• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : De Verklaring over de christelijke Opvoeding

3/7/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 132 – MEI 1983 

​Het vierde document dat de 28ste oktober 1965 werd goedgekeurd was de Verklaring over de christelijke opvoeding. Meer dan de andere stukken die op deze dag werden gepromulgeerd, draagt deze Verklaring de kenmerken van iets dat er op het einde van een vergadering nog door moet. Er was dan ook een algemene ontevredenheid over deze tekst. Het waren, zo zegde men, algemene beschouwingen die sommigen bestempelden als het slechtste van wat het concilie tot hiertoe had voortgebracht. Maar men had die kwalificatie ook al gegeven aan het decreet over de communicatiemedia en zelfs aan het decreet over het religieuze leven. 
 
Het werd weer eens een teleurstelling voor de Amerikaanse bisschoppen die gehoopt hadden dat het concilie ondubbelzinnig zou gewezen hebben op de plichten van de staat om de vrije scholen financieel te steunen. De Verklaring deed dat wel, maar onvoldoende volgens de concilievaders uit de U.S.A. 
 
Een aantal bisschoppen en vooral periti hadden er duidelijker de richting willen in zien die het concilie had aangegeven, een gekeerd zijn naar de wereld toe. Zij vonden het maaksel weinig origineel en beneden peil. De verslaggever namens de competente commissie, Mgr. Daem van Antwerpen, scheen deze kritiek voorzien te hebben. Op 13 oktober, wanneer de verschillende onderdelen van het schema ter stemming werden voorgelegd, gaf hij een toelichting. Omdat de toestanden overal ongelijk waren, moest de Verklaring wel algemeen worden gehouden en kon zij alleen de grote principes van de christelijke opvoeding weergeven. Men had rekening gehouden met de talrijke modi die waren ingediend en had alzo een goede basis willen leggen voor het werk dat een postconciliaire commissie en de bisschoppenconferenties moesten voltooien. Het project handelt vooral over de katholieke scholen, maar is dan toch opgesteld in een perspectief dat geheel de christelijke opvoeding omvat. De familie is nu duidelijker op de eerste plaats gesteld. De rechten en de plichten van de ouders, van de staat en van de Kerk werden nauwkeuriger afgebakend. Er wordt gewaarschuwd tegen een staatsmonopolie, maar anderzijds wordt erkend dat de staat soms verplicht is op te treden naar gelang de economische, sociale en culturele ontwikkeling van ieder land. 
 
De opstellers hebben vermeden in nodeloze herhalingen te vervallen en vermelden daarom niet wat in andere conciliaire documenten te vinden is. De postconciliaire commissie zal al die teksten moeten samenbrengen en de bisschoppenconferenties hebben de opdracht de geschikte aanpassingen uit te voeren naar gelang van de concrete omstandigheden in iedere streek. 
 
Ondanks deze diplomatische inleiding «ad captandum benevolentiam «om de welwillendheid te verwerven» lag het aantal tegenstemmers voor de verschillende hoofdstukken tussen 76 en 111. Voor het geheel 183. Wat in conciliaire verhoudingen tamelijk hoog is. Maar natuurlijk niet hoog genoeg om het stuk te verwerpen. Toch is er sprake geweest van een beroep te doen op het administratief bureau, zoals voor de verklaring over de godsdienstvrijheid. (1) Want sommigen waren van mening dat het een nieuw ontwerp was dat ter stemming werd voorgelegd en dat daarom de concilievaders over de nodige tijd moesten beschikken om dit te bestuderen. Maar het bleef bij een voornemen. Men wilde de duur van het concilie niet meer rekken. Xavier Rynne spreekt van een vermoeide bisschop die verklaarde dat hij vorig jaar zeker zou tegengestemd hebben. Hij deed het niet omdat de mogelijkheid er niet meer inzat om iets beters in de plaats te krijgen. Want alle bisschoppen wilden nu naar huis terugkeren. (2) 
 
De Verklaring werd afgekondigd. Voor zover het een menselijk voortbrengsel is, zijn er, zoals voor ieder menselijk werk, veel opmerkingen te maken. Als geheel is het toch ook op een of andere manier een daad van de Heilige Geest. Wanneer men het nu achttien jaar na de promulgatie leest, komt het voor als een korte maar toch heldere synthese van wat de Kerk ons voorhoudt over de christelijke opvoeding, uitgedrukt in moderne begrippen. Sommige waren zelfs in 1965 zo modern dat zij in 1983 reeds verouderd aandoen. 
 
Wanneer men deze conciliaire uitspraken vergelijkt met wat men leest in de magistrale encycliek van Pius XI over de christelijke opvoeding van de jeugd, Divini illius Magistri (1929), treft het dat Gravissimum Educationis Monumentum - Het uitzonderlijk Belang van de Opvoeding (beginletters van deze Verklaring), vertrekt van een andere benadering. Divini illius Magistri werd gericht tot de gelovige christenen en het gaat er uitsluitend over de opvoeding van de gedoopten. De encycliek sloot op dit punt aan bij alle andere kerkelijke documenten. Sindsdien was er echter Pacem in Terris geweest waarin Johannes XXIII alle mensen van goede wil aansprak. En die lijn werd voortgezet op het concilie dat ernaar streefde in dialoog te treden met alle mensen; ze vond haar weerslag in deze Verklaring. Hier heet het dat «de Kerk zorg moet dragen voor het gehele leven van de mens, ook voor zijn aardse leven, voor zover het verbonden is met zijn hemelse roeping. Daarom heeft zij haar eigen aandeel in de vooruitgang en de ontwikkeling van de opvoeding» De aanhef trouwens stelt de Verklaring in deze optiek: «Het uitzonderlijk belang van de opvoeding in het leven van de mens en haar steeds toenemende invloed op de sociale ontwikkeling in onze tijd...». 
 
Men merkt ook in deze beschouwingen de invloed van de antitriomfalistisch trend van het concilie. De Kerk schijnt niet al te erg bezorgd te zijn om haar rechten op gebied van opvoeding maar plaatst zich op het standpunt van het kind: «alle mensen, van welk ras, van welke stand of leeftijd ook, hebben een onvervreemdbaar recht op opvoeding nl. een opvoeding die in overeenstemming is met hun eigen doel, hun eigen aard, hun eigen geslacht en die aangepast is aan hun beschaving en hun voorvaderlijke overlevering, maar tevens ook instaat voor de broederlijke gemeenschap met de andere volkeren tot begunstiging van de ware eenheid en vrede op aarde.» 
 
De voornaamste waarde echter van deze conciliaire stellingname bestaat erin dat de grote principes die de Kerk altijd heeft verdedigd over de opvoeding nog eens duidelijk geaffirmeerd worden. 
 
Dat is op de eerste plaats dat de ouders de eerste en onvervangbare opvoeders zijn van hun kinderen en dat dit door iedereen moet erkend worden. In een lapidaire volzin wordt aan deze opvatting vormgegeven: «De ouders, die de kinderen tot het leven hebben verwekt, hebben de zeer zware verplichting ze op te voeden; ze moeten derhalve worden erkend als hun eerste en voornaamste opvoeders». In nota wordt hierbij verwezen niet alleen naar Divini Illius Magistri, maar ook naar Mit brennender Sorge (1937), de encycliek die Pius XI uitbracht tegen het heidense nazisme waarin het primair recht van de ouders tot opvoeding van hun kinderen krachtig werd opgeëist tegen staat en partij die, met uitsluiting van alle andere instanties, de hand wilden leggen op de jeugd. 
 
Van de burgerlijke maatschappij wordt in deze Verklaring gezegd dat zij de rechten en de plichten van de ouders en van anderen aan wie de ouders een gedeelte van de opvoederstaak toevertrouwen, moet beschermen. Er wordt hier gerefereerd naar het subsidiariteitsbeginsel van de grote sociale encyclieken: de staat dient al het goede te steunen wat van onder komt en alleen het initiatief te nemen voor het algemeen welzijn als de onderdanen in gebreke blijven. Zo moet de staat de opvoeding volledig in handen nemen wanneer de ouders of andere gemeenschappen hierin tekortschieten. 
 
Ook de Kerk heeft een opvoedingstaak. Vooreerst als menselijke vereniging maar vooral omdat zij als opdracht heeft de weg van het heil te verkondigen aan alle mensen en ze te helpen om uit te groeien tot de volmaakte mens, tot de gehele omvang van de volheid van Christus (Ef. 4, 13). Met in noot een verwijzing naar de redevoering die paus Paulus VI op 4 oktober 1965 hield voor de algemene vergadering van de Verenigde Naties wordt eraan toegevoegd dat de Kerk tevens haar hulp biedt aan alle volkeren om de totale volkomenheid van de menselijke persoonlijkheid te bevorderen, tot welzijn ook van de aardse maatschappij en tot de opbouw van een meer humane wereld. 
 
Na een zekere uitweiding over de school die onder alle opvoedingsmiddelen van uitzonderlijk belang is en over de verhevenheid van de roeping van leraar, formuleert de Verklaring enige algemene beginselen van onderwijspolitiek. De ouders moeten van een echte vrijheid genieten inzake keuze van de school. Daarom moet de openbare macht volgens de verdelende rechtvaardigheid de staatssubsidies zo spreiden dat de ouders in ware vrijheid voor hun kinderen scholen kunnen kiezen in overeenstemming met hun geweten. Het is deze uitspraak die de Amerikaanse bisschoppen krachtiger hadden gewenst. Maar was dat doenbaar in een oorkonde die moest gelden voor alle mogelijke toestanden in zovele landen? 
 
Er wordt een afzonderlijke paragraaf gewijd aan de katholieke scholen die als taak hebben de algemene menselijke cultuur met de heilsboodschap te verbinden, zodat de kennis die de leerlingen verkrijgen, door het geloof wordt belicht. 
 
Vroegere kerkelijke documenten onderstreepten hier de ernstige verplichting voor de ouders hun kinderen toe te vertrouwen aan katholieke scholen. In de Verklaring over de christelijke opvoeding van het tweede Vaticaans concilie staat er slechts één zin over de verantwoordelijkheid van de ouders op dit gebied: «Aan de katholieke ouders brengt het concilie de plicht in herinnering hun kinderen wanneer en waar zij het kunnen, aan katholieke scholen toe te vertrouwen, deze scholen volgens hun vermogen te steunen en ermee samen te werken, tot welzijn van hun kinderen.» 
 
Deze aansporing was volgens sommige bisschoppen te zwak. Er werd zelfs beweerd dat het concilie de katholieke scholen liet vallen. Een verwijt dat meer dan onrechtvaardig klinkt vooral wanneer men steeds voor ogen houdt dat de tekst moest gelden voor alle situaties en alle naties. 
 
Want in heel wat landen is het niet mogelijk katholieke scholen op te richten. En daaraan heeft het concilie zeer in het bijzonder gedacht. Het houdt de ouders voor dat zij alles in het werk moeten stellen opdat in die scholen hun kinderen een christelijke vorming kunnen ontvangen die harmonisch met hun profane opleiding samengaat. 
 
Wanneer men al deze bedenkingen leest over de opvoeding en over de scholen, is het duidelijk dat de opstellers vooral het hebben over jonge mensen van ongeveer zes tot achttien jaar en over lagere en middelbare scholen. Als een soort bijvoegsel volgen dan nog enkele paragrafen over het hoger onderwijs. 
 
«Katholieke universiteiten zijn, als het ware, openbare, standvastige en universele aanwezigheid van de christelijke gedachte in een gemeenschappelijke poging om hogere cultuur te bevorderen en zij willen hun studenten vormen tot mensen die werkelijk uitblinken door wetenschap en die bereid zijn om de zwaardere taken in de maatschappij op zich te nemen en getuigen te zijn van het geloof. » 
 
Voor niet-katholieke universiteiten wordt de bisschoppen aanbevolen dat zij convicten en centra zouden oprichten om aan de studenten een geestelijke en intellectuele hulp te bieden. 
 
Tenslotte wordt er nog een richtlijn gegeven voor de katholieke faculteiten van filosofie en theologie. Zij moeten hun statuten herzien. Maar hoe of wat wordt zoals dat nog voortkomt in andere conciliaire Constituties, Decreten en Verklaringen, niet medegedeeld! Een euvel van het concilie is wel dat het heel veel over vernieuwing spreekt, maar niet altijd verklaart waarin die vernieuwing moet bestaan. 
 
Een laatste paragraaf heeft het over diocesane, nationale en internationale coördinatie op onderwijsgebied. De verslaggever had, voor hij bisschop werd, het katholiek onderwijs in België dat daar uitgebreider is dan het staatsonderwijs, tot een geheel gecoördineerd. 
 
Wanneer men nu deze Verklaring zonder vooroordeel en aandachtig leest en alles vergeet wat errond gebeurd is op het concilie zelf, moet men besluiten dat het een evenwichtig en doordacht geheel vormt. Men kan de gedachte opperen of men er niet wat dieper had kunnen op ingaan en uiteenzetten waarom christelijke opvoeding noodzakelijk is en waarin zij eigenlijk bestaat. Men zou kunnen steunen op Bijbelse grondslagen terwijl er heel wat moet te vinden zijn bij de kerkvaders en de scholastische theologen. Dat zou een inzicht geven in de religieuze verbondenheid van de menselijke persoonlijkheid met ouders en opvoeders. Hoe de mens door zijn familie geheiligd wordt en hoe ouders en opvoeders genade betekenen. Het zou doen inzien dat opvoeden iets anders is dan indoctrineren. Maar een conciliedocument is geen filosofisch of theologisch traktaat. 
 
B. Boeyckens S.J. - 144 - 
 
(1) cf. Onze korte conciliegeschiedenis, nr. 112, mei 1981, p. 140. 
 
(2) X. Rynne, «Brieven uit Vaticaanstad. Over de vierde zitting van het concilie» Nederlandse vertaling uit het Engels, p. 189. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht