• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Decreet over de Missieactiviteit van de Kerk

3/7/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 138 – JANUARI 1984 

​Het tweede document dat de dag vóór de sluiting van het concilie, 7 december 1965, werd goedgekeurd, was het Decreet over de missieactiviteit van de Kerk. 
 
Wanneer het schema voor dit Decreet gedurende de derde sessie was aangeboden, waren de missionarissen ontevreden. Zij vonden dat de opstellers van het schema het missiewerk onvoldoende waardeerden. Het schema was volgens hen ook te kort, de complexe problematiek van de missionaire activiteit van de Kerk was nauwelijks aangeraakt. 
 
Voor een groot deel waren deze klachten gegrond. De voorzitter van de commissie, kardinaal Agagianian, was reeds te oud om nog te bezielen. Hij gaf soms de indruk dat de wensen van de missionarissen buiten zijn gezichtseinder lagen en dat hij er niet helemaal bij was. Wanneer de concilievaders in de zitting van 9 november 1964 het schema verwierpen met de opdracht voor de commissie er een nieuw op te stellen, werd pater J. Schütte, generaal van de paters van het Goddelijk Woord, aangesteld als voorzitter van een subcommissie die met deze taak werd belast. 
 
In pater Schütte had de commissie de juiste man gevonden. Gedurende de vierde sessie kon zij een schema voorleggen dat als basis voor verdere bewerking werd goedgekeurd met 2070 stemmen tegen 15. 
 
Er was nochtans een geanimeerde bespreking aan voorafgegaan. Missionarissen uit alle landen waren hun zienswijze komen uiteenzetten en hadden hun desiderata aan het concilie voorgelegd. Pater Schütte is erin geslaagd nagenoeg alle redelijke voorstellen en alle evenwichtige adviezen tot een harmonisch geheel te verwerken. Hij was ook in staat geweest de invloed van bepaalde theologen die ongehoorde theorieën hadden gelanceerd, tegen te gaan en te neutraliseren. Het decreet over de missieactiviteit is een van de beste stukken van het concilie geworden. Het werd aangenomen met 2394 stemmen voor en slechts 5 tegen. Een record! (1) 
 
Dit decreet, zoals heel wat andere decreten en constituties van het concilie begint met een hooggestemde theologische beschouwing. De missionaire activiteit van de Kerk vindt haar eerste oorsprong in de Heilige Drievuldigheid: de Vader die zijn Zoon zendt. De Zoon op zijn beurt heeft ons de Heilige Geest geschonken die de door Christus gestichte Kerk bijstaat tot aan het einde der tijden. Intussen vervult deze de opdracht die zij van de Heer heeft ontvangen: «Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam. van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en leert hen te onderhouden alles wat ik U bevolen heb. » (Mat. 28, 19) 
 
In deze zin is heel de Kerk altijd en overal missionair. In de strikte zin van het woord echter spreekt men van missieactiviteit wanneer het gaat over de evangelisering en inplanting van de Kerk onder volkeren en groeperingen waarin zij nog niet geworteld is. Het Decreet onderscheidt de missieactiviteit enerzijds van het pastoraal die uitgevoerd wordt onder de gelovigen en anderzijds van het oecumenisme d.i. van de pogingen die ondernomen worden om de eenheid onder de christenen te herstellen. 
 
Het doel van het eigenlijk missiewerk is de niet- christenen tot Christus te bekeren. Als zij christenen verlangen te worden hebben zij eerst de status van catechumenen, de tijd waarin zij ingeleid worden in de christelijke leer en het christelijk leven en die afgesloten wordt met het Doopsel. Het Decreet vraagt dat de liturgie van de Vasten- en Paastijd zo herzien wordt dat zij de harten van de catechumenen voorbereidt op de viering van het Paasmysterie, tijdens welke plechtigheid zij door het Doopsel voor Christus herboren worden. Bij de afkondiging van het decreet over de missieactiviteit immers was wel de Constitutie over de Liturgie reeds gepromoveerd, maar waren de liturgische boeken nog niet aangepast. 
 
Echte evangelisatie veronderstelt ook het opbouwen van een christelijke gemeenschap. Daarom is de vorming van een inlandse clerus van belang. Hetgeen over de roeping en opleiding van priesters op het concilie is vastgelegd, dient nauwkeurig onderhouden te worden. Bovendien zal men de geest van de priesterkandidaten openstellen om de cultuur van eigen volk degelijk te leren kennen. Het is ook wenselijk dat geschikte priesters worden uitgekozen om na enige pastorale praktijk hogere studies aan te vangen aan universiteiten in het buitenland, vooral in Rorp_e. Zij 
 
 
- 8 - 
 
zullen, met passende kennis en deskundigheid uitgerust, ter beschikking staan om zwaardere kerkelijke taken te vervullen. 
 
De Constitutie over de Kerk had het diakonaat als blijvende instelling ingevoerd vooral met het oog op de missies. In het Decreet over de Missieaktiviteit staat daarover: «Het is van belang mannen die een echt diakonale bediening uitoefenen door het goddelijk woord als catechist te verkondigen of door in naam van de pastoor en de bisschop leiding te geven aan verspreid liggende christelijke gemeenschappen als door de liefde te beoefenen in sociale of caritatieve werken, de handen op te leggen, het teken dat aan de apostelen is overgeleverd, en ze daardoor te versterken en nauwer aan het altaar te binden, opdat ze hun dienst door de sacramentele genade van het diakonaat doeltreffender vervullen.» 
 
Er wordt in het Decreet ook een paragraaf gewijd aan de opleiding van de catechisten. Men stelt voor diocesane en regionale scholen op te richten waarin de toekomstige catechisten zowel de katholieke leer, vooral met betrekking tot de bijbel en de liturgie, alsook de catechetische methode en de pastorale praktijk goed leren kennen en gevormd worden overeenkomstig de levenswijze van christen mensen die zich zonder ophouden toeleggen op een vroom en heilig leven. 
 
Het Decreet wijst er eveneens op dat men er dient voor te zorgen dat deze catechisten door een rechtvaardige vergoeding een passende levensstandaard kunnen leiden en dat ze sociaal ook verzekerd zijn. 
 
Tenslotte wil het Decreet het religieuze leven in de missielanden bevorderen. Door een innigere toewijding aan God wordt immers in de Kerk op duidelijke wijze het diepste wezen van de christelijke roeping geopenbaard en betekend. Op dit gebied wordt voorgesteld dat de religieuze instituten nauwkeurig zouden nagaan hoe de ascetische en contemplatieve overleveringen, waarvan de kiemen soms reeds vóór de prediking van het Evangelie door God in oude culturen zijn neergelegd, opgenomen kunnen worden in het christelijke religieuze leven. 
 
Hier raakt het Decreet het zo delicate en complexe probleem aan van wat men na het concilie inculturatie is gaan noemen, de inplanting van het Evangelie in de cultuur van de volkeren. Op te merken valt dat het concilie zich voorzichtig uitdrukt met de term «soms» (nonnumquam).
 
Het contemplatieve leven wordt ook vermeld. Omdat het tot de volheid van de aanwezigheid van de Kerk hoort, moet het overal in de jonge kerken ingevoerd worden. 
 
De Kerk echter is niet werkelijk gevestigd, leeft niet ten volle, is geen volmaakt teken van Christus onder de mensen indien niet een echte lekenstand samen met de hiërarchie bestaat en werkt. Want het Evangelie kan niet diep wortelschieten in de aard, het leven en het werken van een volk zonder de actieve tegenwoordigheid van de leken. Daarom moet steeds bij de stichting van de Kerk de grootste aandacht geschonken worden aan een ontwikkelde christelijke lekenstand; want in de leken moet de nieuwe mens verschijnen die naar Gods beeld geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid. 
 
Het Decreet geeft daarom een heel programma over de levenshouding van de leken. Verbonden met hun volk, gelovend in Christus, verspreiden zij hun geloof onder degenen met wie zij in aanraking komen in het gewone leven en in hun beroep. 
 
Het Missiedecreet is inspirerend waar het de roeping en de spiritualiteit beschrijft van de missionaris. Onder aansporing van de Heilige Geest beantwoordt de zendeling zijn roeping. Omdat de gezondene binnentreedt in het leven en de zending van Hem die «zichzelf ontledigd heeft door het bestaan van een dienstknecht op zich te nemen» moet hij bereid zijn deze roeping zijn heel leven lang trouw te blijven en zichzelf en alles wat hij tot dan toe als het zijne bezat, te verloochenen om «alles voor allen te zijn. » (1 Cor. 9,22). Dan zal hij de moed verkrijgen te spreken waar hij spreken moet zonder zich te schamen voor de ergernis van het kruis en te getuigen voor de Heer zo nodig tot bloedvergieten toe. 
 
Hiertoe is een degelijke vorming nodig zowel voor de priesters als voor de broeders, zusters en leken. Reeds vanaf het eerste begin dient hun leerstellige vorming ernaar te streven dat zij de universaliteit van de Kerk en de verscheidenheid van de volkeren omvat. Het Decreet vraagt in het bijzonder dat broeders en zusters onderlegd zouden zijn in de catechetiek om zich nuttig te kunnen maken in het apostolaat. Voorts blijven de missie instituten van een noodzakelijk belang. 
 
Er wordt verder een heel hoofdstuk besteed aan de organisatie van de missieactiviteit. 
 
Het opperste gezag blijft de Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof. De commissie had aanvankelijk een actieve deelneming van de missiebisschoppen aan dit dicasterium voorgesteld. Op bevel van de commissie voor de hervorming van de curie, had men dit moeten wijzigen omdat de hervorming van de curie niet de taak is van het concilie. (2)
 
Uiteindelijk is men dan toch op de wens van het concilie ingegaan. Wij lezen in het Decreet: «In het bestuur van dit dicasterium (voor de Voortplanting van het Geloof) moeten geselecteerde vertegenwoordigers van al degenen die aan de missiearbeid meewerken een actief aandeel hebben met beslissende stem: bisschoppen namelijk uit de hele wereld en aangeduid op het advies van de bisschoppenconferentie, daarnaast oversten van missie instituten en directeurs van pauselijke missiewerken volgens een plan dat de paus van Rome zal opstellen. Zij worden allen op gestelde tijden samengeroepen en oefenen onder het gezag van de paus de opperste leiding uit over heel het missiewerk». 
 
De Congregatie ontvangt trouwens een opdracht van het concilie: missieroepingen en missiespiritualiteit, ijver en gebed voor de missies te bevorderen, betrouwbare en volledige berichten over de missies verspreiden; missionarissen werven en verdelen overeenkomstig de meer dringende behoeften. Er wordt gevraagd dat de Congregatie een werkplan zou opstellen, richtlijnen en beginselen voor een aangepaste evangelisering voorstellen en krachtige aansporingen geven. Pater Schütte verklaarde hieromtrent in een persconferentie dat de Congregatie haar louter passieve en administratieve houding moest laten varen om een actieve instantie te worden voor planning en coördinatie. (3) 
 
In de missies zelf moet alles in handen komen van de plaatselijke bisschop. Alle missionarissen, ook de exempte religieuzen, zijn aan zijn macht onderworpen in de verscheidene werkzaamheden van het heilig apostolaat. 
 
Aan de bisschop wordt gevraagd een pastorale raad in het leven te roepen met afgevaardigden vanwege de geestelijken, de religieuzen en de leken. 
 
Gemeenschappelijk beraad in de bisschoppenconferentie wordt aangemoedigd dit vooral om met vereende krachten instellingen in het leven te roepen die het belang van alles dienen, zoals seminaries, scholen van hoger en technisch onderwijs, centra voor pastorale catechetiek, liturgie en sociale communicatiemiddelen. 
 
In het laatste hoofdstuk van het Decreet wordt uitvoerig gewezen op de plichten van heel de Kerk ten opzichte van de missies. Aan de bisschoppen in het bijzonder wordt aanbevolen sommigen van hun beste priesters die zich voor het missiewerk aanbieden, na de vereiste voorbereiding, naar priesterarme bisdommen uit te zenden om daar minstens tijdelijk een missietaak in een geest van dienstbetoon uit te oefenen. 
 
Wij kunnen in deze oorkonde heel wat elementen ontdekken die nieuw zijn en op het concilie naar voren zijn gekomen. Het diaconaat, het belang van bijbel en liturgie, de inculturatie, de promotie van de leek, de centrale plaats van de bisschop, de pastorale raden etc. Wij willen nog even wijzen op het oecumenisme dat meermalen aan bod komt. In de besprekingen was er vaak op gewezen hoe vooral in de missies de verdeeldheid onder de christenen een ergernis was. In het Decreet worden de missionarissen aangezet om de oecurnenische geest onder de neofieten te bevorderen. Zij moeten goed bedenken dat in Christus gelovende broeders Christus leerlingen zijn, door het Doopsel herboren en deelgenoot aan zeer veel goederen van het Volk Gods. Voor het overige wordt er verwezen naar de richtlijnen van het Decreet over het oecumenisme. 
 
Zo was dit schema uitgegroeid tot een handvest dat de grondwet had kunnen worden voor het missiewerk in de komende eeuwen en waarin de missionarissen bevestiging en bezieling hadden kunnen vinden. Zo is het niet geworden. Niet dit Decreet heeft invloed gehad op de na-conciliaire tijd maar wel de geest van een «paraconcilie». Volgens die geest zou missiewerk voortaan niet meer nodig zijn. God heeft het nu eenmaal zo geschikt dat men ook in andere godsdiensten zalig kan worden. Waarom dan de mensen nog lastigvallen? Ontwikkelingshulp treedt in de plaats van missionering. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
O.-L.-Vrouwdreef 8, 9040 Oostakker. 
 
- 12 - 
(1) Onze korte Conciliegeschiedenis (54), november 1982, p. 270-276. 
 
(2) Onze korte conciliegeschiedenis (54), Positief nr. 126, november 1982, p. 275. 
 
(3) «Aus ihrer mehr passiven, administrativen Haltung heraustreten und zu einer aktiven Plannungsinstanz werden. » (Persconferentie van 7 oktober). 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht