• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : De Sluiting

3/7/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 142 – MEI 1984 

​De Oecumenische Dienst in Sint-Paulus buiten de Muren 
 
Op 7 december 1965 werden vier documenten van het concilie goedgekeurd: de Verklaring over de Godsdienstvrijheid, het Decreet over de Missieactiviteit van de Kerk, het Decreet over het Ambt en het Leven van de priesters en de Pastorale Constitutie over de Kerk in de hedendaagse wereld. Dat gebeurde weer eens met een plechtige concelebratie waarin de paus hoofdcelebrant was en waarin hij werd bijgestaan door 24 bisschoppen. 
 
Die 7e december is er echter nog veel meer voorgevallen. Het is een grote datum in de geschiedenis van het concilie. 
 
Met het concilie is de Kerk veranderd. Zoals wij reeds herhaaldelijk er op wezen in dit tijdschrift, moet men die verandering wel relativeren. De Kerk blijft altijd de Kerk van Christus en indien de jaren van het tweede Vaticaans concilie belangrijk zijn in haar geschiedenis, dan blijft toch de geprivilegieerde tijd het moment toen het Woord is Vlees geworden, alleen te vergelijken in betekenis met het tijdstip toen de mens werd geschapen of met de Dag waarop de Heer zal wederkomen. (1) 
 
In de tussentijd tussen Incarnatie en Eschatologie is er dan wel het keerpunt van Vaticanum ll. Veel wijst erop dat de Kerk in een nieuw tijdperk is overgegaan. 
 
Vooreerst op Oecumenisch gebied. 
 
Op 4 december had er reeds in de basiliek van Sint-Paulus buiten de muren een Oecumenische liturgische gebedsdienst plaats gehad waaraan de paus samen met 41 kardinalen, 600 bisschoppen en 1 03 orthodoxe en protestantse waarnemers hadden deelgenomen. Er werden psalmen gezongen in het Latijn en het Grieks, voorlezingen gehouden uit de Schrift in het Engels en het Frans. De paus hield een homilie in het Frans. Hij had uiterst vriendelijke woorden voor de afgescheiden broeders. Men kon er wel een ondertoon in ontdekken van de steeds terugkerende overtuiging van de katholiek dat hij tot de ware Kerk behoort, maar er was niets kwetsend in. 
 
Bisschoppen en waarnemers waren gelukkig over deze indrukwekkende plechtigheid zonder precedent. Een aantal bisschoppen nochtans waren geërgerd. Onder leiding van aartsbisschop Staffa, secretaris van de Congregatie voor de seminaries en universiteiten en van Mgr. Vagnozzi, apostolisch delegaat in de Verenigde Staten, die een aantal Amerikaanse bisschoppen achter zich had, zonden zij een boodschap aan de paus waarin zij uitdrukking gaven van hun verbazing over deze communicatio in sacris met ketters. 
 
Communicatio in sacris is een technische term uit het Kerkelijk Recht waaronder men deelneming verstaat aan een godsdienstoefening met andersdenkenden. Het Kerkelijk Recht verbiedt dit.  Maar paus en concilie staan boven het Kerkelijk Recht en dit laatste zou wegens het concilie op heel wat punten gewijzigd worden. De (echte) geest van het concilie zou ernaar streven om samen met protestanten te bidden en zelfs bepaalde liturgische plechtigheden met hen te beleggen. De beslissende en uiteindelijke samenkomst vieren, gaat echter nog niet, zo drukte de paus zich uit in zijn homilie. Voor concelebratie en intercommunie met protestanten is het nog te vroeg. De (niet-echte) geest van het concilie zou dat toch doorvoeren. 
 
Wederzijdse Herroeping van de Excommunicatie van 1054 door Rome en Constantinopel 
 
De dienst in Sint-Paulus buiten de Muren was ontroerend geweest. Hoewel er op leerstellig gebied geen stap was vooruitgegaan, was deze ceremonie toch zeer zinvol. Niet door een verklaring maar door samen te bidden verkondigden katholieken en protestanten aan heel de wereld dat zij geen vijanden konden zijn. 
 
De 7e december echter werd er vanwege de Rooms Katholieke Kerk ten opzichte van de orthodoxen en vanwege de orthodoxen ten opzichte van de Rooms Katholieke Kerk een daad gesteld. 
 
Na de goedkeuring en de promulgatie van de vier conciliestukken liet de paus door kardinaal A. Bea, voorzitter van het secretariaat voor de eenheid der christenen, apostolische brieven voorlezen, «Arnbulate in dilectione» (Leidt een leven van liefde), waarin de excommunicatie wordt herroepen, die de Romeinse Stoel in 1054 uitvaardigde tegen de patriarch van Constantinopel, Michaël Caerularius. 
 
Tegelijkertijd werd te Istanboel in de patriarchale Kerk van de Fanar de Tomos door patriarch Athenagoras afgekondigd dat de banvloek werd weggenomen die de Oosterse Kerk in datzelfde jaar over de Rooms-Katholieke Kerk had uitgesproken. 
 
Na de voorlezing van de brieven in de concilieaula, verhief de paus zich van zijn troon en overhandigde het handvest aan de metropoliet Meliton van Heliopolis, die, als vertegenwoordiger van de patriarch Athenagoras, te Rome aanwezig was. Toen de paus en de metropoliet elkander omhelsden, brak een applaus los in de Sint Pietersbasiliek en liepen kardinalen en prelaten toe op de orthodoxe delegaten om hen te omhelzen. 
 
Met de orthodoxen was zoiets mogelijk omdat zij schismatieken zijn, maar geen ketters, zij belijden hetzelfde geloof als de Rooms-katholieken.
 
De scheiding tussen Oost en West is een oud zeer, veroorzaakt door misverstanden, wantrouwen en alle andere ondeugden die de mensen van elkaar verwijderd houden. 
 
Want indien de afscheiding van de protestanten, zonder het belang te onderschatten dat men moet hechten aan culturele, politieke of morele factoren, in wezen een verschil van geloofsopvatting is geweest, is het uiteengroeien van Oost en West een evolutie geweest van culturele aard. Welnu er is niets dat de mensen zozeer van elkaar vervreemdt als het behoren tot verschillende culturen. Dat doet ze anders zijn, dat doet ze anders denken, maakt dat ze de dingen anders aanvoelen, dat ze anders leven. 
 
De Franse filosoof P. Sartre zegde: l'enfer c'est l'autre. De hel dat is de andere. De andere althans dat is de vijand. 
 
En zo waren er in het oostelijk en westelijk deel van het middellandse zee-bekken twee culturen ontstaan die van elkaar vervreemd waren. De Byzantijnse was groot vooral door haar artistieke en religieuze gerichtheid. De Germaans-Westerse was dynamisch, stevig op politiek gebied, juridisch knap en sociaal bewogen. 
 
Met het herroepen van de excommunicatie van 1054 wilde men nu aan beide zijden alle misverstanden gladstrijken. Aan beide zijden? Patriarch Athenagoras was daartoe wel bereid. Maar zijn suprematie was eerder symbolisch dan reëel. De Oosterse kerken zijn autocefaal, dat wil zeggen onafhankelijk van Constantinopel. In Griekenland bleef het sterke anti-Roomse affect voortduren en de Russische Kerk die vroeger onder de tsaar stond, was nu helemaal in de macht van de communisten. 
 
Motu Propio over het H. Officie 
 
De 7e december is nog voor iets anders een belangrijke datum. Die dag publiceerde paus Paulus VI een apostolische brief, bij wijze vanmotu propio, waarin de naam en de inrichting van de H. Congregatie van het H. Officie worden gewijzigd. Litterae Apostolicae motu proprio datae, quibus Sacrae Congregationis S. Offici nomen et ordo immutantur. 
 
Het H. Officie was een van de machtigste Congregaties van de Romeinse Curie. Het had te waken over de zuiverheid van de leer en sommige huwelijksgevallen waren aan haar voorbehouden. 
 
Wij zagen hoe kardinaal Frings van Keulen het H. Officie openlijk en zonder omwegen in volle concilieaula had aangevallen. Hij verweet deze Congregatie dat zij theologen veroordeelde zonder dat deze gehoord waren. Kardinaal Ottaviani, secretaris en feitelijke voorzitter van het H. Officie (de eigenlijke voorzitter is de paus zelf), had daarop geantwoord dat het H. Officie geen mensen veroordeelde maar geschriften. Wanneer een boek gepubliceerd is, gaat het niet om wat de auteur bedoelde, maar om wat er zwart op wit geschreven staat. Na de crisis van het modernisme was het H. Officie bijzonder waakzaam geweest. Theologen voelden zich daardoor in hun wetenschappelijk werk gedwarsboomd. Op het concilie had kardinaal Frings hun ontevredenheid hierover uitgesproken. (2) 
 
Het H. Officie zou voortaan een andere naam dragen en dit wees er reeds op dat men anders zou te werk gaan. Van nu af heet zij Congregatie voor de Geloofsleer. Haar opdracht na het concilie zou eerder positief zijn dan negatief. Haar eerste taak zal er in bestaan het theologisch onderzoek aan te wakkeren. Daarbij moet zij ook wel de leerstellingen die met de beginselen van het geloof in strijd zijn, veroordelen. Dat mag echter niet zonder dat eerst de plaatselijke bisschoppen gehoord werden en ook met de auteur van het boek waarin de leerstellingen voorkomen, moet contact worden genomen. 
 
Dit motu proprio was een overwinning van de theologen die zich hadden doen gelden op het concilie. Natuurlijk zou nog alles afhangen van de bezetting van de Congregatie en van de geest waarin de besluiten van dit motu proprio zou worden uitgevoerd. Het gerucht liep dat kardinaal Ottaviani zou vervangen worden. Maar dat gebeurde niet. Op 7 december bezat de Kerk nog alle middelen om het geloof tegen ketterij te beschermen. Er was alleen ingegaan op klachten van theologen die gewettigd schenen en men kon verwachten dat het theologisch onderzoek een nieuwe stimulans zou krijgen. Maar in december 1965 hadden al heel wat wilde theorieën hun weg gevonden in de Kerk. Volgens de (zowel echte als onechte) geest van het concilie waarvan het motu proprio over het H. Officie een uiting was, mocht niemand veroordeeld worden tenzij na een dialoog. Maar een dialoog duurt eindeloos. Men kon vrezen dat de Kerk met de ingreep in het statuut van het H. Officie, zich een instrument tot bescherming van het geloof uit handen had gegeven. Tot nadeel van de gewone gelovigen. 
 
De laatste dag. 
 
Op 8 december had de plechtige sluiting plaats van het concilie op het Sint-Pietersplein. Tachtig landen hadden vertegenwoordigers gezonden om deze ceremonie bij te wonen. Voor België waren dat: prins Albert van Luik, eerste minister P. Harmel en de minister voor buitenlandse zaken, P.H. Spaak. Voor Nederland, graaf F. de Marchant et d'Ansembourg, gezant bij de H. Stoel. Met leden uit de hoge adel (prinsen, o.a. prins Carel Hugo van Bourbon-Parma en prinses Irene) waren zij «buitengewone missies» bij de laatste dag van het concilie. Indien die hoge adel deed denken aan barokke praal uit het verleden die er in Rome toch nog altijd overblijft, dan was de toespraak die de paus de avond tevoren voor dit gezelschap gehouden had, postconcilair en modern. Het was de kern van het decreet over de vrijheid van godsdienst: moge niemand gedwongen worden te geloven, maar moge evenzeer niemand verhinderd worden te geloven en zijn geloof te belijden; dit is een fundamenteel recht van de menselijke persoon, dat overigens tegenwoordig in haast elke wetgeving erkend wordt, minstens in theorie, zij het dan ook niet altijd in de praktijk. 
 
De paus celebreerde de mis in het Latijn. Sommige voorbeden werden in het Grieks door de Griekse diaken Nicolaus Printesis gebeden. 
 
Bij het offertorium verkondigde kardinaal E. Tisserant dat de paus enkele offergaven aanbood: 30.000 dollar voor het ziekenhuis van Bethlehem in Palestina, 20.000 dollar voor het werk van de petits fréres de Jésus van Charles de Foucauld in Argentinië, 15.000 dollar voor catechese en landbouwonderwijs in Zuid-India, 10.000 dollar voor Caritas in Cambodja. 
 
Na de mis werden boodschappen afgekondigd voor de mensen van de wetenschap, voor de kunstenaars, voor de vrouwen, voor de arbeiders, voor de armen, zieken en allen die lijden, voor de jeugd. 
 
Daarna las de algemene secretaris van het concilie, Mgr. P. Felici het decreet voor van de sluiting van het concilie. 
 
Ten slotte werden door 6 bisschoppen de acclamaties gezongen. Gewoonte die teruggaat tot de eerste concilies. In deze acclamaties werd gebeden voor paus Paulus VI, voor de zielsrust van paus Joannes XXIII, voor de moderatoren en voorzitters van het concilie, voor de kardinalen, patriarchen, bisschoppen en andere concilievaders, voor de zielenrust van de concilievaders die gedurende het concilie overleden waren, voor degenen die verhinderd waren geweest aan het concilie deel te nemen, voor de waarnemers van de christelijke kerkgemeenschappen, voor de staatshoofden en voor allen die zich inzetten voor het algemeen welzijn en de vrede, voor alle volkeren die de ware God aanbidden, voor de mensen van goede wil. Daarna gaf de paus zijn zegen en zegde: in nomine Domini nostri Jesu Christi ite in pace, in naam van Onze Heer Jezus Christus gaat in vrede. 
 
Het volk antwoordde Deo gratias, God zij dank. Het concilie was ten einde. 
 
Slotbeschouwingen bij de laatste dagen van het Concilie 
 
De plechtigheden van de laatste twee dagen toonden aan dat het Vaticaan gevoel heeft voor symboliek en voor het sprekende gebaar. Na al de moeilijkheden van de laatste dagen had men een herhaling van de «zwarte week» kunnen vrezen. Dat is het niet geworden, verre vandaar, de concilievaders waren in de beste stemming. 
 
Toch waren het niet de triomfantelijke tonen van het begin. Dat komt wel omdat het concilie het triomfalisme had afgezworen, had echter ook een diepere reden. 
 
De eerste dagen waren zo hoopvol geweest: eenheid van de christenen, dialoog met de wereld, oplossing van een paar prangende problemen, het verwekte allemaal grote verwachtingen. Waren zij ingelost? Nu nog niet, maar zouden zij het in de toekomst niet zijn? Men hoopte het maar die hoop was vaag. Na Trente was het ook wel niet zo zeker dat de conciliebesluiten zouden worden uitgevoerd. Maar men wist zeer goed waarin die bestonden: residentieplicht voor de bisschoppen, oprichten van seminaries, preken in de zondagsmis, godsdienstles verstrekken aan de kinderen etc. Zulke concrete resoluties kon Vaticanum II niet voorleggen, en indien men niet blind of naïef wilde zijn, moest men wel inzien dat het concilie nieuwe moeilijkheden had teweeggebracht. 
 
Wanneer men het slot van Vaticanum II vergelijkt met dit van Trente (met Vaticanum I kan men hier geen parallel trekken want dit moest wegens de Frans-Duitse oorlog worden afgebroken) dan zouden wij kunnen zeggen dat het concilie van Trente begon in mineur en eindigde in majeur, dat Vaticanum II begon in majeur en eindigde in mineur. 
 
Deze voorstelling moet natuurlijk genuanceerd worden. Zonder daarop in te gaan, bedoelen wij het volgende. Toen in 1545 het concilie van Trente geopend werd, waren bijna geen bisschoppen aanwezig. Er was tegenwerking vanwege de keizer en de vorsten. In de loop van het concilie werden de zittingen bemoeilijkt door oorlogen en besmettelijke ziekten. Maar toen de 4 december 1563 de pauselijke legaat, kardinaal Morene, de concilievaders naar huis zond met het «ite in pace», «Gaat in vrede», en daarna een machtig Te Deum weerklonk in de kathedraal van Trente, dan wisten de vaders dat de woorden die zij in de 5e zitting hadden uitgesproken: «Niet ons werk is het, o Heer, maar het werk van uw barmhartigheid. Uw naam zij lof in eeuwigheid» waar waren. De verhoopte eenheid met de protestanten was wel niet bereikt, doch de noodzakelijke scheidingslijn was getrokken en op diepzinnige wijze was de katholieke leer vastgelegd tegenover een dwaling die haar op bijna ieder gebied aantastte. 
 
Tevens was de Kerk gereinigd van misstanden die eeuwenlang haar heiligheid bezoedeld hadden. Bij de bisschoppen was een consensus gegroeid waardoor het geestelijke zuiver werd gesteld, los van politieke verwikkelingen. Een hervormingswerk kon beginnen. 
 
Waarin bestond de vernieuwing van Vaticanum II? Op 6 december had de paus een toespraak gehouden tot het Italiaanse episcopaat. Hij had het over de postconciliaire vernieuwing, maar hij liet het bij algemeenheden. Hij zou ook niet anders gekund hebben. Want waarin bestond nu de eigenlijke concilievernieuwing? De menners van het «paraconcilie» wisten het. Degenen die het echt goed meenden met het concilie, bleven hierop het antwoord schuldig. 
 
Een geestigheid die de ronde deed op het einde van het concilie, verhaalde dat Mgr. Carli, een van de voormannen van het coetus internationalis Patrum, zich na de sluiting van het concilie uit protest op het St.-Pietersplein te Rome zou verbranden zoals in die tijd de boeddhistische monniken dat deden in Vietnam. Onder het concilie waren partijen ontstaan. Bij al de onduidelijkheid over de vernieuwing, was dit een euvel dat er nog bijkwam. 
 
B. Boeyckens S.J. 
O.-L.-Vrouwdreef 8, 9040 Oostakker 
(1) cf. ons artikel: «Vaticanurn Il relativeren», in Positief, nr. 45, oktober 1974, p.15-19. 
(2) cf. Onze korte conciliegeschiedenis, Positief, nr. 85, oktober 1978, 
p. 241-243. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht