• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Ik geloof in Jezus-Christus, Zoon van God en Zoon van Maria

14/1/2018

 
Verschenen in POSITIEF nr. 2 - mei 1969

Wellicht als een overdreven reactie tegen de eenzijdige beklemtoning van Christus' godheid, en ook wel als gevolg van een algemeen klimaat waarbij niet God maar de mens centraal staat, is er nu een stroming die het mens-zijn van Christus zodanig belicht, dat de godheid verzwegen of zelfs uitdrukkelijk ontkend wordt Men zegt dat Christus «wijst naar God», dat Hij de «menselijke gestalte» van God is, zonder evenwel ZELF God te ZIJN. De titel «Zoon van God» zou dan duiden op een zeer sterke verbondenheid met God en op een morele integriteit zodat de mens Christus voor ons op zichtbare wijze God uitbeeldt. Die opvatting wil men dan staven door een studie over de betekenis van de uitdrukking «Zoon Gods» in het Oud-Testament of in de hellenistische beschaving.
 
Tegen die zienswijze heeft het kerkelijk leergezag uitdrukkelijk stelling genomen. De bisschoppen van België hebben duidelijk op het gevaar ervan gewezen : «Sommigen stellen Christus voor als de meest verheven mens, als het centrum van het mensdom en van de geschiedenis, degene die zich bij uitstek als mens-voor-de-anderen heeft getoond...... In dergelijke voorwaarden, waarin Christus nog slechts voorgesteld wordt als een religieuze figuur tussen de andere, gaat zijn uniek karakter verloren.» (Ons Geloof in Jezus Christus, nr 4)
 
Plechtig hebben de bisschoppen in ditzelfde kerkelijk document hun gemeenschappelijke geloofsbelijdenis uitgesproken. «WIJ GELOVEN IN JEZUS-CHRISTUS, DE ENIGE ZOON VAN GOD EN ONZE VERLOSSER, DOOR WIE DE VADER ALLES HEEFT GESCHAPEN EN DIE VOOR ONS EN OMWILLE VAN ONS HEIL IS MENS GEWORDEN» (nr 5).
 
Even duidelijk, en ongeveer in dezelfde bewoordingen, heeft Paus Paulus VI in zijn « Credo van her volk van God", uitgesproken op 30 juni 1968, het geloof in Christus' godheid beleden.
 
Hoe kan men echter, zonder zichzelf tegen te spreken, bevestigen dat de zichtbare, stof-geestelijke mens Jezus-Christus de onzichtbare eeuwige God is? Wat ons vooral eigenaardig voorkomt is dit : de biologie en de psychologie leren ons wat vaderschap is, maar met welk recht en in welke betekenis gebruikt de Kerk, ook NU nog, de titels «vader» en «zoon» om de verhouding uit te drukken tussen God en Christus ? Men kan aan die opwerping niet op goedkope wijze ontkomen door te zeggen dat de Menswording een mysterie is dat niet begrepen, maar slechts geloofd kan worden.
 
Geloven dat Christus de Zoon Gods is, onderstelt toch dat we WETEN welke de betekenis is van die woorden. Indien de formules, waarin we ons geloof uitdrukken, ons niets zeggen over de inhoud, dan weten we eigenlijk niet wat we geloven ... en dan is er feitelijk ook geen geloof vermits dit geloof toch ook een verstandsdaad is d.w.z. een bewuste overgave!
 
Steeds heeft de Kerk geleerd dat het niet alleen een recht maar ook een plicht is ons Credo nader te overwegen. Daarop heeft ook Paus Paulus VI gewezen in zijn toespraak van 3 juli 1968, enkele dagen na het pauselijk Credo. «Wie erin slaagt om van catechetische formules te komen tot een vollediger, organischer uiteenzetting van de geloofswaarheden, van dorre woorden tot een uitwerking van de leer of, beter nog, van de uitdrukking in woorden tot enig werkelijk inzicht in de waarheden zelf, die ervaart tegelijkertijd een grote vreugde en een grote verbijstering. Vreugde over de rijkdom en de schoonheid van de godsdienstige waarheden; verbijstering over hun diepzinnigheid en hun draagwijdte, waarvan wij met ons verstand wel een glimp, maar niet de volle omvang kunnen waarnemen.»
 
Dit artikel wil nu een bescheiden poging zijn om de formule «Christus Zoon van God» wat uit te diepen. We vertrekken hierbij van wat de menselijke ervaring ons leert over het vaderschap. Bepaalde gegevens uit de psychologie zijn hier zeer verhelderend om de Bijbelse uitdrukking «Woord van de Vader» beter te verstaan. Vermits echter het menselijk vaderschap slechts begrijpelijk is in betrekking met de moederfiguur, zal ditzelfde vertrekpunt ons ertoe brengen de sublieme heerlijkheid van het goddelijk Moederschap van Maria beter 1n te zien.
 
In een eerste deel behandelen we de titel «Zoon van God», in het tweede deel beschouwen we Christus als «Zoon van Maria»
 
1. ZOON VAN GOD.
 
In tegenstelling met het dierlijk leven, dat volledig bepaald wordt door de wetten der biochemie, is de mens meer dan een stoffelijk organisme. Dat komt vooral tot uiting bij de voortplanting : na de geboorte blijft het kind veel langer onder de invloed van de ouders dan het dier.
 
Een vergelijking tussen de chimpansee en de mens is hier sprekend : bij de mensaap blijft het jong niet meer dan twee jaar bij het moederdier. Door de jarenlange invloed die het kind bij zijn ouders ondergaat, krijgt het van hen veel meer dan een stel erfelijke kenmerken. Alle psychologen zijn het er over eens dat het gedrag van de volwassen mens sterk wordt beïnvloed door wat hij. na de geboorte, ervaren heeft in zijn betrekkingen met vader en moeder.
 
Het geestelijk element van de menselijke voortplanting komt vooral na de geboorte tot uiting : om te beseffen wat vaderschap en moederschap is, moeten we de rol van beide ouders nagaan in de opvoeding van het kind. Biezonder geldt dit voor de religieuze houding van de mens, zoals A. V e r g o t e dit meesterlijk aantoont in zijn werk : Godsdienstpsychologie, Lannoo, 1966,
 
In die psychische groei van de mens heeft elk van beide ouders een specifieke rol. Het contact met de moederlijke zachtheid en tederheid, ervaren in omhelzingen en liefkozingen, legt bij het kind de basis van het zo belangrijk driftenleven, van al wat verband houdt met gevoel en liefde. met genot en vreugde.
 
In die gelukzalige moeder-kind relatie komt nu de vader a.h.w. een pijnlijke scheiding brengen, scheiding die echter onmisbaar is voor de zelfwording van het kind. Onder de vaderlijke invloed wordt het kind ertoe gebracht BEWUST te worden van zichzelf, te verzaken aan het verlangen steeds bij moeder te blijven.
 
Wijl het moederschap een intens lichamelijk contact en een bijna ononderbroken aanwezigheid onderstelt, wordt de vaderlijke invloed hoofdzakelijk door het WOORD uitgeoefend. Juist omdat vader meer op afstand staat, draagt zijn figuur een bijzonder karakter. De AANwezigheid van degene die vaak AFwezig is, oefent op het kind een gans eigen werking uit.
 
Door het feit dat hij in de ogen van het kind degene is die alles kan, alles weet en alles beveelt, is het wel begrijpelijk dat zijn figuur vooral geschikt is om De Andere uit te beelden en om het godsbeeld te vormen, zoals de psychologen het vaststellen,
 
V e r go t e A. beschrijft dat vadersymbool aldus : « Wet en opvoeding in het gezin beginnen dàn eerst in de diepe activiteit opgenomen te worden, wanneer het kind zich werkelijk en diep bewust wordt dat tussen de moeder en hem de vader komt te staan. Door zijn functie zelf, en welke zijn persoonlijkheid ook moge zijn, is vader degene die de wet stelt ... De vader is degene die door zijn doeltreffende aanwezigheid, het kind van de moeder scheidt. In het mateloze der affectieve verlangens van het kind stelt hij de maat in, en brengt het kind ertoe af te zien van het affectieve paradijs van de diffuse vereniging. dat een mengsel is van lust, geluk, erotiek en veiligheid ... Zodoende leert het zichzelf te worden als gescheiden en autonoom wezen." (blz. 255-256).
 
Het enorm belang van het WOORD bij de vader-kind relatie onderlijnt de schrijver zeer overvloedig. "Alle vaderlijke hoedanigheden kunnen worden samengevat in één bewonderenswaardige uitdrukking : de vader is diegene die het kind erkent. Erkennen wil zeggen : aan iemand zijn persoonlijkheid toekennen, door een woord dat tegelijk wet, band van geestelijke verwantschap en belofte is. Het erkennen komt tot stand door het woord. Dit neemt de gevoelens van tederheid in zich op. maar reikt verder dan deze. Het woord is van een andere orde ... Het is geen kreet, noch van nood. noch van begeerte. In het woord verwerkelijkt zich dat unieke feit dat de mens humaniseert: het in volle vrijheid op zich nemen van eigen bestaan. en het intentionele leggen van een bewuste band met de ander. De man die tot een vrouw zegt : 'nu ben je mijn vrouw', verandert èn zichzelf èn de andere. Uitkomend boven al hetgeen in hen nog natuur is, brengen zij een eigenlijk gezegd menselijke binding tot stand, die een aangaan van een verbintenis is en een belofte voor de toekomst. Op dezelfde wijze gebeurt het erkennen van het kind door de vader door het woord, zelfs indien het. onuitgesproken. slechts gezegd wordt door de taal van betekenende gedraging "· (blz. 257-258).
 
Dezelfde schrijver wijst op het belang van de vaderfiguur voor de vorming van het godsbeeld. " De vader, zoals hij in zijn gezinsfunktie begrepen wordt, verschijnt ons werkelijk als het symbool van de joodschristelijke God." (blz. 262). Het kind komt tot religie, tot openstaan voor de Andere, door de vader-figuur die de eis bevat tot zelfverzaking om zo werkelijk zichzelf te worden.
 
Door het feit dat het vaderbeeld gekenmerkt is door de drievoudige functie van "wet, toonbeeld en belofte" is er een treffende overeenkomst tussen het menselijk en het goddelijk vaderschap. "God dient Zich immers met dezelfde hoedanigheden aan als de vader het doet. Hij is de maker van de zedenwet ... Hij is het toonbeeld van heiligheid dat men dient na te volgen ... tenslotte is Hij voorzienigheid door het doen van een belofte ..."· (blz. 277).
 
Het groot belang van de vader-figuur voor de vergeestelijking van de cultuur en van de religie heeft zelfs de atheïst Freud ontdekt op basis van zijn klinische ervaring.
 
Met deze gegevens uit de psychologie wordt het nu wel mogelijk iets meer te begrijpen van dat zo wonder bewustzijn van Christus, en wordt ook de uitdrukking « Zoon van God » - in de betekenis van de eigen Zoon van God - meer duidelijk.
 
Zeer overvloedig sprak Christus over Zijn Vader en dan bedoelde Hij daarmee niet Jozef, maar wel de hemelse Vader : nooit heeft een mens op die wijze over God gesproken. Reeds als twaalfjarige knaap affirmeert Hij Zich tegenover Zijn Moeder als Zoon van de eeuwige Vader. Toen Maria Hem zei dat Zijn " vader » (Luk 2, 48) en zijzelf naar Hem hadden gezocht, antwoordde Hij heel rustig en wat verwonderd : «Wist gij dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moet zijn?" (Luk 2, 49). Zijn ouders begrepen Hem niet.
 
Ditzelfde conflict en onbegrip tussen Christus en Zijn omgeving zet zich voort gedurende heel Zijn leven. Voortdurend legt Hij nadruk op Zijn goddelijke herkomst en op Zijn eeuwig bestaan uit de Vader met wie Hij één is en die Hij komt openbaren. Steeds volbrengt Hij de wil van de Vader, en, wanneer Zijn uur zal gekomen zijn levert Hij Zich aan Hem over in gehoorzaamheid tot de dood van het kruis .
 
Wanneer Filippus Hem vraagt Zijn Vader te laten zien, is Hij verwonderd «Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien ; hoe zegt ge dan : laat ons de Vader zien?» (Jo 14, 9).
 
Met een bewustzijn van volledige afhankelijkheid en onderdanigheid aan de Vader, gaat bij Hem gepaard een zeer sterke affirmatie van Zijn persoonlijkheid. Hij stelt Zijn leer tegenover die van alle andere profeten. Hij beweert de Waarheid niet alleen te zeggen, maar te ZIJN. Hemel en aarde zullen vergaan, maar Zijn woorden niet.
 
Hij beweert zelfs te bestaan voor Abraham [Jo 8,58) en bij het laatste avondmaal bidt Hij tot de Vader: "Verheerlijk Mij bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U bezat EER DE WERELD BESTOND.» (Jo 17,5). Het « Ik » van de mens Christus, zoals we het leren kennen in het evangelie, heeft dus een eeuwig bestaan uit de Vader.
 
Dit bewustzijn van Christus plaatst ons klein mensenverstand voor een diep mysterie. Daarop ook wijzen de bisschoppen van België : « Jezus” heeft een zekere kennis gehad van Zijn hoedanigheid van Zoon. Niemand moest Hem leren wie Hij was. Nooit toont Hij in dit verband de minste twijfel, hoewel Hij deze werkelijkheid slechts geleidelijk aan Zijn leerlingen openbaart ... Wat Hij meedeelt, blijkt op geen enkele wijze het resultaat te zijn van een tastende bezinning. Hij weet wat er in het hart van de mens omgaat ... De inwendige harmonie van een zo buitengewoon bewustzijn ontgaat ons en dit kan ook niet anders ». (Ons Geloof in Jezus Christus nr 17).
 
Toch kan een bezinning over het menselijk vaderschap ons de heerlijkheid van dit mysterie beter aan het licht brengen, al wordt de ondoorgrondelijkheid ervan daardoor niet weggenomen. Iets, een kiem, van de verhouding tussen Christus en Zijn Vader vinden we immers ook bij het schepsel.
 
Het besef dat wij, steunend op ons natuurlijk verstand, hebben van onze onderworpenheid aan de Andere, danken wij immers, zoals de psychologie het ons leert, aan de invloed van de vader-figuur die voor het kind is « wet, toonbeeld en belofte ».
 
Wijl echter bij ons dit bewustzijn nog zeer onvolmaakt is, zodat wij in de illusie kunnen leven dat God dood is, om zelf god te kunnen zijn, is bij Christus dit besef glashelder en vindt men bij Hem geen enkel spoor van ontrouw aan Degene die Hij Zijn Vader noemt. Het menselijk bewustzijn bereikt bij Hem een allerhoogste VERVOLMAKING.
 
Maar hoe kan dan het « Ik » van Christus, die als mens toch, zoals ieder mens, op een bepaald tijdstip ontstaan is, een eeuwig bestaan hebben bij de Vader? Hoe kan de mens Christus in alle waarachtigheid van Zichzelf beweren dat Hij bestond vóór de schepping van de wereld? Hoe kan Hij zeggen dat de Vader Hem liefheeft vóór de grondlegging der wereld? (Jo 17,24) en hoe kan Hij sprekend over Zijn dood, zeggen : «Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen ; weer verlaat ik de wereld, en ga naar de Vader.» (Jo 16,28) ?
 
Hier raken we nu de kern van het mysterie der Menswording en meteen ook Gods leven zelf. In God, zo leert de Kerk, is er ook een vruchtbaarheid en een Vader-Zoon relatie, waarvan het menselijk vaderschap een afstraling is. De rol van het woord bij de vader-kind verhouding werd aangetoond. In God, die de mens maakte naar Zijn beeld, is er ook een WOORD waarin de VADER Zichzelf VOLLEDIG uitdrukt. Er bestaat in God een EEUWIGE GEBOORTE van het Woord (de Logos) dat « God uit God » is en « Licht uit Licht ».
 
Tussen enerzijds de afhankelijkheid van het eindig schepsel tegenover de Schepper en anderzijds de eeuwige geboorte van de Zoon uit de Vader, bestaat er wel een zekere gelijkenis. Het schepsel is een onvolmaakt beeld van God, wijl het Woord gans gelijk is aan de Vader. Het schepsel ontvangt enkele stralen, het Woord krijgt alle Licht.
 
De taal die de H. Schrift gebruikt om de schepping en de eeuwige geboorte in God te beschrijven is zeer sprekend. De schepping wordt aan de Vader toegeschreven en gebeurt door het SPREKEN, Tegenover de eerste verzen van het scheppingsverhaal : "In het begin schiep God hemel en aarde - God sprak : Daar zij licht " (Gen 1, 1 en 3), stelt St-Jan : «In het begin was het Woord» (Jo 1,1) en «God is Licht" (1 Jo 1,5). Het parallelisme is zeer treffend
 
Het verband tussen het schepsel en de Logos drukt de evangelist zo uit: "Alles is door Hem ontstaan ; en zonder Hem is niets ontstaan" (Jo, 1,3). De verhouding schepsel-Schepper is dus een eindige en beperkte deelname aan de eeuwige Geboorte van het ongeschapen Woord. Dat het opgroeiend kind zich bewust wordt van zijn verhouding tot God onder de invloed van vaders woord is dus in het geheel geen toeval.
 
Dit is werkelijk treffend : enerzijds hebben de psychologen, gans onafhankelijk van hun godsdienstige overtuiging (Freud was een atheïst !) het verband tussen vaderschap en woord, tussen vaderschap en godsbeeld, ontdekt; anderzijds wordt in de H. Schrift en de Overlevering de Zoon het "WOORD VAN DE VADER» genoemd. Hier ervaren we werkelijk dat de mens, als schepsel Gods, geschapen is naar Gods Beeld (Gen. 1,26) ; door de Logos is ook de mens ontstaan en daarom draagt hij in zich iets van het ongeschapen Woord.
 
Het is dan ook met recht dat we dezelfde taal mogen gebruiken zowel bij het beschrijven van de verhouding schepsel-Schepper als bij het uitdrukken van Gods eigen leven. Al overschrijdt dit ongeschapen leven voorzeker al wat wij ons kunnen inbeelden, al blijft dit een mysterie, toch kunnen wij er IETS zinvols over zeggen precies omdat wij in ons iets dragen van dit leven.
 
Het is dus volkomen verantwoord te spreken van «God de Vader" en «God de Zoon», van het "ongeschapen Woord» dat «één in wezen is met de Vader».
 
Met die opvatting, die in de lijn ligt van hee! de kerkelijke Overlevering, krijgt de Menswording een gans bijzondere betekenis. Vermits het schepsel reeds iets van de Zoon in zich heeft, wordt het niet meer zo onbegrijpelijk dat bij een ONEINDIGE VERVOLMAKING van het mens-zijn, Gods Zoon ZELF zichtbaar wordt in die mens.
 
De menswording bestaat dan in een zodanige vervolmaking, verheffing, niet alleen van het bewustzijn, maar van heel het mens-zijn, dat het «Ik», de drager van dat mens-zijn (= de persoon van die menselijke natuur), volledig samenvalt met het ongeschapen Woord, waardoor alles gemaakt is.
 
Men mag dus de Menswording niet voorstellen als een verandering in God die mens «wordt», maar als een vervolmaking, verheffing, vergoddelijking van het mens-zijn. De menswording bestaat evenmin in een vervanging van de menselijke persoon door de Logos, waarbij dan de menselijke natuur zou beroofd worden van wat haar eigen is.
 
Het mens-zijn is in Christus zo vervolmaakt, dat aan dit mens-zijn de persoon van Gods Zoon even eigen is als een geschapen persoon aan een gewoon mens-zijn. Zo kan de mens Christus waarlijk spreken van God als Zijn Vader en kan Hij waarlijk spreken over Zijn eeuwig bestaan uit de Vader. De titel «vader» krijgt bij Christus een echt "vervolmaakte" betekenis.
 
Uiterst boeiend is het, maar ook verbijsterend en overweldigend, die vervolmaking, die heerlijkheid in de mens Christus te aanschouwen. In ieder geval is die vervolmaking zo, dat Hij MEER MENS is dan wij, en dus dichter bij ons staat dan gelijk welke andere medemens. Die vergoddelijking, die buitengewone begenadiging is dus een VERMENSELIJKING.
 
Dat juist heeft E. Me r s c h S.J. schitterend aangetoond in zijn boek "La Théologie du Corps mystique"· Hij spreekt van een “vermenselijking tot het uiterste" (humanisation transcendante, blz. 248). "l'humanité du Christ ne diffère de la nôtre qu'en étant plus, et donc PLUS HUMAINE. Cette différence, par conséquent, est le contraire d'une différence ; elle ne fait pas que le Christ nous est moins consubstantiel, mais qu'Il l'est bien plus; qu'il l'est PARFAITEMENT». (blz. 265). (1). Zo schitterend is die vervolmaking dat Hij waarlijk de Vader openbaart ... “Het Woord is vlees geworden, en het heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijn glorie aanschouwd : een glorie als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid.» (Jo 1,14),
 
Zoals Prof. A. Van Roey in "Onze Alma Mater » (1969 nr 1) schrijft, vertrekken de huidige theologen liefst van de mensheid in Christus. De schrijver erkent het gegronde van die methode, maar wijst ook op het gevaar ervan : men is geneigd in Christus niets meer te zien dan een uitzonderlijk mens en Zijn godheid te ontkennen.
 
Dit gevaar lijkt echter wel vermeden te kunnen worden indien men die "vervolmaking" werkelijk au sérieux neemt. Dan ziet men immers, zoals St.-Paulus, doorheen de schittering van die mensheid "Het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van gans de schepping» (Kol. 1.15).
 
Wanneer die vervolmaking niet wordt gezien en gevoeld als een vergoddelijking die het mogelijk maakt dat in die mens God zelf tot ons komt, dan ontkent men inderdaad de godheid in Christus. Dit gevaar is niet denkbeeldig
 
Ook tegenwoordig gelden nog de woorden van de apostel die de Colossenzen tot diep geloof in Jezus aanspoorde : «Past op, dat niemand u meesleept door de wijsbegeerte of ijdele drogredenen. die op overlevering der mensen zijn gegrond, of op de leerbeginselen der wereld, maar niet op Christus. Immers IN HEM WOONT LICHAMELIJK DE GANSE VOLHEID DER GODHEID.» (Kol. 2,8-9).
 
II. ZOON VAN MARIA.
 
Wellicht ontkomt de lezer, bij het overdenken van wat voorafgaat. niet aan een zekere malaise. aan het gevoel dat er iets ontbreekt bij al die bespiegelingen. Die indruk is eigenlijk heel normaal want tot hiertoe werd een onmisbaar en essentieel element buiten beschouwing gelaten. In het ontstaan en de groei van de mens zijn immers twee ouders betrokken. Dit geldt ook voor de mens Jezus Christus. Hij is niet alleen Zoon van de Vader. Hij is ook Zoon van de maagd MARIA,
 
In tegenstelling met een eerste oppervlakkige indruk, plaatst ons de titel "Zoon van Maria» voor een mysterie dat even overweldigend en zelfs nog meer ontroerend is dan de titel "Zoon van God». Beide mysteries zijn trouwens aan elkaar gebonden. Het concilie van Efese dat de godheid van Christus verkondigde, verklaarde meteen ook plechtig het goddelijk Moederschap van Maria : Zij is werkelijk THEOTOKOS d.w.z. GOD-BAREND.
 
Om iets van dit mysterie te kunnen begrijpen, of beter aanvoelen. is ook hier de enige weg : vertrekken van het menselijk moederschap Zowel de biologie als de psychologie tonen ons de onmisbare rol aan van beide ouders Het groot belang van de moederlijke invloed gedurende de eerste levensmaanden wordt door geen enkel psycholoog meer in twijfel getrokken. Voor een kind is het ervaren van tederheid. genot en geluk. in één woord van MOEDERLIEFDE even levensnoodzakelijk als de vaderlijke invloed.
 
In haar boek "De Magische wereld van het kind» schrijft Selma F r a i b e r g (W. De Haan Hilversum, 1966) : "Er is nog geen sprake van visueel geheugen, maar de lichamelijke intimiteit van moeder en kind roept reeds reacties op die tot een associatie van de moeder met lust, bevrediging en bescherming zullen leiden. Vaak gaat van de aanwezigheid van moeder. zelfs in de eerste weken, een kalmerende invloed uit wanneer de baby lastig is ...... We vermoeden zelfs dat de latere stabiliteit van het zenuwstelsel bij het opvangen van en reageren op sterke prikkels niet een onafhankelijke neurologische ontwikkeling is, maar verband houdt met de liefkozingen, de bevrediging en het gevoel van bescherming dat de moeder aan het kind geeft. Baby’s die de moederliefde missen zijn duidelijk eerder geprikkeld en gemakkelijker uit hun evenwicht te brengen tijdens hun zuigelingperiode dan baby’s die wel «bemoederd" zijn. Tijdens deze eerste weken is de ouder natuurlijk meer dan alleen maar beschermer. Er zijn binnen de ouder-kind-relatie veel opwindende momenten die even stil en onzichtbaar plaats vinden als het kiemproces We weten dat deze momenten plaats vinden. omdat zij aan het eind van de tweede maand reeds zichtbaar worden aangekondigd. Dan reageert de baby bij het zien van een gezicht met een glimlach Dit is een zeer speciale glimlach. Het is geen reflexbeweging of een glimlach die voortkomt uit een gevoel van verzadigdheid; deze glimlach is een antwoord, hij wordt ontlokt bij de verschijning van een gezicht." (blz 43-44).
 
A. V e r g o t e beschrijft de moeder zo : «Zij is het mysterie en de affectieve diepte. De vrouwelijke hoedanigheden komen trouwens te pas bij het moederbeeld : de moeder is ontvankelijke vruchtbaarheid, warme tederheid. Zij is bron en draagster van het leven. De· vrouw-symbolen verbeelden diezelfde affectieve hoedanigheden. De moeder is aarde, natuur, middelpunt, water, zee, huis, haard, grot.” (blz. 226).
 
Ook voor het vormen van de godsBEGEERTE is de moederlijke invloed onmisbaar. Zonder die invloed zijn er storingen in het gevoelsleven en dit heeft ook gevolgen op religieus gebied. «Het werk van S a r t r e geeft een negatieve belichting van de noodzakelijkheid van deze eerste affectieve ontplooiing als voorwaarde voor de religie.» (blz. 234). Schrijver haalt dan een prachtige tekst aan uit Sartre waarin zeer duidelijk aangevoeld wordt dat de afwezigheid van een gelukservaring een grote rol speelt, immers «voor het kind heeft de ontdekking van het heilige plaats in de voortzetting van de vitale en affectieve groei.» (blz. 234).
 
Op meer eenvoudige wijze uitgedrukt kunnen we dus moeder beschrijven als degene die het hart van het kind vormt. Wat moeder voor ons is, kan dan ook beter gevoeld dan gezegd worden.
 
Met die gegevens over het menselijk moederschap kunnen we nu ook iets meer zeggen over de rol van Maria in het leven van de mens Christus. Haar moederschap heeft, samen met het biologisch aspect, ook een psychologisch element. Ook van Gods Moeder moet dus gezegd worden dat Zij het HART heeft gevormd van haar Kind. Niet alleen het bewustzijn, ook het gevoelsleven, de liefde, van de mens Christus is op oneindige wijze VERVOLMAAKT en VERGODDELIJKT zodat in die mens de liefde van de Vader zichtbaar en voelbaar wordt.
 
Die enorme menslievendheid, die grenzeloze goedheid is trouwens het bewijs, het teken, van Zijn echtheid. Toen de leerlingen van Johannes de Doper kwamen vragen of Hij wel degene is die komen moet, wees Christus op dit teken : "Gaat en bericht aan Johannes wat gij hoort en ziet. Blinden zien en kreupelen gaan, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden verrijzen en aan armen wordt het evangelie verkondigd.» (Mt 11,4-5). Zo groot was de goedheid van Christus dat Hij, bij het aanbreken van Zijn Uur, de zijnen tot het uiterste liefhad (Jo 13,1 J en voor hen Zijn Bloed heeft vergoten.
 
Welnu AL wat we in Christus ontdekken aan menselijke waarden en inzonderheid Zijn zo boeiende en veroverende medemenselijkheid, goedheid, liefde, dat alles is werkelijk te danken aan Zijn Moeder, waarin de Geest Gods zo 'n mens verwekte. Zo krijgt de aanroeping : "Hart van Jezus in de schoot der Maagd door de H. Geest gevormd» een zeer diepe betekenis. Zoals Christus door een eeuwige geboorte alles van de Vader ontvangt, zo kreeg Hij als mens door een geboorte in de tijd alles door Maria. Voorzeker, wie Hem ziet, ziet ook de Vader, maar WIE ZIJN HART VOELT, VOELT OOK METEEN HET HART VAN DE MOEDER.
 
Indien, zoals aangetoond, de Menswording bestaat in een vervolmaking, vergoddelijking, van het mens-zijn, dan is het aangewezen in de heerlijkheid der Moeder het vertrekpunt te zien van die Menswording. Zij is werkelijk, in biologische en psychische zin, geschikt om Moeder te zijn van Gods Zoon, en dus MOEDER VAN GOD, hoe overweldigend ook die uitspraak moge zijn.
 
Het is logisch dat met een min of meer impliciet ontkennen van Christus' godheid en met een minimalisering van die vervolmaking, gepaard gaat een minimalisering van Maria's moederschap. De huidige stilte in de theologie omtrent de Moeder Gods is zeer tekenend. Maar even logisch is het ook dat een diep geloof in Christus' godheid verbonden is met een geestdriftig verheerlijken van Maria.
 
Om waarlijk moeder te kunnen zijn van Gods Zoon werd Maria door God op gans uitzonderlijke wijze vervolmaakt als VROUW. Die buitengewone begenadiging, die volheid van genade, maakt Haar tot de GEZEGENDE DER VROUWEN. De ontroering en de charme die van een vrouw uitgaat en verband houdt met haar moederschap, bereikt in Gods Moeder een alles overschrijdende intensiteit.
 
Alleen in dichterlijke bewoordingen en lyriek, in termen van verliefdheid en verrukking kan over Haar worden gesproken. In een nuchtere en zakelijke taal een «objectief » beeld schetsen van de Vrouw en Moeder is innerlijk tegenstrijdig vermits, zoals gezegd, tederheid, zachtheid en schoonheid het moederschap kenmerken. Hier heeft alleen het hart recht van spreken ! Muziek, bloemen, schilderwerken en beeldhouwkunst zijn steeds de taai geweest waarin alle geslachten Haar zalig hebben geprezen (Lk. 2,48).
 
Al is Zij ongetwijfeld een schepsel Gods, toch overschrijdt Zij in zekere zin heel de schepping omdat uit Haar geboren wordt het Woord waardoor alles geschapen is. Daarom ook waagt de Kerk het op Maria volgende tekst uit de H. Schrift toe te passen : «Jahweh schiep mij als zijn eerste gewrocht, als het eerste werk, dat Hij ooit heeft gemaakt; van oudsher ben ik gevormd; van in het begin, vóór de eerste tijden der aarde. Toen er nog geen oceanen waren, was ik geboren ...... Toen Hij de fundamenten der aarde legde, was ik bij Hem als een troetelkind, was ik elke dag zijn vermaak, dartelde ik heel de tijd onder zijn ogen, spelend op zijn wereldrond, en mij vermakend met de kinderen der mensen. Welnu dan, kinderen, luistert naar mij ...... Wie mij vindt, heeft het leven gevonden, en welbehagen verkregen van Jahweh.» (Spreuken 8,22-35).
 
SLOTBESCHOUWINGEN
 
Zoals ieder mens, is ook Jezus-Christus alleen te begrijpen in relatie met Zijn Vader en Zijn Moeder. De buitengewone vervolmaking in Hem wordt op negatieve wijze uitgedrukt door te zeggen dat Hij in alles aan ons gelijk is ... behalve in de zonde. Daardoor juist staat die mens veel dichter bij ons dan gelijk wie en gaat er van Hem ook nu nog een aantrekkingskracht uit die ons schamel mensenhart genezen kan. In Hem wordt ons de liefde van de Vader zichtbaar en voelbaar gemaakt.
 
Leven in Christus, met Hem mede-zonen worden van de Vader, houdt dan ook in dat Hij ons Zijn Moeder geeft. Door een voortdurend «ZIEDAAR UW MOEDER» (Jo 19,27) schenkt de verrezen Heer ons immer Zijn verheerlijkte Moeder. ook MOEDER VAN DE KERK EN KONINGIN VAN DE WERELD. De zondaars worden kinderen Gods door. in Christus, kinderen te worden van de Moeder. Zeer fijn heeft het volk Gods dit steeds beleefd door de verering van Maria : bij het «Onze Vader» past het «Wees gegroet»,
 
Men kan inderdaad beweren dat de Mariaverering op gevoel steunt, maar die bewering is geen beschuldiging. Ook in ons geloofsleven speelt ons hart. ons gevoel, een onmisbare rol. Ons volk heeft dit op bijzondere wijze steeds aangevoeld : trouw aan Christus en Zijn Kerk betekent ook innige aanhankelijkheid aan "ONZE LIEVE VROUW», zoals wij de Moeder Gods noemen.
 
Nu het geloof in Christus en de Kerk zo sterk wordt beproefd, zal alleen een hernieuwd geloof in Maria's Moederschap dit bedreigd geloof kunnen verdiepen, Zij is immers niet alleen "liefelijk als de maan, heerlijk als de zon» maar ook «geducht als een leger in slagorde geschaard», Nu nog is Zij in staat de draak van het ongeloof met Haar hiel te verpletteren.
 
Geloven in de Zoon van God is ook geloven in de Zoon van Maria.
 
Eerw H. M. Magnus
 
(1 J Vertaling - De mensheid van Christus verschilt van de onze door MEER TE ZIJN, en dus MEER MENSELIJK te zijn. Dit verschil is dus het tegenovergestelde van een verwijdering. Door dit verschil wordt Christus niet minder MEDE-MENS met ons, maar integendeel veel meer. Hij is op VOLMAAKTE WIJZE MENS-VOOR-ONS.


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht