• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Nog eens de Missies

3/7/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 126 – NOVEMBER 1982 

​In nummer 37 van onze conciliegeschiedenis waar het ging over de missies en de bespreking daarover op de derde sessie van het concilie, hebben wij de vraag gesteld of het wel nodig was dat Vaticanum Il iets over de missies zou afkondigen (1). De missies verwekten eigenlijk niet zoveel zorgen, tenzij misschien de gevoelige daling van de missieroepingen sedert 1958. Het concilie zou daar echter niet kunnen aan verhelpen. 
 
Vaticanum Il echter was scheepgegaan zonder vaste dagorde. En op een vergadering zonder vooropgestelde agenda spreekt men over alles wat van enig belang is. Welnu de missies waren belangrijk. 
 
Dit had voor gevolg dat de gedachtewisseling weinig gestroomlijnd was, nogal verward en affectief geladen. De missionarissen vonden het voorgelegde schema te kort en dat de opstellers van het project er niet in geslaagd waren betekenis en waarde van de missies in het volle licht te stellen. 
 
Het schema over de missies dat op de vierde sessie werd aangeboden was langer en men zou onrechtvaardig zijn door te beweren dat het missiewerk erin werd onderschat. Desondanks was de discussie nog ordelozer dan op de derde sessie. Een aantal missiebisschoppen hadden nu de drempelvrees om op het spreekgestoelte te verschijnen overwonnen en kwamen hun eigen bekommeringen uiteenzetten. Vanzelfsprekend waren het moeilijkheden die niet door een algemene vergadering kunnen worden opgelost. Toch waren er enkele punten van meer universele aard die nogal eens terugkwamen. 
 
De zichtbare Kerk en de grote niet-christelijke godsdiensten. 
 
Er is vooreerst iets zeer fundamenteels dat de grondslagen van de missionering raakt en de motivatie van het werk der missionarissen in het in het gedrang brengt. Waarom missie? Een vraag waarop vroeger iedere christen een antwoord wist: om de mensen te bekeren. Maar na de derde sessie had de invloedrijke H. Küng geschreven dat het concilie zich had verzet om gelijk welk probleem van enig gewicht definitief en negatief te beslechten en hij had eraan toegevoegd dat er tegenwoordig geen enkele kwestie meer is waarover in de katholieke Kerk niet meer gediscussieerd wordt (2). 
 
Als wij dat goed begrijpen wil dit zeggen dat sedert het concilie in de Kerk niets meer vaststaat. Omtrent het missiewerk in het bijzonder had H. Küng op het eucharistisch congres van Bombay een theorie ontwikkeld die geheel «nieuw» was, «novum», wat in de katholieke theologie betekent: zonder aansluiting bij de Traditie. 
 
Zo had H. Küng te Bombay voorgehouden dat het behoren tot de Kerk eerder de «via extraordinaria», de niet gewone weg, is om tot het heil te geraken, dat de «via ordinaria», de gewone weg, te vinden is bij gelijk welke van de wereldgodsdiensten en dat de opdracht van de Kerk erin bestaat de wereldgodsdiensten te dienen. 
 
Wanneer men uit die redenering de nodige conclusies wil trekken dan moet men afzien van iedere poging om de mensen te bekeren en dan dient het missiewerk vervangen te worden door ontwikkelingshulp. 
 
In de marge van het concilie werd er in deze richting druk geïndoctrineerd. Vooral door lezingen van K. Rahner die zijn theorie van de «anonieme christenen» uiteenzette en verdedigde. Het viel als een koud stortbad neer op de hoofden van de bisschoppen, bij wie het verwondering wekte en verzet uitlokte. 
 
In de concilieaula geraakte deze zienswijze niet door de slagboom van de sensus catholicus van de bisschoppen. Een paar keren werd voorzichtig de stelling verdedigd dat de niet-christelijke wereldgodsdiensten kunnen helpen om tot het heil te geraken. De meeste bisschoppen echter bespeurden hier een gevaar en wezen het denkbeeld dat niet-christelijke godsdiensten een sacramentele heilswerkelijkheid zouden bezitten, resoluut van de hand. 
 
Kardinaal König van Wenen, oud-professor in de vergelijkende godsdienst-wetenschappen, kwam op voor een zekere heilswerking bij de niet-christelijke godsdiensten. 
 
 
Hij bracht echter niet de gewenste klaarheid en zijn betoog miste overtuigingskracht. Zijn uiteenzetting was trouwens niet vrij te pleiten van een zekere contradictie. Aldus zijn theorie dat de niet-christelijke godsdiensten niet een weg naar het heil zijn, maar dan toch enigszins de mensen voorbereiden om het heil te vinden (3). 
 
Kardinaal König moest een frontale aanval incasseren vanwege Pater M. Quéguiner, algemene overste van de Missions Etrangères van Parijs. Deze was van oordeel dat de opvatting dat Christus een Kerk als minderheid zou gewild hebben en niet een Kerk die eenmaal alle volkeren zal omvatten, ondubbelzinnig en absoluut moest verworpen worden. Eveneens de leer die beweert dat niet-christelijke godsdiensten als het ware een sacramentele hulp zijn tot het bekomen van het heil. Volgens de uit China verbannen bisschop van Hsiamen, J. Velasco, deed het schema te veel concessies aan de «nieuwe theologie». Er mag niet geïnsinueerd worden dat in andere godsdiensten «substantieel» christelijke waarden bestaan. 
 
Over 't algemeen werd het schema geprezen. Er zouden alleen nog enkele verbeteringen moeten worden bijgebracht. Als de ontwerpers gehoor wilden geven aan wat in de concilieaula werd gevraagd, zouden zij ervoor zorgen dat de absoluutheid van het christendom veilig werd gesteld. 
 
Het schandaal van de verdeeldheid onder de christenen in de missies. In de oecumenische gesprekken in en rond het concilie is er vaak op gewezen dat in de missies de verdeeldheid onder de christenen ergernis verwekt, dat men dus vooral in de missies aan oecumene moet doen, dat de christenen daar met mekaar geen concurrentie mogen voeren en op verschillende gebieden kunnen samenwerken. 
 
Mgr. J. Gay, bisschop van Basse-Terre (Guadeloupe, Franse Antillen) drukte de concilievaders op het hart dat er vooral in de missies tegenover de afgescheiden broeders goede trouw moet zijn, liefde en achting. 
 
Het meest uitvoerig en ook het meest indrukwekkend over het oecumenisme in de missies sprak de generaal van de Vlaamse missiecongregatie van Scheut, pater 0. Degrijse. 
 
Hij begon met te verklaren dat hij het woord voerde in naam van 90 concilievaders uit Afrika. N.- en Z.-Amerika, Azië, Oceanië en tenslotte Europa. Hij loofde het schema om de waardevolle dingen die werden gezegd over het oecumenisme doch volgens hem waren de diepste verbanden tussen de missionaire en oecumenische activiteit niet blootgelegd. 
 
Men kon merken dat het referaat van de generaal van de scheutisten instemming vond bij de concilievaders wegens het evenwicht van de argumentatie. Pater Degrijse was er zich terdege van bewust dat hij geen gemakkelijke dingen vroeg wanneer hij vooropstelde dat zowel religieus indifferentisme als iedere schijn van ongezonde wedijver moesten worden uitgesloten. 
 
De spreker wees vier graden aan in de noodzakelijke samenwerking van de leerlingen van Christus in de missies. 
 
Een eerste graad veronderstelt belangstelling en waardering voor de afgescheiden broeders. Vertrouwvol met mekaar omgaan zonder verdenkingen. 
 
Een tweede graad bestaat in het gezamenlijk gebruik maken van uiterlijke middelen zoals radio, televisie, dagbladen eventueel ook hospitalen en scholen. 
 
De derde graad betreft de christelijke sociale actie. Het innemen van gemeenschappelijke standpunten voor de vrede, tegenover het racisme, ten opzichte van de openbare zedelijkheid. 
 
De vierde graad is de moeilijkste en gaat over de evangelisatie zelf, de verkondiging van het heil. In geen geval mag er afbreuk gedaan worden aan de trouw aan de Kerk. Alles zal afhangen van de geestelijke rijpheid, het onderscheidingsvermogen en de bescheidenheid van de zendelingen en missionarissen. Maar als die aanwezig zijn is wel een gemeenschappelijk getuigenis mogelijk. Dat zou bestaan in een concreet teken, in een soort parabel van de eenheid waarnaar wij streven. Pater Degrijse vernoemde hier de broeders van Taîzé. 
 
Minder evenwichtig was de tussenkomst van een andere scheutist, Mgr. J. Van Cauwelaert, bisschop van lnongo (Zaïre). Hij gaf de indruk dat hij de progressistische trein niet wilde missen. Er moest sterker onderstreept worden, zo betoogde hij, dat men ook buiten het evangelie het heil kan bereiken en dat alle christenen moesten samenwerken. Hij affirmeerde zonder meer dat er geen gevaar voor indifferentisme instak. Een trend die na het concilie zal worden voortgezet en het missionaire elan zal breken. 
 
De verhouding tussen missie-instituten en autochtone Kerken, tussen regulieren en seculieren. 
 
Dit is een oud zeer in de missieactiviteit. Historisch gezien zijn de missies het werk geweest van kloosterorden en congregaties. Maar naargelang de Kerk was ingeplant, werd tevens de hiërarchie gevestigd. En dan doken de moeilijkheden op. De missionarissen hadden vaak te gehoorzamen aan twee oversten die beiden zo wat op dezelfde voet stonden, zonder dat een van beiden aan de andere was ondergeschikt. Dat ging soms zeer goed wanneer een van de twee plooibaar was en schikkelijk of wanneer een van de twee als persoonlijkheid boven de andere uitstak. Maar dat was niet altijd het geval. Ook in de missies moest men rekening houden met het al-te-menselijke. Er ontstond wel eens wrijving tussen de plaatselijke bisschop en de reguliere overste. 
 
Op een concilie komen de bisschoppen aan hun trekken en bestaat er een neiging alle controversen waarin bisschoppen betrokken zijn, in het voordeel van deze laatsten op te lossen. Bisschop Sibomana van Ruhengeri (Rwanda) plaatste de autochtone hiërarchie in het centrum van de missie-spiritualiteit. Er kunnen geen twee autoriteiten naast elkaar bestaan, want alle gezag komt van God en God is onverdeeld. Daarom moeten ook de missionarissen van religieuze instituten, die een eigen spiritualiteit bezitten, de lokale bisschop beschouwen als de gemeenschappelijke vader, die de band vormt tussen allen die in zijn bisdom arbeiden aan de uitbreiding van het Rijk Gods. 
 
Bisschop M. Ntugahaga van Bujumbura (Burundi) brak een lans voor de missie-instituten die in de missies echter geen leiding mogen geven maar samen moeten werken met de hiërarchie. 
 
Doch kardinaal P. Zougrana van Ouagadougou (Haute Volta) nam zonder meer de verdediging op van de missie-instituten. Hij was van oordeel dat de missie-instituten onrechtvaardig bekritiseerd werden. Die kritiek, die vooral in westerse landen wordt geuit door personen die de missies maar van veraf kennen, is al oorzaak dat de roepingen tot missionaris afnemen, wat een ramp is voor de nieuwe autochtone Kerken. 
 
Een meer praktische opmerking op dit gebied kwam van bisschop Han Kong-Ryel van Jeon Ju (Korea). Hij drukte erop dat de jongelui die in Europa of Amerika opgeleid worden tot missionaris, deze opleiding moeten ontvangen in bepaalde instituten. Deze instituten leveren dan hun gevormde kandidaten af aan een bisdom in een missiegebied. Dat missionarissen zich individueel aanbieden aan een missiebisschop brengt veel inconveniënten mee. 
 
Het probleem zou grotendeels vanzelf opgelost geraken in de postconciliaire tijd met de daling van de roepingen. Dat maakt iedereen bescheiden, inschikkelijk en mild. 
 
De reorganisatie van de Congregatie van de Voortplanting van het Geloof. 
 
Wat omtrent het missieschema op het concilie gedurende de vierde sessie besproken werd, raakte nogal eens andere schema's: het schema over de niet-christelijke godsdiensten, over het oecumenisme, over de Kerk, over de bisschoppen, over de religieuzen. Er werden ook een paar beschouwingen te berde gebracht over de hervorming van de Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof. (Congregatio de Propaganda Fide). Alle missiegebieden hingen daarvan af. Over deze Congregatie waren er klachten geuit door missie-bisschoppen, zoals de bisschoppen in 't algemeen hun doleanties hadden tegenover de Curie. Ook hier kwam de pro-bisschoppen trend van het concilie naar voren. Er werd nogal eens voorgesteld dat een aantal lokale bisschoppen uit de missie zitting zouden hebben in de Congregatie. Aldus bisschop J. Martin van Bururu (Burundi). Maar een andere bisschop Mgr. Attipetty van Verapoly (India) nam het op voor de Congregatie De Propaganda Fide. Volgens hem mogen wij de bisschoppelijke collegialiteit niet overdrijven en aan de paus niet een hervorming van de Propaganda Fide opdringen. 
 
Tijdens de discussie is bekend geworden dat de oorspronkelijke tekst van het schema een actieve deelneming van missiebisschoppen als leden van de Congregatie de Propaganda Fide voorstond. Op bevel van de commissie voor de hervorming van de Curie had men dit moeten verwijderen omdat de hervorming van de Curie niet de taak is van het concilie. 
 
Problemen van bijzondere aard. 
 
En dan waren er de missiebisschoppen die uitsluitend over hun eigen zorgen praatten. Zij gaven een beeld van de veelzijdigheid van de problemen in de missies. 
 
Zo wilde bisschop Mazioldi van Juba uit Soedan, een land waar een hevige om niet te zeggen een bloedige vervolging woedde tegen het christendom, dat er in het schema meer reliëf zou gegeven worden aan de onvermijdelijke vervolgingen die het gevolg kunnen zijn van de evangelisatie. Het recht van de Kerk op de vrijheid in het vervullen van haar zending, moet meer benadrukt worden. Van zijn kant betoonde de apostolische vicaris van de Oekraïnische christenen in Argentinië zijn bezorgdheid voor de landen die overheerst worden door het moderne atheïsme. 
 
De Italiaanse bisschop O. Poletti was zakelijk: het schema spreekt wel over het aankweken van de echte missiegeest maar rept geen woord over het verlenen van materiële steun aan de missies, zonder dewelke zij niet kunnen leven. Nog scherper was bisschop J. de Reeper van Kisumu (Kenia): Wanneer de missiebisschoppen terug in hun gebied komen, zo waarschuwde hij, zal hun niet gevraagd worden welke definitie het concilie aan het begrip «missie» gegeven heeft, maar wat voor hulp het geschonken heeft aan de missies en vooral aan de armen. Het Latijnse spreekwoord: «primurn vivere et deinde philosophare» «eerst leven en dan filosoferen» betekent voor een missionaris: «primum colligere et deinde praedicare» «eerst geld inzamelen en dan preken». 
 
De verbannen bisschop van Nanking P. Yu Pin uitte de wens dat men zich gereed zou houden om het missiewerk in China weer op te nemen. 
 
Het uitvoerigst en helemaal vanuit de eigen situatie, (oud-missionaris in Japan; jezuïet die aan intellectueel apostolaat doet) sprak pater Arrupe, generaal van de jezuïeten, wiens manier van voorstellen nu helemaal was aangepast aan de mentaliteit van het concilie. Hij drukte de mening uit dat de missiegeest in Europa en Amerika zich nogal eens sentimenteel voordoet. Voor kinderen en zieken haalt men veel geld op. Wat te loven is. Maar universiteiten en wetenschappelijke publicaties waar toch een grote invloed van uitgaat vinden minder steun. 
 
Tenslotte werd het schema als basis voor verdere bewerking aangenomen met 2070 stemmen tegen 15. 
 
B. Boeyckens, S.J. 
 
 
 
(1) Onze korte Conciliegeschiedenis (37), februari 1981, p. 48. 
(2) Onze korte conciliegeschiedenis (41), Positief nr. 113, juni 1981, p. 175. - 271 - 
(3) Wij weten niet of wij goed vertalen. In het Latijn bestaat geen lidwoord zodat het ook «de» weg naar het heil kan betekenen. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht