• Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht
THOMAS MORE GENOOTSCHAP
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht

Archief Positief

Op deze pagina worden artikels aangeboden uit tijdschrift POSITIEF sinds 1969

Sluiting van een Clarissenklooster

1/2/2018

 
Verschenen in POSITIEF nr. 469 – FEBRUARI 2017
 
 
Begin december 2016 werd ik als lector, in kennis gesteld van een "slotviering" van de Eerwaarde Zusters Clarissen te Genk, voorzien eind februari, zondag voor de vasten. Het klooster en bijhorende kapel worden gesloten. De twee nog actieve zusters die ook nog voor gehandicapte zusters moeten instaan, kunnen het klooster en de bijhorende verplichtingen niet meer volbrengen. Het betekent het einde van 87 jaar aanwezigheid van Zusters Clarissen te Genk.
De kapel die een 300 gelovigen toelaat, volledig uitgerust met marmeren altaar, prachtig tabernakel, glasramen en orgel en waar het Sint Franciscuskoor uit de omliggende straten actief elke zondag de liturgie opluistert met organist, heeft nog steeds naast haar dagelijks eucharistie voor de zusters, - door de aanwezigheid van een rusthuis van de Witte paters van Afrika - een druk bijgewoonde weekend liturgie. Een honderdtal kerkgangers voor zaterdag- avond en zondagseucharistie. Bij grote feesten kunnen beide vieringen oplopen tot 300 à 400. De kapel heeft een uitstraling wegens jaargetijden die dan families van verder dan de lokale gemeenschap doet samenkomen.
Op de vraag of "alles" dan een einde neemt, wordt geantwoord dat spijtig genoeg "alles", ook de kapel wordt gesloten. In feite gaat het om "herbestemmen" hetzij na volledige kaalslag van het terrein, hetzij gedeeltelijk. Concrete plannen zouden er niet zijn, en waar de kerkgangers dan wel hun eucharistie gaan vieren, werd niet gevraagd. 'Er is nog genoeg aanbod in andere kerken van het decanaat Genk' wordt gesteld en dit past "in het beleid" stelt de verantwoordelijke vicaris van het bisdom voor de kloosters.
Hier zijn toch twee aspecten die de nodige aandacht vragen, enerzijds het 'sluiten van kloosters', anderzijds het "opheffen en herbestemmen van kerken".
De langzame afname en verdwijnen van een gemeenschap zoals de Clarissen is niet nieuw in ons Vlaamse landschap. Overal worden nu in een snel tempo kloosters gesloten, niet alleen Clarissen, maar ook Carmel, Benedictijnen, naast reeds veel langer het doorgeven aan leken van de scholen en opleidingscentra van de Urselinnen, Jezuïeten, Montfortanen, en Bisschoppelijke Colleges. Hetzelfde gebeurde in de ziekenhuis-en bejaardenhuis sector.
De objectieve toestand zou duidelijk zijn: er zijn geen priesters meer, er zijn slechts nog gelovigen boven een zekere leeftijd. Mgr. De Kesel verwoordde dit onlangs kernachtig in een toespraak: "mensen onder de vijftig jaar hebben de binnenkant van een kerk heel zelden of niet meer gezien". Het geloof is in de harten van jongere mensen verdwenen, alle functies ook de caritatieve zijn vanuit een katholieke inspiratie met haar idealen, overgegaan naar een ideologische neutrale invulling. Als mooiste voorbeeld is er vanuit Studio Brussel de "music for live" actie van afgelopen december, die een enorm bedrag aan goodwill en euro's (7,8 miljoen €) kon opbrengen. Dit doet denken aan de mobilisatie die de spekpater (Werenfried van Straaten (1913-2003) o.praem.) begeesterde om na de oorlog de verpauperde Duitse bevolking bij te staan. Het zou aanzienlijk bijdragen tot verzoening met de vijand en in eigen hart tegenover Duitsland. Geestelijke bijstand werd onderbouwd met intense armoede leniging. Die geestelijke leniging door de opbouw of bouw van kerken en kapellen en het beschikbaar zijn van Kapelwagens toonde de vitaliteit van onze Christelijke bevolking en van het engagement voor de jeugd in de 1950 jaren. De Hongaarse opstand (1956) en de ondersteuning van Kardinaal Mindzenty mogen hier niet vergeten worden. De 'spekpater' werd en was het belangrijkste netwerk voor de vervolgde christenen, katholieken, orthodoxen en reformatie, tijdens de communistische vervolgingen. Hij was ook de eerste die de heropbouw van het geloof ondersteunde na de val van het communisme in 1989. Hij riep de bouworde in het leven (1972!) en breide zijn werkveld uit naar Zuid Amerika en Afrika.
Nog steeds bestaat Kerk in Nood, met haar doelstelling, de geestelijke nood lenigen eerst, samen met de concrete noden nooit afzonderlijk daarvan. Maar ook daar is de hoofdzakelijke steun vanuit de ouder wordende gemeenschap die in haar jeugd daaraan actief heeft deelgenomen. Ook de spekpater moet onmiddellijk na het concilie spitsroede lopen omdat hij én het communisme veroordeelde, -wat onze linkse pers niet zinde want die collaboreerde met het communistisch antichristelijk gedachtegoed,- én vanuit de eigen Kerk, omdat Pater Werenfried, samen met Johannes Paulus Il inzag dat de Kerk in een crisis was beland door ofwel onkunde van de teksten van het concilie ofwel gewoon vervalsing hiervan. De "geest van het concilie" was het gedachtengoed dat in de Vlaamse kerk werd en wordt verspreid. We zijn ook nu nog steeds zonder aanvaarding van de Catechismus van de Katholieke Kerk. Intussen zijn we geconfronteerd met een fantaisistische liturgie in zeer veel kerken zelfs als er een priester aanwezig is. Deze krijgt ofwel een tweederangsrol bedeeld of doet mee met gebedsdiensten zoals op begrafenissen.
Er is dus 60 jaar geen catechese meer die naam waardig, de kloosters zoals dit Clarissenklooster dat in hoofdzaak bestond uit zusters die voor 1960 waren ingetreden kan in een klimaat van totale ontkerstening van de gezinnen en het feit dat jongeren niet meer 'de kerk aan de binnenkant hebben gezien', geen jongeren inspireren tot een ideaal, laat staan een radicaal ideaal zoals dat van Clara en Franciscus. Na jaren van een "waakvlam" functie (Vandewiele, Langs het pad van de postulant, pag. 160), dooft de waakvlam uit. Nu sterven zij uit, zij die wel hun idealen hebben gestand gedaan, ondanks alle misinformatie en die zijn blijven volhouden ondanks alle verwijten zowel als zij die wel de encyclieken en de leer van Johannes Paulus Il en Benedictus XVI hebben verwerkt. De natuurlijke 'vergrijzing' heeft echter haar limieten bereikt, de kloosters gaan dicht.
In het recent gepubliceerde sociologisch werk van Wim Vandewiele, beschrijft hij als wetenschapper op welke wijze de monastieke dag in Sint Sixtus abdij van Westvleteren verloopt: "met telkens een getijdegebed gestoeld op een vast stramien, maar met een subtiele variatie om in te spelen op het moment van de dag en ook de periodes van het kerkelijk jaar." Dit was ook het geval te Genk en werd zolang als mogelijk vol gehouden. Het is steeds een slotklooster geweest en dat is tot het einde toe zo gebleven. De bezoekers werden 'achter tralies' ontvangen, maar steeds hartelijk en met geduld. Alleen voor enkele processies, Maria Lichtmis en Palmzondag, werd de kloostergang gebruikt als processiegang, onderdeel van de liturgie.
De architectuur van dit eenvoudig klooster rond een binnenplaats en met een grote tuin is zoals de regel van Clara het voorschrijft geen eigendom van de Clarissen, maar afgestaan aan de VZW Parochiale werken van het dekanaat Genk. De Heilige Clara voorzag immers uitdrukkelijk de absolute armoede, waarbij Gods voorzienigheid het nodige zou voorzien, en dus mogen zusters niets in "bezit" hebben ook niet als gemeenschap. In feite komt dit nu neer op beslissingsrecht van de deken van Genk, voorzitter van de VZW en de secretaris. In de statuten staat wel dat onroerende goederen (de kapel) kunnen slechts vervreemd worden na schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een door de bisschoppelijke overheid aangeduide verantwoordelijke en dit verzoek wordt steeds medeondertekend door verantwoordelijke leken van de betrokken parochie. Dit geldt eveneens voor alle roerende goederen die krachtens gelofte geschonken zijn of die uit artistiek of historisch oogpunt kostbaar zijn. Bovendien zijn al deze voornoemde handelingen onderworpen aan de toepassing van het Wetboek van Canoniek recht.
Dit wetboek stelt in Artikel 1222/2°: "Waar andere (dan een kapel onherstelbaar in verval voor de goddelijke eredienst= 1222/1°) ernstige redenen (hier dewelke?) het raadzaam maken dat een kerk niet langer voor de goddelijke eredienst gebruikt wordt, kan de diocesane bisschop, na de priesterraad gehoord te hebben, deze terugbrengen tot een profaan en niet onwaardig gebruik, met toestemming van hen die wettige rechten op de kerk laten gelden, en mits het zielenheil geen enkele schade lijdt."
De kapel wordt elke weekend druk bezocht voor de eucharistie zowel zaterdagavond als zondagmorgen. De uitstraling is lokaal zeer groot, maar ook veel ruimer, vooral de deelname aan de jaargetijde ter herdenking van de overledenen is een gewoonte die in Limburg nog steeds grote aanhang heeft. Klooster en kerk zijn opgebouwd met de gelden van de gelovigen, de grond is met het doel van een klooster/kapel geschonken, de opbouw was nergens onderhevig aan subsidiëring van de overheid. De vraag is dan wel wie laat echt 'wettige rechten' op de kerk gelden?
In de diepte-interviews van Vandewiele staat de rol van de kapel als volgt uitgedrukt: "De ruimte van de kerk verbeeldt het naderen tot het heilige. Er is wel de horizontale dimensie: de gemeenschap wordt verdiept door samen bidden. Maar tegelijk naderen we tot het heilige als we met de gemeenschap naar voren gaan. Ook hier weer getuigt alles van de veruitwendiging van een innerlijk proces (zoals dat ook gesymboliseerd wordt door het uitdoen van het schoeisel bij het brandend braambos - of de moskee). Daarom gaat het ook op in het monastieke leven." En "ook al is de kerk dus een afgezonderde plek, zonder die kerk en haar intensiteit houden we het niet lang vol, denk ik. Ook al is God overal aanwezig, in de kerk zijn wij dieper bij God en bij elkaar en allen betrokken." En een andere getuigt: "Ik geloof ook dat wij nood hebben aan een wijdingsvolle liturgie, met een geest die het menselijke overstijgt... daarnaast is er een 'praatliturgie' maar dat is totaal iets anders."
De socioloog verwoordt dit zo: "Vandaar de zin van de onderscheiden zones (in een klooster): in de koor zone bidden de monniken samen voor de wereld en zij zuigen zo de gast mee in die golfstroom van die psalmen."(pag. 115)
Als socioloog toetst Vandewiele zijn ervaring met de Sint Sixtusabdij met de theorieën van een Amerikaanse socioloog Goffman over 'gesloten instellingen' zoals 'gevangenissen en instituten voor psychiatrische patiënten'. Hij is eerder positief en heeft oog voor het eigene van de vrije toetreding van diegene die zich tot het klooster geroepen voelt. Bepaalde aspecten vertonen een analogie zoals werken, zich vermaken en slapen gebeuren op dezelfde plaatsen met (steeds) dezelfde zusters. Ook eten bidden en studeren gebeuren samen. De zusters staan onder het gezag van Moeder Abdis bijgestaan door haar raad. Richtinggevend is de regel van de Heilige Clara, die het monastiek leven definieert als een school van liefde in absolute armoede. Dat wordt uiteraard uitgewerkt en geactualiseerd aan onze tijd.
Het monastiek kader voorziet in wat de zusters nodig hebben, voeding kleding, werk, medische basiszorg en aangepaste verzorging bij ziekte en ouderdom, naast de infrastructuur voor slapen, lichaamshygiëne, en zeker de liturgie en werk.
Er blijft het feit dat er geen nieuwe roepingen meer zijn geweest de laatste 40 jaar. Deze zusters zijn niet alleen: het eens zo breed gediversifieerde landschap van zusters, zowel beschouwend als actief in ziekenzorg en onderwijs, zijn herleid tot nog een minieme fractie van ouderen die min of meer gunstig opgevangen worden, 'genieten' van hun oude dag, nog meestal omringd door medezusters. Het kan niemand ontgaan zijn dat binnen alle kloosters en congregaties sedert 1965 er diepe innerlijke verdeeldheid is gekomen. "De regel" werd in de meeste gevallen sterk aangepast en versoepeld, de kleding eerst vereenvoudigd, later onherkenbaar. De grote verdeeldheid leidde snel tot heel wat uittredingen. De vrouwenemancipatie drong ook in de orden en congregaties binnen, en er zijn er heel veel die na hun universitaire studies via de emancipatie zijn gaan dromen van deelname aan het priesterschap. Deze ideeën werden en worden hier en daar ondersteund, ondanks de "definitieve" uitspraak dat vrouwen geen priester kunnen worden.
Misschien is het goed om daar even bij stil te staan. Op welke bijbelse, evangelische gronden zou het priesterschap steunen? Er is geen twijfel dat op de avond voor Jezus ging lijden Hij aan tafel was met uitsluitend de twaalf, van wie Hij de voeten wast. Misschien mag dit beschouwd worden als de rituele wassing zoals in het oude verbond beschreven staat voor Aaron en zijn zonen die zich ritueel wassen vooraleer de liturgische gewaden aan te trekken voor het offer dat ze voor het volk brengen. Bij Johannes staan dan de vijf lange hoofdstukken die enkel en alleen op die maaltijd werden uitgesproken. Daarin is opvallend hoofdstuk 15 waarbij Christus zichzelf voorstelt als de wijnstok, de Vader de wijngaardenier, de apostelen daar aanwezig zijn de ranken, en daaraan hangen de vruchten. Het wezenlijke van priester te zijn is dus rank te zijn waarbij de kracht van de vruchtbaarheid vanuit de wijnstok komt waarmee de priester verbonden is en anderzijds enkel op die manier hij 'gelovige' vruchten kan voortbrengen. Daarom bidt Jezus in hoofdstuk 17 in Zijn hogepriesterlijk gebed voor zijn apostelen priesters: "Ik bid voor hen. Niet voor de wereld bid Ik, maar voor diegenen die Gij (Vader) Mij gegeven hebt, omdat zij U (Vader) toebehoren .... Zo ben Ik in hen verheerlijkt. .. lk bid niet dat ge hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad. Zij (deze priesters apostelen) zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben. Wijd hen (de priesters) U toe in de waarheid. Uw Woord is waarheid. Zoals Gij Mij in de wereld gezonden hebt, zo zend Ik hen ( de priesters) in de wereld en omwille van hen (de priesters) wijd Ik Mij aan U (Vader), opdat ook zij in de waarheid aan U (Vader) toegewijd mogen zijn." De rol van de priester is dus "in waarheid" aan de Vader toegewijd zijn, en in waarheid het Woord, de Christus zelf verkondigen. In die vijf hoofdstukken is maar een enkel zinnetje dat niet over de priesters gaat maar wel duidelijk zegt wat hun rol is: "Niet voor hen (deze priesters-apostelen) alleen bid Ik, maar ook voor hen (de gelovigen) die door hun (priesterlijk) woord in Mij (Jezus Christus) geloven".
In een magistrale uiteenzetting heeft Paus Benedictus XVI in zijn boek Jezus Il, Hoofdstuk 4 het Hogepriesterlijk gebed, en Hoofdstuk 5, Het laatste avondmaal, de exegetische grondslagen van priesterschap en zijn absolute unieke verbondenheid met de eucharistie uiteengezet. Ook stelt Paus Benedictus dat er een diepe samenhang bestaat tussen het Hogepriesterlijk gebed en de Eucharistie en de brief aan de Hebreën. "Jezus is, zo geloven de christenen, de Thora in persoon, en daarom worden wij geheiligd door één te worden met wat Jezus is en wat Hij wil. Als het bij de heiliging van de leerlingen (apostelen daar alleen aanwezig) in de waarheid uiteindelijk gaat om deelhebben aan de priesterlijke zending van Jezus, dan mogen wij in deze woorden van het Johannesevangelie de instelling van het priesterschap van de apostelen zien, het nieuwtestamentisch priesterschap, dat ten diepste ten dienste staat van de waarheid."
De priester wordt dus de priester in de "persoon van Christus", door het brood te breken en de woorden "dit is Mijn Lichaam" daarover uit te spreken. Paus Benedictus stelt: " Wanneer Jezus spreekt over Zijn lichaam, dan bedoelt Hij natuurlijk niet zijn fysiek lichaam als te onderscheiden van ziel of geest, maar Zijn gehele, levende en lichamelijke persoon .... Maar hoe gebeurt dat dan? Jezus bevindt zich toch te midden van zijn leerlingen - wat doet Hij daar? Hij doet wat Hij in het verhaal over de Goede Herder heeft gezegd: 'Niemand neemt mijn leven af. Ik geef het uit eigen vrije wil'. (Joh. 10,18) Het leven wordt Hem op het Kruis afgenomen, maar nu al geeft Hij het uit zichzelf: Hij verandert Zijn gewelddadige dood in een vrije daad van overgave ter wille van de anderen, aan de anderen."
Dat is wat de priester binnen de Katholieke Kerk doet en waar hij voor staat. Maar sedert vijf decennia werd dit de priesters in hoge mate ontstolen door allerhande recyclages die eerst ervoor hebben gezorgd dat de evangelies niet worden beschouwd wat Dei Verbum 19, zegt: "de evangeliën, waarvan zij de historiciteit zonder aarzelen bevestigt, trouw overleveren, wat Jezus, de Zoon van God, tijdens zijn leven onder de mensen tot hun eeuwig heil werkelijk heeft gedaan en geleerd tot op de dag dat Hij ten hemel is opgenomen. (vgl. Hand 1,1-2)" Door een overdreven gerecycleerd worden door allerhande geleerden die deze waarheid niet onderschreven, maar de historische Christus als onvindbaar beschouwen en daarvan is Bultmann zeker een eminente vertegenwoordiger, zijn de priesters hun geloof kwijt gespeeld, de eucharistie 'persona Christi' in de persoon van de Christus is verdwenen en hun priesterlijke taak nog louter sociale invalshoek en zich kapot vergaderen en organiseren van deze dingen die met hun priesterlijke taak niets te maken hebben. Uiteraard heeft dit veel vrouwen de gevoelens van achteruitstelling en gebrek aan emancipatie doen ervaren. Dit heeft de zustercongregaties en orden in grote tweespalt achtergelaten, en dit heeft geleid tot het vernietigen van enige grond tot hun werkelijke roeping.
We leven dus in een tijdperk vrijwel zonder priesters, op enkele bewonderenswaardige priesters na. Weinig eucharistie, vrijwel zonder geloof, en waarbij het sluiten van kloosters is als de waakvlam die dooft, en de kerken ontwijdt en herbestemt in zulk snel tempo dat weldra alleen nog enkele kathedralen als monumenten als kunst en/of folklore zullen overblijven. Onze eigen interne verdeeldheid en het losscheuren van de sacramenten-die van het priesterschap op de eerste plaats- gevolgd door het vernietigen van alle geloofsleven, toont nu zijn waar gelaat. De troosteloze teloorgang van kloosters, kerken als laatste in steen gehouwen getuigen van ons geloof.
Tot slot wil ik de inleiding van de slotviering van de zusters Clarissen meegeven omdat ze kort verwoordt wat het drama is.
"In deze kapel zijn we samen gekomen om afscheid te nemen van de Eerwaarde Zusters Clarissen. Dit is een moment van diepe droefheid. De concrete dagelijkse beleving door een gemeenschap van het ideaal van Franciscus en Clara wordt afgebroken na zo'n lange tijd. De zusters zijn volledig vergroeid met de buurt, de toevlucht voor wie in nood zit, die beroep doen op hun gebed.
Maar wat is dan dat ideaal dat zoveel verwondering opwekt? Dat 800 jaar de regel van de Heilige Clara steeds opnieuw vrouwen heeft begeesterd? Vooreerst is er het Gods lof zingen in dagelijkse Eucharistie en het getijdegebed, het gebed van de Universele Kerk. Het meest bekend is hun soberheid en armoede, het niets bezitten 'in eigendom'. Om in hun onderhoud te voorzien werd jarenlang gearbeid om Gods lof in de kerken te ondersteunen door het bereiden van de hosties en het onderhoud van de gewaden. De zusters konden iedereen dienstbaar zijn, door afstand te doen van hun eigen gezin, omwille van het rijk der hemelen. Zij zijn reeds wat ze in de zondagsvespers uit het boek Openbaring uitzingen: 'de bruid van het Lam, de bruid die zich reeds heeft getooid.' Dit klooster van de zusters, een slotklooster, stond en staat via moeder abdis steeds open voor zoveel jongeren die met verwondering een glimp van dat hoge ideaal konden zien tijdens hun catechese. Maar alle noden van alle bezoekers konden hier bespreekbaar gemaakt worden en via het gebed bij de Heer en zijn moeder gebracht. Moge deze plaats waar zoveel gebeden is, niet teloor gaan aan de totale ontkerstening. Moge die hoge idealen die door zovelen is gerealiseerd, behouden blijven in het behoud van deze kapel, door gelovigen geschonken, het blijvend hart van het geloof en het zingen van Gods lof in de Heilige liturgie."
Overal gaat dit uitdoven van de waakvlam gepaard met het sluiten van de kapellen, die herbestemd worden. Niemand schijnt zich zelfs vragen te stellen omtrent deze manier van werken, iedereen lijkt wel vergeten dat deze kapellen die getuigden van een sterke godsvrucht, diepe kunstzin, stuk voor stuk pareltjes van kunst zijn. Zij werden bijeengebracht vaak met geld van de arme gelovige ( het penninkje van de arme weduwe) en zij worden nu zonder enige inspraak of bevraging aan de vernieling prijsgegeven. Een bevraging van kerkgangers mobiliseerde 200 handtekeningen en 50 die actief aan de instandhouding van de kapel willen meewerken. Of daar bij de bisschop uiteindelijk gehoor zal aan worden gegeven, moeten we afwachten.

Dr. Luc Kiebooms
Schaapsdries 28
3600 Genk
 
 


Comments are closed.
    Overzicht Artikels
Powered by Create your own unique website with customizable templates.
  • Wie we zijn
  • De heilige Thomas More
  • Kalender
  • Tijdschrift: POSITIEF
  • Archief
    • Overzicht