• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Het decreet over de religieuzen

3/7/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 130 – MAART 1983 

​Het tweede decreet dat op 28 oktober 1965 na het decreet over het pastorale ambt van de bisschoppen werd afgekondigd, was dat over de aangepaste hernieuwing van het religieuze leven. 
 
Prions Dieu que les Jacobins
Puissent manger Jes Augustins
Et que Jes Carmes soient pendus
Des cordes des Frères Menus ... (1)
 
Zo dichtte in 1531 Jean Molinet, een kanunnik van Valenciennes. Wat bewijst dat de al te menselijke wedijver in de Kerk tussen reguliere en seculiere geestelijkheid niet van gisteren is. De reguliere instituten hebben altijd veel invloed gehad in de Kerk, vooral dan omdat zij veelal mochten rekenen op de steun van de Heilige Stoel, vaak over het hoofd van de bisschoppen heen. Een concilie echter is een vergadering van bisschoppen waar de religieuzen minder aan hun trekken komen. 
 
Op het tweede Vaticaans concilie is het opgevallen dat bepaalde paters als periti een groot gezag uitoefenden, maar niet de oversten van de orden en congregaties. Die voelden zichzelf soms als ballingen in de nieuwe stromingen van de Kerk. Zij hadden alles lijdzaam ondergaan totdat er een schema over de Kerk werd aangeboden waarin met geen woord gerept werd over de religieuzen. Dat vonden de generaal-oversten van de orden en congregaties toch wat te bar en de reactie begon. Het resultaat was dat Lumen Gentium een speciaal hoofdstuk wijdde aan de religieuzen. (2) 
 
Bij de bespreking over het schema omtrent de religieuzen zelf, ontbrandde weer een strijd tussen de regulieren en sommige concilievaders zoals kardinaal Döpfner, die geen rekening hield met het eigen charisma van de ordestichters, kardinaal Suenens die de vrouwelijke congregaties meer naar de wereld wilde richten en bisschop Charue van Namen die de religieuzen niet eens een plaats gunde in de Kerk. Ook hier hebben de kloosteroversten het pleit gewonnen. Wij besloten het verhaal van dit conflict met de opmerking: «Het decreet over de religieuzen zou alles samen klassiek zijn en traditioneel.» (3) 
 
Hoewel voor dit project een ontzaglijk groot getal «modi» werden voorgedragen, werd ieder hoofdstuk met een verpletterende meerderheid goedgekeurd. Bij de eindstemming behaalde het schema glansrijk de eindstreep., 2126 stemmen voor; 13 tegen, 3 ongeldig. De tegenstanders hadden er het bijltje bij neergelegd. Zij hebben «placet» gezegd op alles wat de religieuzen onderling meenden te moeten decreteren aangaande hun eigen essentiële en existentiële belangen. Voor hen was de tekst onschuldig en werden er normen uiteengezet waarover iedereen het wel eens moest zijn. 
 
In de wandelgangen echter werd het stuk gekraakt door de conciliaire vernieuwers, omdat het gespeend zou zijn van iedere vernieuwingsgeest en alleen maar «waarheden als koeien» verkondigde. In deze kringen werden bepaalde moeilijkheden die er in de jaren '60 ongetwijfeld bestonden in de kloosters, dik in de verf gezet. Er werd gezegd dat een aantal religieuzen, ook heel eenvoudige zusters, die als prima werkers in de Kerk beschouwd worden, in spanning leefden met hun instituut en overheidsapparaat, wat vaak veel inwendig leed en in toenemende mate pijnlijke breuken veroorzaakte. Degenen die zo redeneerden, verwachtten alles van sociologisch en psychologisch onderzoek voor een hernieuwde oriëntatie van het kloosterleven. Dit profaan denken en aanvoelen drukte zich wel eens uit in een religieuze en evangelische terminologie en dan verwees men nog al eens naar de Heilige Geest. 
 
Overigens werd er in die tijd nogal gemakkelijk omgesprongen met de Heilige Geest. Men vergat wel eens dat de Heilige Geest nooit werkt los van de Kerk en dat zijn werking op de eerste plaats te zoeken is in de Traditie. Ook voor de vernieuwing van het kloosterleven geldt het adagium: «Nihil innovetur nisi quod traditum est» Vrij vertaald heet dat: «Iedere vernieuwing moet zijn wortels hebben in de traditie.» 
 
De kloosteroversten werden gewaar dat de kostbare schat van de roeping van hun onderdanen bedreigd werd door degenen die maar al te veel begoocheld werden door modeverschijnselen en zwoeren bij disciplines die toen opgang maakten. Voor de kloosteroversten integendeel moest iedere vernieuwing teruggaan naar de religieuze diepte van de wijsheid en naar het evenwicht van hun heilige stichters. Maar heiligen waren uit de gezichtskring van de gangmakers van de conciliaire geest verdwenen. De kloosteroversten hebben het bespeurd en hebben zich verdedigd. Zij hebben er voor gezorgd dat in het decreet voor de religieuzen de traditionele waarden niet verloren gingen. Het is geen stuk geworden van een opwindende inspiratie maar een afgewogen geheel, gedragen door de eeuwenoude wijsheid van de kloosterstichters, met de eeuwigheid als gouden achtergrond. 
 
Zoals andere documenten van het concilie begint ook het decreet voor de religieuzen («Perfectae caritatis» «volmaakte liefde» zijn de eerste woorden waarnaar het zal geciteerd worden) met een christologische grondslag: het religieuze leven bestaat erin dat men zich door God geroepen weet om Christus te volgen in maagdelijkheid, armoede en gehoorzaamheid. De grote verscheidenheid die hierin bestaat, wordt beaamd en als een weldaad voor de Kerk gezien. 
 
En dan worden de principes vastgelegd voor een aangepaste vernieuwing. Het is allesbehalve een hals over kop veranderen. Men heeft er van gezegd dat de moderne aanpassing met opgeheven vinger ter waarschuwing wordt tegemoet getreden. Zoveel jaren na het concilie weten wij dat die waarschuwing nodig was. 
 
«De aangepaste vernieuwing van het religieuze leven, zo begint deze principesverklaring, omvat tegelijk zowel een voortdurende terugkeer naar de bronnen van ieder christelijk leven en naar de oorspronkelijke inspiratie van de instellingen als de aanpassing daarvan aan de gewijzigde omstandigheden.» 
 
Vóór alles wordt er op gewezen dat men de geest en de eigen bedoelingen van de Stichters alsook de gezonde tradities dient te erkennen en te handhaven. 
 
Men zal dit na het concilie in meerdere orden en congregaties op een eigenaardige manier uitvoeren. Want wellicht was nergens de wil tot «vernieuwing» zo groot als bij de religieuzen, ondanks het «conservatieve» conciliedecreet. De eigen bedoelingen van de Stichters erkennen wordt dan: wat zou onze heilige Stichter doen in deze tijd? 
 
Op die vraag werd soms vlug geantwoord en uit dit antwoord voorbarige conclusies getrokken. Cisterciënsermonniken herinnerden zich dat hun eerste vaders onze voorouders het land leerden bebouwen. In onze geïndustrialiseerde maatschappij moesten ze dat niet meer doen, maar als arbeiders gaan werken in fabrieken. Een leven waar die paters en broeders niet waren op voorbereid, en wat dan ook slecht afliep. 
 
Franciscanen waren ook bezig met het probleem hoe de heilige Franciscus zich zou gedragen in de post-conciliaire periode. Eigenlijk zijn dat zinloze kwesties. Juist volgens de moderne filosofie behoort de «historische dimensie» tot de menselijke persoonlijkheid. Franciscus in de 20ste eeuw overgeplaatst, zou Franciscus niet meer zijn. Wordt daarmee bedoeld dat hij zonder betekenis is voor ons? Integendeel. Als wij veilig, zonder gevaar voor zelfbegoocheling, de werking van de Heilige Geest willen kennen, dan moeten wij die zoeken in de geschiedenis van de Kerk. Daarvan mogen wij niets laten verloren gaan. Franciscus en zijn orde moeten in onze tijd nog inspirerend blijven werken en wel de Franciscus van de 13de eeuw, met al de frisheid van de opkomende Westerse en Christelijke cultuur. 
 
Ook jezuïeten wilden weten wat de heilige lgnatius zou uitrichten in deze tijd. Eveneens een vals probleem. De lgnatius van de 20ste eeuw zou lgnatius niet meer zijn. Ook de Contrareformatie mogen wij niet verloochenen. Haar strijdmoed niet en haar triomfalisme niet. (4) 
 
Men zou de bedoeling van de opstellers van Perfectae Caritatis slecht begrijpen indien men ze een houding zou toeschrijven van afwijzen van iedere vernieuwing en aanpassing. Nadat noodzakelijkheid van trouw aan de bedoeling van de Stichters en de gezonde tradities werd onderstreept, wordt verordend dat de constituties, «directoria», boeken met gebruiken, gebeden en ceremonies en nog andere dergelijke regelende geschriften, herzien moeten worden om ze aan te passen aan de eisen van de cultuur en van de maatschappelijke en economische omstandigheden. 
 
De essentie van het religieuze leven wordt dan, ondanks een zekere conciliaire terminologie die hieraan tegengesteld is, weergegeven als een verzaken aan de wereld, «renunciere mundo», om alleen voor God te leven. 
 
In dit verband hadden de religieuzen - bisschoppen vooral - de noodzakelijkheid van het gebed beklemtoond en tegenover degenen die alles tot apostolaat wilden herleiden, de grote waarde van de contemplatieve orden in het licht gesteld. En het was opvallend hoe de leden van actieve orden de verdediging van de contemplatieven op zich namen. (5) 
 
«De instellingen die geheel en al op de beschouwing zijn gericht, zodat de leden ervan in eenzaamheid en stilzwijgen, in voortdurend gebed en blijmoedige boetvaardigheid, met heel hun tijd vrij zijn voor God alleen, blijven steeds in Christus' mystieke Lichaam een rol van bijzonder verheven betekenis behouden, hoe dringend ook de behoefte aan actief apostolaat mag zijn.”
 
Van de andere kant echter werden ook de seculiere instituten erkend. Het decreet zegt erover: «hoewel geen religieuze instellingen betekenen de seculiere instituten toch een waarachtige en volledige, door de Kerk erkende beoefening van de evangelische raden in de wereld.» 
 
Na een paar bijbelse beschouwingen over de kuisheid, wordt hieromtrent een onderrichting gegeven. Zij is klassiek, men voelt er de waakzame overste achter en zij is van en voor alle tijden: «Voor de kuisheid moeten de religieuzen vertrouwen op Gods hulp en zich niet op eigen krachten verlaten,de versterving beoefenen en de bewaking der zinnen in acht nemen. Zij dienen ook de natuurlijke middelen die de gezondheid van geest en lichaam bevorderen niet te verwaarlozen. Op deze wijze zullen zij niet onder de invloed raken van de valse leerstellingen, die de volmaakte onthouding voorstellen als onmogelijk of schadelijk voor de menselijke ontplooiing, en met een soort geestelijk instinct alles afwijzen wat de kuisheid in gevaar brengt. Bovendien moeten allen en vooral de oversten bedenken dat men de kuisheid veiliger bewaart, wanneer onder de leden een ware broederlijke liefde heerst in het gemeenschappelijk leven.”
 
Voor de armoede wordt nieuw, de wet van de arbeid, en oud, vertrouwen op de Voorzienigheid, harmonisch samengebracht. «Zij moeten zich, ieder in zijn eigen werk, gebonden weten aan de algemene wet van de arbeid, en, terwijl zij op deze wijze verwerven wat nodig is voor hun onderhoud en hun werken, behoren zij alle misplaatste bezorgheid van zich af te werpen en zich toe te vertrouwen aan de Voorzienigheid van de Hemelse Vader.» 
 
De uiteenzetting over de gehoorzaamheid steunt zoals die over de armoede op Schrift en Traditie in die zin dat zij wordt teruggebracht tot de gehoorzaamheid van de Heer Jezus en daarom van de religieuzen nederige volgzaamheid vraagt. Tevens hoort men hier ook moderne klanken wanneer aan de overste zelf heel wat richtlijnen worden gegeven. Zij moeten hun gezag uitoefenen in een geest van dienstbaarheid, met eerbied voor de menselijke persoon en graag naar hun onderdanen luisteren. 
 
Het leven in gemeenschap moet bevorderd worden. Waar priesters en broeders samen zijn moet er een nauwe band bestaan tussen beiden. Voor de vrouwelijke kloosters wordt gevraagd dat er voortaan geen onderscheid zou bestaan tussen verschillende categorieën van zusters. 
 
Om te sluiten worden tamelijk algemene richtlijnen gegeven over opleiding, het aansluiten van kleinere instituten bij andere die meer levenskrachtig zijn. 
 
Na het concilie zal onder de kloosterlingen in naam van het concilie, een vernieuwingswoede uitbreken. Een bijzonder punt van het decreet zal met meer dan gewone vlijt en ijver worden doorgevoerd, de herziening namelijk van de constituties. Maar dan niet volgens de principes vermeld in -Perfectae Caritatis, doch alleen steunend op sociologie en psychologie. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
(1) Jean Molinet, Faictz en dietz, f. 188. «Laat ons bidden dat de jacobijnen De augustijnen mogen opeten en dat de karmelieten worden gehangen door de koorden der minderbroeders.» 
(2) cf. Onze korte Conciliegeschiedenis, Positief, nr. 85, oktober 1978, p. 236-240. 
(3) cf. Onze korte Conciliegeschiedenis, Positief, nr. 110, maart 1981, p. 81. 
(4) Een idee die bij de periti aanwezig was en die na het concilie met alle 
geweld zou doorbreken, was dat de posttridentijnse periode definitief voorbij was. Al wat het concilie van Trente had bijgebracht mochten wij opbergen. En op die weg ging men steeds verder. Weldra was al wat na Constantijn gekomen was, verkeerd. Küng tenslotte vond al afwijkingen in het Nieuw Testament. Hij stelde een canon op in de canon. Maar dat had Harnack ook reeds gedaan! Wij mogen er een werking van de H. Geest in zien dat nagenoeg niets van die denkvormen in de officiële documenten van Vaticanum Il is doorgedrongen. Zeker niet in Perfectae Caritatis. 
(5) cf. Onze korte Conciliegeschiedenis, Positief, nr. 110, maart 1981, p. 78. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht