• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Onze korte Conciliegeschiedenis : Verklaring over de Houding van de Kerk tov niet-christelijke Godsdiensten

3/7/2023

 
Verschenen in POSITIEF nr. 133 – JUNI 1983 

​Het vijfde en laatste document dat de concilievaders ter goedkeuring werd voorgelegd, was de Verklaring van de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten. 
 
Indien de Verklaring over de christelijke opvoeding de kenmerken draagt van iets dat op het einde van een vergadering er nog door moet, dan is daarentegen dit stuk het resultaat van iets dat werkelijk doorgepraat werd, waar talrijke verbeteringen werden aangebracht en dan nog eens verbeteringen op de verbeteringen, waarvan de afkondiging steeds maar werd uitgesteld en waaromtrent men tot op de laatste dag vreesde dat de promulgatie niet zou plaats vinden. 
 
Deze Verklaring was een heet hangijzer, en wel omwille van het laatste hoofdstuk dat veruit het langst uitviel en dat over de Joden ging. 
 
Het schema over de Joden had zowat hetzelfde lot gekend als dat over de godsdienstvrijheid. Men dacht aanvankelijk dat het er zonder moeilijkheden zou doorkomen. Paste het niet dat de Kerk alle antisemitisme zou veroordelen en iets goeds, ja eigenlijk veel goeds zou zeggen over de Joden, het volk dat zoveel lijden had gekend door de vervolging van de nazi's? 
 
Men had zich niet gerealiseerd dat een conciliestuk dat zich gunstig zou uitspreken over de Joden heel wat moeilijkheden zou bezorgen aan de bisschoppen van het nabije Oosten. De Arabische landen zouden niet anders kunnen dan er politiek in zien, zo beweerden zij, en de christenen die in de Arabische landen wonen, zouden er het slachtoffer van worden. De bisschoppen van de Oosterse ritus verlangden noch min noch meer dat een verklaring ten gunste van de Joden achterwege zou blijven. 
 
Dat kon het concilie niet doen. Het zou niet alleen gezichtsverlies zijn maar sterk de indruk geven van een gebrek aan moed om een christelijk standpunt op gebied van antisemitisme in te nemen. 
 
Het concilie zou dan wel een boodschap de wereld inzenden over de Joden maar er tevens over waken dat alles op strikt religieus terrein bleef en alle politieke complicaties vermeden werden. Op religieus gebied heeft Israël, het uitverkoren volk, zoveel banden met het christendom! 
 
Maar ook de Islam staat dichter bij het christendom dan de andere niet-christelijke godsdiensten. Waarom dan ook niet wijzen op hetgeen christenen en mohammedanen verbindt? 
 
Van de andere kant was gedurende het concilie het verlangen gegroeid om een Verklaring uit te vaardigen over de niet-christelijke godsdiensten. Het schema over de Joden verhuisde aldus van het oecumenisme naar de niet-christelijke godsdiensten. En het schema over de mohammedanen verhuisde mee. Er zou een afzonderlijke paragraaf in de Verklaring over niet-christelijke godsdiensten besteed worden aan de Joden en een ander aan de Islam. 
 
Zo zou het een Verklaring worden onderverdeeld in drie hoofdstukken: de niet-christelijke godsdiensten, de Islamitische godsdiensten, de Joodse godsdienst. Dit laatste deel zou niet alleen het langste zijn, maar ook het meest omstreden. 
 
Wij zagen reeds hoe een eerste goedkeuring rellen had uitgelokt in de Arabische landen (1). 
 
Tussen de derde en de vierde sessie was het dan ook een druk diplomatiek onderhandelen met allerhande Oosterse instanties om ze ervan te overtuigen dat de concilieverklaring over de Joden zuiver religieus zou zijn. Met het oog daarop werden verschillende veranderingen aangebracht die de Joden en de pro-Joodse partij, die veruit de meerderheid vormde op het concilie, dan weer aanzagen als een afzwakking die ontevredenheid opwekte. 
 
Zo was de onschuld van de Joden aan een Godsmoord totaal weggelaten. Dit ook en misschien vooral wegens de interne tegenspraak die in het begrip ligt (God kan men niet vermoorden). De oorspronkelijke versie verklaarde dat wat in de passie van Ons Heer gebeurd is, niet aan heel het volk dat in die tijd leefde en nog minder aan het volk van deze tijd mag toegeschreven worden. Deze zienswijze was in de concilieaula verdedigd door kardinaal Bea die verwezen had naar Mattheus 26,6: «Niet op het feest, er mocht eens oproer komen onder het volk. » De tekst was behouden, maar men had er bijgevoegd: «Hoewel de Joodse overheden met hun aanhangers de dood van Christus hadden opgeëist». Dit was een reactie tegen de opmerking van sommigen dat het concilie dit historisch feit wilde ongedaan maken. 
 
In het project waarover men tijdens de derde sessie van gedachten had gewisseld, stond dat de Kerk haatgevoelens en vervolgingen tegen de Joden betreurt en veroordeelt. In het verbeterde voorstel was het woord «veroordeelt» weggelaten, maar anderzijds werden bij haatgevoelens en vervolgingen ook uitingen van antisemitisme vermeld. 
 
Intussen was er ook reactie gekomen vanuit een andere hoek. Monseigneur Carli, bisschop van Segni en één van de voornaamste figuren van het coetus internationalis, schreef over de Joden in Palestra del Clero XLIV, 1965, p. 185-203: La questione judaica davanti al Concilio Vaticano ll. Het was een artikel tegen een gunstige verklaring over de Joden. 
 
Dat was een spijtig iets. Niet omwille van de stellingname die hier werd uiteengezet, maar omdat het weer eens de partijvorming op het concilie in het volle daglicht stelt. Het coetus internationalis patrum was ontstaan als tegengewicht tegenover de «Eurobisschoppen». (2) Het kon bijna niet anders of het moest zo uitvallen. Het had positieve kanten. Het coetus zou de Traditie verdedigen tegenover de vernieuwingsgeest van de anderen. 
 
Maar na een tijd waren het werkelijk twee partijen tegenover elkaar. Waar de enen voor waren, waren de anderen tegen. Ook in deze kwestie weer. Aanvankelijk zag het eruit dat, met uitzondering van de bisschoppen van Oosterse ritus die tussen de Arabieren leven, alle concilievaders een verklaring van sympathie wensten voor de Joden. Wanneer de bisschoppen van Oosterse ritus ertegen waren, dan was dat uit redenen van opportuniteit. Zij werden nu vervoegd door de bisschoppen van het coetus die zich tegen een verklaring voor de Joden verzetten wegens motieven van doctrinaire aard. 
 
Zij kwamen op voor een bepaalde lijn in de traditie, die van het perfidi Judaei, de trouweloze Joden, zoals het vóór het concilie in de liturgie van Goede Vrijdag werd gebeden. Het is een vorm van antisemitisme waarvan de eerste sporen te vinden zijn bij de kerkvaders. (3) 
 
Het is een anti-affect tegenover de Joden dat steunt op een historisch feit, het ‘sui Eum non receperunt,’ de zijnen hebben Hem niet ontvangen, van de Proloog van het Johannesevangelie. Maar het concilie wilde zich juist van dat anti-affect zuiveren, want zulke houding is niet overeen te brengen met het gebod van naastenliefde van het Evangelie. 
 
In de poging echter om zich van alle antisemitische smet te bevrijden, kon men nochtans niet loochenen dat de meerderheid van de Joden Jezus als Messias niet herkend had en dat hun leiders Hem ter dood hadden gebracht. Daarop had Carli een hele theorie opgebouwd die hij in het Italiaanse tijdschrift verdedigde. 
 
Carli begint met een duidelijk stellen van zijn terminologie. Het Joodse volk kan een etnologische en een politieke betekenis hebben. Wanneer men het etnologisch opvat, dan behoort tot het Joodse volk een afstammeling van èèn van de twaalf stammen van Israël, welke godsdienst hij ook belijdt of van welk land hij ook staatsburger is. Vanuit politiek standpunt duidt Joodse volk op de burgers van de staat Israël. Het concilie nu moet zich bezighouden met het Jodendom niet op etnologisch en ook niet op politiek gebied maar als godsdienst. Daaronder dient verstaan te worden de gemeenschap van degenen die de Mozaïsche godsdienst aankleven en zich daarom, waar ter wereld ook, als het uitverkoren volk beschouwen. 
 
Volgens Carli kleeft er een vloek op de aanhangers van de Joodse godsdienst omdat zij Christus als Messias niet erkend hebben en tot hiertoe nog niet erkennen. Daarom ook is over hen het strafgericht van de verwoesting van Jeruzalem gekomen en weegt op het jodendom een goddelijke verwerping. 
 
Hier raken wij het moeilijk probleem van collectieve verantwoordelijkheid. Zoiets bestaat, ongetwijfeld. Maar het is moeilijk het filosofisch en ook theologisch te omschrijven en men moet er voorzichtig mee omspringen. 
 
Vlak na de oorlog verkondigde de Duitse filosoof K. Jaspers dat iedere Duitser medeaansprakelijk was voor de nazi-gruwelen, anders zou hij niet meer in leven zijn. Evangelische kerkleiders spraken in dezelfde zin, maar de katholieke bisschoppen verwierpen dit denkbeeld. Volgens hen waren de nazimisdaden geen collectieve zonde die op alle Duitsers woog. 
 
Dat de Joden gezamenlijk zouden schuldig zijn aan de dood van Christus, is zeker geen geloofspunt, zelfs niet de gewone leer onder de theologen, alleen een eigen opvatting van Mgr. Carli. Kardinaal Bea, de vader van het conciliestuk over de Joden, reageerde in een lezing onmiddellijk op de theorie van Mgr. Carli. Zijn voordracht verscheen 6 november in de Civilta Catholica, p. 209 - 229: Il popolo ebraico nel piano della salvetza.
 
In december 1965 gaf hij hiervan een bewerking in het Duits in Stimmen der Zeit, p. 641 - 659: Das jüdische Volk und der göttliche Heilsplan. 
 
Volgens kardinaal Bea gaat het niet op alle Joden toerekenbaar te stellen voor de dood van Christus. Zeker niet de Joden van de diaspora en zelfs niet de Joden van Israël in de tijd van Jezus. Niet eens alle Joden van Jeruzalem die tijdgenoot waren van Christus, om maar van de Joden van nu te zwijgen. Wel zegt Petrus openlijk dat de leiders van de Joden Jezus ter dood hebben gebracht doch hij voegt er dan aanstonds aan toe dat zij uit onwetendheid hebben gehandeld. 
 
Kardinaal Bea gaat nog verder. Volgens hem blijft het Joodse volk ook nu nog het uitverkoren volk. Hij wijst erop hoe Petrus en Paulus aan de Joden het eerst de blijde Boodschap aanbieden. En hij steunt dan vooral op een diepgaande beschouwing van Paulus in de Romeinerbrief, 11, 28 - 29: «Met betrekking tot de uitverkiezing zijn ze (de Joden) de welbeminden omwille van de Vaders. Want nooit heeft God berouw over genadegaven en roeping»
 
Deze polemiek tussen Mgr. Carli en Kardinaal Bea illustreert de spanning die er op het concilie heerste omtrent de Verklaring over de Joden. Eigenlijk scheen niemand tevreden te zijn. De enen konden er zich niet bij neerleggen dat er iets gunstigs over de Joden werd uitgevaardigd, de anderen waren verontwaardigd omdat de Verklaring veel minder krachtdadig was geworden. 
 
Maar ook omtrent het eerste deel van de Verklaring, de houding van de Kerk tegenover de niet-christelijke godsdiensten, was er misnoegdheid ontstaan. Sommige bisschoppen vreesden dat het absolute van het katholicisme niet voldoende onderstreept was. In de Verklaring was dit nochtans duidelijk tot uitdrukking gekomen. Maar buiten de aula hadden periti, ondermeer K. Rahner, voordrachten gehouden die sterk de indruk gaven dat alle godsdiensten op dezelfde voet werden geplaatst. Op het congres van Bombay hadden theologen relativerend gesproken over de Kerk als heilsinstituut. (4) 
 
Wanneer er over de Verklaring in haar geheel en over de paragrafen afzonderlijk op 15 oktober moest gestemd worden, was het getal tegenstemmers groter dan bij vorige stemmingen. Toen werd het schema nog eens naar de commissie verzonden om de modi te verwerken. Nu stond men voor een paradoxale toestand. Eigenlijk zou men het schema nog eens naar de commissie moeten verwijzen om herwerkt te worden. Maar had men daartoe nog de tijd? Men begon ook te vrezen dat er helemaal niets zou van komen en het concilie geen Verklaring zou afleggen over de Joden. Vooral dan omdat daags na de stemming, zaterdag 16 oktober, de algemene secretaris van het concilie, Mgr. Felici, had laten weten dat in de openbare zitting van 28 oktober vier decreten zouden gepromulgeerd worden: Over het bisschopsambt, over het religieuze leven, over de opleiding van de priesters, over de christelijke opvoeding. Een Verklaring over de niet-christelijke godsdiensten was er dus niet bij. 
 
In de grote pers verschenen intussen bittere commentaren omtrent de afgezwakte paragraaf over de Joden. Men was erover eens geraakt dat er niet gesproken werd over de «Gcdsrnoord» doch nam het niet dat het antisemitisme alleen maar werd betreurd maar niet veroordeeld. Onder de titel «La peur des mots», «De angst voor de woorden», schreef R. Escarpit vlijmscherpe bedenkingen over de veranderde tekst in Le Monde, van 17-18 oktober: « Het spijt ons voor kardinaal Bea, maar er is een groot verschil tussen betreuren en veroordelen. Het eerste woord drukt bedroefde onmacht uit, het tweede vertoornde tussenkomst. Zou het hier gaan om diplomatieke taal, dan zou betreuren zonder meer de allure kunnen aannemen van bedreiging. Maar theologie is geen diplomatie en de Heilige Schrift spreekt een andere taal. Kan men zich God voorstellen die in de meest zuivere stijl van de politieke wetenschappen tot onze schuldige voorvader zegt: «Ik betreur het, beste vriend, dat ge hebt gemeend van de appel te moeten proeven, geplukt door mevrouw uw echtgenote. » De Bijbelse profeten, dus de predikanten van vroeger, hielden er ook andere manieren op na. Zij noemden een misdaad een misdaad, zelfs als soms hun opvatting van misdaad niet meer overeenkomt met de onze. Laten wij ons dus gelukwensen zo beschaafd te zijn dat wij oude oordelen herzien, maar eist de beschaving dat men angst heeft voor de woorden? » 
 
18 oktober liet het persbureau van het concilie weten dat ook het schema over de houding van de Kerk ten opzicht van de niet-christelijke godsdiensten, waarin het hoofdstuk over de Joden voorkomt, plechtig goedgekeurd en gepromulgeerd zou worden. Er ging bij vele vaders een zucht van verlichting op. 
 
Er was nog wat onrust ontstaan toen van bisschop tot bisschop werd voortverteld dat kardinaal Marella, aartspriester van St. Pieter, een brief had ontvangen, half in het Duits en half in het Frans opgesteld, waarin gedreigd werd dat de St.-Pietersbasiliek zou worden opgeblazen indien de Verklaring over de Joden werd afgekondigd. Maar alles ging zijn gewone gang en er gebeurde niets. Samen met de vier andere decreten en verklaringen werd de Verklaring omtrent de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten plechtig gepromulgeerd. 
 
In zijn homilie tijdens een concelebratie met 23 bisschoppen drukte de paus de wens uit dat de aanhangers van andere godsdiensten en vooral degenen die in eenzelfde verwantschap met ons verbonden zijn namelijk de Joden, deze Verklaring zouden beschouwen niet als een afkeuring of een blijk van wantrouwen, maar als een teken van waardering, liefde en verwachting. 
 
Wij zullen nu nog even de drie delen van de Verklaring doorlopen: de verschillende niet-christelijke godsdiensten, de Islamitische godsdienst, de Joodse godsdienst. 
 
De verschillende niet-christelijke Godsdiensten. 
 
Het eerste deel is kort en bijna zakelijk. Na er in een inleiding op gewezen te hebben dat de mensen van de verschillende godsdiensten een antwoord verwachten op het mysterie van de menselijke existentie, zegt de Verklaring iets in het bijzonder over het hindoeïsme en het boeddhisme. 
 
Over het hindoeïsme dat men daar het goddelijk geheim zoekt en dit tot uitdrukking brengt in een onuitputtelijke rijkdom van mythen en door scherpzinnige filosofische arbeid. De hindoe's zoeken bevrijding uit de benauwenissen van ons bestaan of door ascetische levensvormen of door diepgaande meditatie of door een toevlucht tot God in liefde en vertrouwen. 
 
Als karaktertrek van het boeddhisme wordt aangegeven dat het de radicale ontoereikendheid van deze veranderlijke wereld erkent en dat het een weg aantoont waarlangs de mensen met een toegewijd en vertrouwvol hart hetzij de staat van volkomen bevrijding kunnen bereiken, hetzij tot de hoogste verlichting vermogen te geraken. 
 
De katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Maar dan wordt er onmiddellijk verwezen naar het absolute en het unieke van haar zending: zij verkondigt en moet zonder ophouden verkondigen de Christus, die is «de weg, de waarheid en het leven. » 
 
De Islamitische Godsdienst. 
 
Wanneer het concilie een welwillende uitspraak doet over de Joden, dan moet het ook iets gunstig uitbrengen over de Islam. Dat heeft men meer dan eens gehoord in de concilieaula tijdens de besprekingen over het schema over de Joden. Dat heeft het concilie dan gedaan. 
 
Met het schema over de Joden is dat over de Islam van het decreet over het oecumenisme verhuisd naar de Verklaring over de niet-christelijke Godsdiensten. 
 
In deze Verklaring wordt de Joodse godsdienst afzonderlijk behandeld omdat hij, en dit in onderscheid met de andere niet-christelijke godsdiensten, innige banden heeft met het christendom. Maar ook de Islamitische godsdienst staat dichter bij het christendom dan het boeddhisme of het hindoeïsme. 
 
Deze twee religies zoeken los te komen van de aarde en dichter te naderen tot God, hoewel zij een opvatting hebben over het Opperwezen die merkelijk verschilt van het begrip dat de christenen hierover hebben. Het christendom erkent het waardevolle dat daarin steekt, want er is maar èèn God die overal dezelfde is. En het is God die het religieuze streven in het hart van de mens heeft gelegd. Maar God heeft ook tot de mensen gesproken, de christenen hebben hem gehoord, de joden gedeeltelijk. En ook enigszins de mohammedanen. 
 
Op een of andere manier immers is de Islamitische godsdienst verbonden met de Openbaring die neergelegd werd in de bijbel. Men denkt dan vooreerst aan Ismaël, uit het boek Genesis, de zoon die Abraham verwekte bij de Egyptische slavin. Ismaël werd wel niet de stamvader van het uitverkoren volk, maar zijn nakomelingen zouden talrijk zijn en gezegend door Jahweh. 
 
Doch voor het christendom is de afstamming secundum carnem, naar het vlees, van geen tel meer (Gal. 3, 1 6; 4,21-31) . God is bij machte uit stenen kinderen van Abraham te verwekken (Matth. 3,9). 
 
Daarom wordt in de Verklaring gezwegen over de geschiedenis van Ismaël, maar worden wel in korte en gebalde zinnen de heilswaarheden weergegeven die gemeenschappelijk zijn aan christendom en islam.
 
Dat is vooreerst dat beide geloven in dezelfde God, niet de God van de filosofen, maar de God van Abraham, Isaac en Jacob. «De Kerk ziet ook met waardering naar de Moslims, die de ene God aanbidden, de levende en uit zichzelf bestaande, de barmhartige en almachtige, de Schepper van hemel en aarde. die gesproken heeft tot de mensen. » 
 
En dan wordt er begrijpend en hoogachtend gesproken over iets dat wij, actieve Westerlingen, vaak zo totaal verkeerd verstaan bij de moslims wanneer wij hun houding tegenover het leven fatalistisch noemen. «Ze leggen zich erop toe zich met heel hun hart ook aan zijn verborgen raadsbesluiten te onderwerpen. » En juist om dit zo belangrijk punt voor het Islamitisch dogma en de Islamitische moraal, wordt Abraham als voorbeeld gesteld: «Zoals Abraham, naar wie het Islamitische geloof graag teruggrijpt, zich aan God heeft onderworpen.» 
 
Het zedelijk leven van de moslims wordt geprezen. Aanvankelijk hun familiale moraal. Maar men zag in dat men daarin te ver ging. De morele principes wat het gezin betreft zijn anders bij christenen en moslims. En dan denken wij nog niet zozeer aan de polygamie als wel aan de mogelijkheid voor de man om zijn vrouw te verstoten. Het conciliedocument velt daar geen oordeel over, doch wijst erop dat de moslims het zedelijk leven hooghouden en God eren vooral door gebed, aalmoezen en vasten. 
 
Tenslotte drukt de Heilige Synode het verlangen uit dat christenen en moslims hun vroegere onenigheid en vijandschap zouden vergeten en zich ernstig toeleggen op wederzijds begrip en in het belang van alle mensen de sociale rechtvaardigheid, de zedelijke goederen alsook vrede en vrijheid gezamenlijk zouden verdedigen en bevorderen. 
 
In een korte studie over het concilie en de Islam spreekt R. Caspard over vooruitzichten van dialoog, Perspectives de dialogue. (5) 
 
Op het ogenblik echter dat het concilie een hand uitstak naar de Islam, moesten een groot aantal Fransen, die zich sedert generaties in Algerië hadden gevestigd en deze streken vruchtbaar hadden gemaakt zodat het hun eigenlijk vaderland was geworden, Afrika verlaten. Kerken werden tot moskeeën omgebouwd. Anderzijds besteden een aantal priesters in West-Europa heel wat tijd en moeite om hier bedehuizen te bouwen voor de mohammedaanse gastarbeiders. Over bekering durft niemand spreken. Een zekere kloosterzuster die zich bezighoudt met Marokkaanse vrouwen verklaarde in een vraaggesprek met Kerk en Leven (22.7.1976) dat zijn in geen geval aan missionering doet. «Deze mensen zijn gelovig en monotheïst ... Ik kan hierbij enkel wensen dat zij hun geloof diep beleven. » Dit is helemaal tegen wat het concilie voorhoudt, het is wel volgens «de geest van het concilie» zoals pater Schillebeeckx dat opvat. 
 
Terwijl wij heel wat verder gaan in tegemoetkoming tegenover de moslims dan onze geloofsopvatting, bevestigd door de officiële oorkonde van het concilie, het toelaat, worden de christenen in landen waar de moslims de macht in handen hebben, veel moeilijkheden in de weg gelegd. Dialoog veronderstelt welwillendheid langs beide kanten! 
 
De Joodse Godsdienst. 
 
Omtrent het hoofdstuk over de Joden is dus veel te doen geweest. Het was een overwinning, als wij dit woord mogen gebruiken, voor de Joodse partij (de grote meerderheid) op het concilie. Het is er door geraakt ondanks de dringende bezwaren van de bisschoppen van de Oosterse ritus en ondanks de dreigementen van sommige Arabische landen. Maar het is geen manifest geworden van vlammende sympathie voor de Joden, zelfs geen kordate of emotioneel geladen veroordeling van het antisemitisme. Het is een uiteenzetting vanuit religieus standpunt en op dit gebied wordt er met eerbied en zelfs liefde gesproken over het erfdeel van het Oud-Testament dat gemeenschappelijk bezit is van Joden en christenen. 
 
Met een aanhaling uit de Galatenbrief wordt vooropgesteld dat alle christenen zonen van Abraham zijn naar het geloof: «Daarom kan de Kerk niet vergeten dat zij door dat volk waarmede God zich in zijn onuitsprekelijke barmhartigheid gewaardigd heeft het Oude Verbond aan te gaan, de Openbaring van het Oude Testament heeft ontvangen.» 
 
Er wordt, met aanhaling van een tekst uit de Romeinerbrief, aan herinnerd dat Christus, de zoon van de Maagd Maria, naar het vlees uit de Joden geboren is. Dat de apostelen en velen van de eerste leerlingen Joden waren. Dan volgt een alinea dat uiterst handig en ook religieus - diep is opgesteld. Het is de vrucht van vele besprekingen. Jeruzalem heeft volgens het getuigenis van de Schrift haar bezoeking niet erkend. Een groot deel van de Joden heeft het Evangelie niet aanvaard en zelfs niet weinigen hebben zich tegen de verspreiding ervan verzet. Toch blijven de Joden bijzonder dierbaar aan hun God, omwille van de aartsvaders en omdat God geen berouw kent over zijn daden. Hierbij wordt de profetie van Sofonias aangehaald: «Alle volkeren zullen de naam van Jahweh aanroepen en Hem dienen. » (6) 
 
Vervolgens wordt de wens geuit dat door Bijbelse en theologische studies het zo grote gemeenschappelijke erfgoed van christenen en Joden, beter zou gekend worden. Een zin waar veel achter steekt. Echte wetenschappelijke geest immers is vanzelfsprekend sereen en irenisch, en wat hij voortbrengt, komt iedereen ten goede. Christelijke exegeten kunnen zich alleen maar verheugen wanneer Joden ernstige boeken schrijven over het Oude Testament, over de Talmoed of over de Joodse traditie. De laatste tijd trouwens zijn er nogal wat werken verschenen van Joodse geleerden over Jezus. Zij stellen Hem sympathiek voor als een van de hunnen, zoals christelijke exegeten meer en meer ontdekken dat Jezus een echte Jood was die hield van zijn vaderland en zijn tradities. 
 
Over de zogezegde Godsmoord kan men in de Verklaring het volgende lezen: «Hoewel de gezagsdragers van de Joden met hun aanhangers de dood van Christus hebben doorgedreven, kan toch datgene wat tijdens zijn lijden bedreven werd, noch aan alle toen levende Joden zonder onderscheid, noch aan de Joden van onze tijd aangerekend worden. » 
 
Verder wordt er verklaard dat de Joden niet door God verworpen noch als vervloekt mogen worden voorgesteld. «Laten daarom allen er over waken in de catechese en in de verkondiging van het woord Gods ook maar iets te leren dat niet met de Evangelische waarheid en met de geest van Christus overeenstemt.» 
 
Tenslotte worden de haat, de vervolging en de uitingen van antisemitisme betreurd die wanneer ook en door wie ook tegen de Joden zijn gericht. Want Christus is gestorven voor de zonden van alle mensen. 
 
De Verklaring eindigt met een aansporing tot de christenen om zich broederlijk te gedragen tegenover alle mensen die allen geschapen zijn naar het beeld en de gelijkenis van God. Daarmee vervalt de grondslag voor elke theorie of praktijk die tussen mens en mens, tussen volk en volk, verschil maakt in menselijke waardigheid en de daaruit vloeiende rechten.
 
Wanneer men de opschudding vergeet die rond deze Verklaring ontstond, is het weer eens een waardevol conciliestuk. 
 
B. Boeyckens S.J. 
 
 (1) Positief, nr. 100, maart 1980, p. 85 - 86. 
(2) cf. Positief, nr. 104, september 1980, Onze korte conciliegeschiedenis (32), p. 202 - 203. 
(3) Nochtans is daar het antisemitisme niet begonnen. Het bestond reeds in de Grieks-Latijnse wereld vóór het Christendom. 
(4) Positief, Onze korte Conciliegeschiedenis (45), nr. 117, december 1981, p. 306. 
(5) R. Caspard, «Le Concile et l'lslarn», Etudes, januari 1966, p. 114 - 126. 
(6) Aanvankelijk stond hier een bescheiden oproep tot bekering. Dat had herrie verwekt bij de Joden en volgens de mening van sommige bisschoppen was zo'n oproep misplaatst in een conciliestuk. cf. Positief, nr. 100, maart 1980, p. 80 - 84. 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht