militairen wordt speciaal vermeld. In ieder land moet, als dat enigszins mogelijk is, een legervicariaat zijn. De bisschoppen worden gewaarschuwd hier voldoende priesters voor af te staan en alle initiatieven te steunen die een verbetering van het geestelijk welzijn der militairen beogen. 
 
Om te sluiten besluit het concilie dat er een directorium zal uitgegeven worden ten gerieve van de bisschoppen(8) en ook een directorium over de catechese(9). 
 
Cnristus Dominus legt meer dan eens de nadruk op de verantwoordelijkheid van de bisschoppen voor de catechese. Het is alsof de opstellers van deze oorkonde en waarschijnlijk ook een deel, zoal niet de meerderheid, van die ze goedkeurden, aanvoelden dat er toen reeds iets begon mis te lopen met de catechese. 
 
* * *
 
Christus Dominus kan de indruk wekken van een conciliair document in een pro-conciliair gewaad. Maar dat is het niet. Het is een evenwichtige uiteenzetting over het bisschopsambt, met aansporingen, opwekkingen, raadgevingen en voorschriften, zoals de bisschoppen het zelf hebben ingezien en gewild. Nagenoeg alles wat in de debatten in de concilieaula naar voren kwam, wordt erin verwerkt. Maar het wordt binnen bepaalde grenzen gehouden. Dit was het werk van de paus en zijn curie die boven het concilie staat maar ook van de sensus catholicus van de bisschoppen. Een concilie immers moet altijd in de lijn blijven van de Traditie.
 
B. Boeyckens S.J. 
 
 
(1) cfr. Positief, nr. 85, oktober 1978, p. 240-243. 
(2) Can. 269: «Legati Ordinariis locorum liberum suae juridictionis exercitium retinquent». 
(3) H. Raab in Lexicon für Theologie und Kirche, 7, kol. 1072, Nuntiaturstreit. 
(4) Positief, Onze korte Conciliegeschiedenis (30), nr. 102, mei 1980, p. 140-141. 
(5) Wij willen hier even herinneren aan de pauselijke wereldbrief “Mit brennender Sorqe» (14.3.1937) waarin de rassenleer van het nationaal-socialisme veroordeeld werd en die niet had kunnen verspreid worden in Duitsland zonder de nuntiatuur. Het is de belangrijkste weerstandsdaad geweest in de strijd tegen het nationaal-socialisme. Men vergeet dat te veel. 
 
(6) Die nadere omschrijving van de taak van de nuntii zullen wij waarschijnlijk aantreffen in het nieuw Kerkelijk wetboek dat wij alle dagen verwachten. 
(7) cfr. Positief, Onze korte Conciliegeschiedenis, nr. 85, oktober 1978, p. 243. 
(8) Dit verscheen in 1973. Directorium de pastorali ministerio episcopoturn (Directorium over de pastorale taak van de bisschoppen), Typis polyglottis Vaticanis, 1973. E.H.K. Swenden schreef er over in zijn artikel «Niet veroordelen», Positief, nr. 96, november 1979, p. 278- 281. 
(9) Dit verscheen in 1971. Directorium Cetecnisticum Generale, Libreria - Editrice Vaticana, Citta de Vaticano. Een Nederlandse vertaling werd verzorgd door pater Dr. A. Emmen O.F.M., en uitgegeven bij de uitgeverij Bekker, uitgeefster van de Apostolische Stoel, Amsterdam, 1972. De verantwoordelijken voor de catechese in Nederland en Vlaanderen hebben er geen rekening mee gehouden. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht